Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.4.1.2
IV.19.4.1.2 Tijdsverloop en Verwirkung
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378969:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Erichsen/Ehlers 2010, p. 723 en 729, Ehlers/Kallerhoff 2009, p. 826, Maurer 2011, p. 309, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 48 VwVfG, Rn. 203 en Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG, Rn. 102 met een verwijzing naar BVerwGE 17 oktober 1975, bandnr. 49, 244.
Knack/Henneke 2010, § 48 VwVfG Rn. 44 en 74.
BVerwGE 20 december 1999, NJW 2000/1512.
Knack/Henneke 2010, § 48 VwVfG Rn. 44 en 74. Zie voorts BVerwGE 20 december 1999, NJW 2000/1512.
BVerwGE 19 februari 2009, zaaknr. 8 C 4.08.
Zie bijvoorbeeld BVerwGE 7 februari 1974, bandnr. 44, 339.
BVerwGE 7 februari 1974, bandnr. 44, 339 en BVerwGE 20 december 1999, NJW 2000/ 1512 en Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG, Rn. 147. Zie voorts m.b.t. de eis dat sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden BVerwGE 28 september 1994, NVwZ 1995/ 703.
BVerwGE 28 september 1994, NVwZ 1995/703.
BVerwGE 19 februari 2009, zaaknr. 8 C 4.08.
In aanvulling op de termijn § 48 lid 4 VwVfG kan worden gewezen op de in lid 2 van genoemde bepaling voorgeschreven afweging tussen het algemeen belang dat met de intrekking wordt gediend en het vertrouwensbelang van de geadresseerde. Een element dat in deze afweging van belang kan zijn is de periode die is verstreken sinds verlening van de beschikking. Meer in het bijzonder kan het feit dat tussen deze verlening en de intrekking van de beschikking een zeker tijdsverloop heeft plaatsgevonden, er toe leiden dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde.1
Het Duitse bestuursrecht kent tevens het leerstuk van de Verwirkung. Met Verwirkung wordt bedoeld dat een bestuursorgaan zijn bevoegdheid om een beschikking in te trekken, kan ‘verwerken’ door op enigerlei wijze de schijn te wekken dat de beschikking niet meer zal worden ingetrokken. Het leerstuk van de Verwirkung staat los van de termijn neergelegd in § 48 lid 4 VwVfG:2
‘Davon (BdK: van de termijn van § 48 lid 4 VwVfG) zu unterscheiden ist die Fallgestaltung, dass zusätzlich Umstände eintreten, aus denen der die Rechtswidrigkeit kennende Begünstigte berechtigterweise den Schluss ziehen durfte, der Verwaltungsakt werde nicht mehr zurückgenommen, obwohl die Behörde dessen Rücknehmbarkeit erkannt hat, der Begünstigte ferner tatsächlich darauf vertraut hat, dass die Rücknahmebefugnis nicht mehr ausgeübt werde und dieses Vertrauen in einer Weise betätigt hat, dass ihm mit der sodann gleichwohl erfolgten Rücknahme ein unzumutbarer Nachteil entstünde […].’3
Zoals ook blijkt uit deze uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht bestaat het leerstuk van de Verwirkung naast de in § 48 lid 4 VwVfG neergelegde termijn voor de intrekking van beschikkingen.4 Dat betekent dat wanneer in een concreet geval de termijn van § 48 lid 4 VwVfG niet in de weg staat aan intrekking, van de intrekkingsbevoegdheid toch geen gebruik kan maken, omdat het bevoegde orgaan zijn intrekkingsbevoegdheid heeft verwerkt. De vraag naar eventuele Verwirkung speelt een rol bij de afweging die op grond van § 48 lid 2 eerste volzin VwVfG moet worden gemaakt tussen het belang van de begunstigde en het algemeen belang dat met de intrekking wordt gediend.
Voor een geslaagd beroep op Verwirkung geldt een aantal voorwaarden. In de eerste plaats is enkel tijdsverloop onvoldoende.5 Het enkele feit dat het bevoegde orgaan gedurende een zekere periode geen gebruik heeft gemaakt van zijn intrekkingsbevoegdheid rechtvaardigt niet zonder meer dat een beschikking niet meer kan worden ingetrokken. Veel meer moet naast tijdsverloop sprake zijn van bijzondere omstandigheden.6 Meer in het bijzonder moet sprake zijn van een situatie waarin vanwege een gedraging van het bevoegde orgaan erop is vertrouwd dat deze geen gebruik meer zal maken van zijn intrekkingsbevoegdheid en het alsnog uitoefenen van deze bevoegdheid ertoe leidt dat de beschikkinghouder schade lijdt.7 Bij de beoordeling speelt onder meer bepaalde kennis van de beschikkinghouder een rol.8 Ook het feit dat het bevoegde orgaan, nadat het om enigerlei reden bedenkingen krijgt met betrekking tot de rechtmatigheid van de beschikking, eerst overleg moet plegen, leidt niet tot het oordeel dat het orgaan door dit handelen vertrouwen heeft gewekt dat van de intrekkingsbevoegdheid geen gebruik meer zal worden gemaakt.9