Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/308
308 Geen substitutie
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD51532:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:81 lid 2 sub a BW en HR 12 juli 2002, JOR 2002/180 m.nt. NEDF, NJ 2003, 194 m.nt. WMK (Rabobank/Knol q.q.).
HR 23 april 1999, JOR 1999/109 m.nt. H.L.E. Verhagen, NJ 2000, 158 m.nt. WMK (Wollie).
Vgl. Rank-Berenschot 1997a, p. 239. In dezelfde zin A-G Hartkamp in nr. 14 van zijn conclusie vóór HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 m.nt. WMK (Mulder q.q./CLBN) en A-G Wesseling-van Gent in nr. 2.19-2.20 van haar conclusie vóór HR 12 juli 2002, JOR 2002/180 m.nt. NEDF, NJ 2003, 194 m.nt. WMK (Rabobank/Knol q.q.).
Zie hierna par. 11.5.4.
Zolang het pandrecht door de pandhouder niet aan de debiteur is medegedeeld, is de pandgever bevoegd de verpande vordering te innen.1 Gevolg van betaling van de vordering aan de pandgever is dat de verpande vordering en het daarop rustende pandrecht tenietgaan.2 Naar geldend recht vindt geen substitutie plaats; er komt geen pandrecht te rusten op het door de pandgever als gevolg van de inning verkregen chartale geld of, in geval van girale betaling, zijn vordering op een bank- of giro-instelling. Aan substitutie lijkt in dat geval ook geen behoefte te bestaan: er is geen sprake van een ‘uitwinningssituatie’. De vergelijking met de verkoop en levering van verpande roerende zaken door de pandgever met toestemming van de pandhouder ligt voor de hand: ook in dat geval gaat het pandrecht teniet en vindt geen substitutie plaats.3
Door genoegen te nemen met een stil pandrecht in plaats van een openbaar pandrecht casu quo geen mededeling van zijn stille pandrecht te doen aan de debiteur van de verpande vordering (waartoe de bevoegdheid op ieder gewenst moment kan ingaan: zie art. 3:239 lid 3 BW) accepteert de pandhouder dat zijn pandrecht door betaling van de verpande vordering aan de pandgever tenietgaat. Dat de pandhouder geen openbaar pandrecht eist zal kunnen samenhangen met het feit dat in het vermogen van de pandgever doorlopend nieuwe vorderingen ontstaan die aan de pandhouder zijn of worden verpand. Er is in die situatie, waarin geen sprake is van verhaalsuitoefening, geen goede reden voor substitutie of het aan de pandhouder toekennen van een bijzonder recht, zoals een recht van voorrang op het geïnde bedrag.4
De pandhouder die niet langer wenst dat zijn verhaalspositie ten aanzien van de aan hem verpande vorderingen door voldoening aan de pandgever tenietgaat, kan zulks bewerkstelligen door, zodra hij daartoe bevoegd is, mededeling van zijn pandrecht aan de debiteuren van de vorderingen te doen. Dat naar geldend recht geen substitutie plaatsvindt indien de pandgever een stil verpande vordering int, is mijns inziens het wenselijke recht.
Anders is de situatie als de pandhouder en de pandgever overeenkomen dat de pandgever de openbaar verpande vordering(en) zal innen.5 In dat geval zouden de pandgever en de pandhouder mijns inziens moeten kunnen overeenkomen dat de pandgever de verpande vorderingen int op een kwaliteitsrekening. In dat geval zou substitutie van de op de vordering(en) rustende pandrechten moeten plaatsvinden.6