Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/37:37 Persoonlijke rechten van de pandgever
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2025/37
37 Persoonlijke rechten van de pandgever
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD13975:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin voor de uitoefening van een wilsrecht door een beslaglegger HR 29 oktober 2004, JOR 2004/338 m.nt. A. van Hees, NJ 2006, 14 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2004/68 m.nt. A.W. Jongbloed (Van den Bergh/Van der Walle en ABN AMRO).
Zie r.o. 3.6 van het in de vorige voetnoot genoemde arrest.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechten die op grond van de wet, naar hun aard of krachtens overeenkomst zijn aan te merken als rechten die slechts door de oorspronkelijke schuldeiser (de pandgever) kunnen worden uitgeoefend, zijn van uitoefening door de pandhouder uitgezonderd. Of een recht als een uitsluitend door de pandgever uit te oefenen recht heeft te gelden, zal van geval tot geval moeten worden bepaald.
Bij de beantwoording van de vraag of een recht zodanig aan de persoon van de pandgever is verbonden dat het moet worden aangemerkt als een recht dat niet door de pandhouder kan worden uitgeoefend, kunnen de criteria die bepalend zijn voor de (on)verpandbaarheid van een vordering op grond van de aard van de vordering of op grond van hetgeen de pandgever en de debiteur zijn overeengekomen, tot leidraad dienen. Zie voor die criteria hierna de paragrafen 6.4.3 en 6.4.4. Voor wilsrechten van de pandgever geldt daarnaast, dat deze niet door de pandhouder kunnen worden uitgeoefend indien de aard van het recht zich ertegen verzet dat het wordt uitgeoefend door een ander dan de pandgever.1
Het recht van een kredietnemer om door het ‘afroepen’ van zijn krediet een vordering op zijn bank te doen ontstaan, is een recht dat niet kan worden uitgeoefend door de beslaglegger die beslag op de vorderingen uit de kredietovereenkomst heeft gelegd, omdat de aard van zo een wilsrecht zich daartegen verzet.2 Hetzelfde heeft mijns inziens te gelden als de vorderingen uit de kredietovereenkomst zijn verpand: de aard van het wilsrecht tot het ‘afroepen’ van het krediet verzet zich tegen uitoefening daarvan door de pandhouder.