Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/15
15
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995853:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 881 en Parl. Gesch. Boek 6, p. 216.
Een voorbeeld van de regeling waarin nu juist is afgeweken van afdeling 6.1.7, is art. 3:291 BW, dat de derdenwerking van het retentierecht regelt. Zie Klomp, GS Verbintenissenrecht, art. 6:53 BW, aant. 4 en 5 (online, bijgewerkt t/ m 21 januari 2018). Asser/Sieburgh 6-I 2016/278 schrijft dat art. 3:291 BW een lex specialis is ten opzichte van art. 6:53 BW. Anders: Fesevur 1988, p. 144 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/507. Zie over de verhouding tussen 6:53 en art. 3:291 BW verder par. 4.4.4.7.
Zo bijvoorbeeld de rechtspraak van de Hoge Raad over de vraag, of de opschorting aan de wederpartij moet worden medegedeeld, zie verder par. 3.4.
Zie ook de drie rode lijnen in hoofdstuk 10.
Opschortingsrecht. Het retentierecht is in de eerste plaats een opschortingsrecht. Als de opschorting bestaat in het niet-afgeven van een zaak, is het een retentierecht.1 Nu art. 3:290 BW dat met zoveel woorden zegt, lijkt dit een open deur. Toch benadruk ik het, omdat het relevant is voor de voorwaarden en voor de rechtsgevolgen van het retentierecht. De constatering dat het retentierecht in de eerste plaats een opschortingsrecht is, is onder meer relevant voor de ontstaansvoorwaarden. Het brengt mee dat afdeling 6.1.7 (opschortingsrechten) toepasselijk is, uiteraard met inachtneming van art. 6:57 BW.2 En ook de rechtspraak over opschortingsrechten in zijn algemeenheid is mede bepalend voor het retentierecht.3 De keuze om het retentierecht expliciet te gieten in de vorm van het opschortingsrecht is in mijn ogen niet willekeurig. Geen van de verschillende artikelen over retentierecht uit het Oud BW gebruikt deze terminologie. De (nieuw BW-)wetgever had bijvoorbeeld ook kunnen kiezen om het retentierecht nog verder te ‘verzakelijken’, bijvoorbeeld door het introduceren van een wettelijk pandrecht. Het feit dat het retentierecht een opschortingsrecht is, loopt als een rode lijn door mijn proefschrift en ik zal daar nog meermaals op teruggrijpen.4 In paragraaf 2.2.6 kom ik door middel van een vergelijking met de Duitse retentierechten uitgebreider terug op de keuze van de wetgever voor het retentierecht als opschortingsrecht.