Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering
Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.5.2.8:II.4.5.2.8 Houdsterresolutie en ander beleid van de staatssecretaris van Financiën
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.4.5.2.8
II.4.5.2.8 Houdsterresolutie en ander beleid van de staatssecretaris van Financiën
Documentgegevens:
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS493031:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook in het beleid van de staatssecretaris van Financiën is een aantal opmerkingen te vinden die het economische karakter van het verkrijgen en houden van aandelen betreffen. Uit de zogeheten houdsterresolutie van de staatssecretaris van Financiën volgt dat het houden van aandelen door iemand die ondernemer is, vrij snel economisch van karakter is.1 Hij stelt namelijk dat het houden van aandelen door een ondernemer, anders dan voor actieve deelneming of effectenhandel, in beginsel geen invloed heeft op zijn recht op aftrek van voorbelasting:
‘11. In gevallen waarin een (rechts)persoon reeds uit anderen hoofde ondernemer is en naast de ondernemersactiviteiten, zoals bijv. management-, financierings- en advieswerkzaamheden, ook – al dan niet incidenteel – ten behoeve van de onderneming aandelen houdt (bijv. ter tijdelijke belegging van overtollig kasgeld), anders dan bij wijze van actieve deelneming als hiervoor in punt 9 besproken en anders dan bij wijze van handel als hiervoor omschreven in punt 10, komt het mij redelijk voor dat deze aandeelhoudersactiviteit geen gevolgen heeft voor het aan die ondernemer, dan wel de fiscale eenheid waartoe deze behoort, toekomende aftrekrecht.
Op overeenkomstige wijze kan worden gehandeld bij houdstermaatschappijen die naast het houden van aandelen ook andere werkzaamheden, zoals de hiervoor genoemde, verrichten, mits zij voor die werkzaamheden de hoedanigheid van ondernemer hebben. (…)’
In de opvatting dat een aandeelhoudersactiviteit – in het geheel – geen gevolgen heeft voor het recht op aftrek van voorbelasting, ligt besloten dat zij steeds een economisch karakter heeft. Of dit beleid geheel in overeenstemming is met de eerder besproken jurisprudentie, valt te betwijfelen. Allicht doen om die reden al lange tijd geruchten de ronde over intrekking of wijziging van het geciteerde onderdeel. Ook is onduidelijk hoe dit onderdeel zich ver houdt tot het vermelde in het besluit van 3 augustus 2004 over het overdragen van aandelen.2 Daarin stelt de staatssecretaris dat aandelen enkel in uitzonderingssituaties als ondernemer worden verkregen, gehouden en vervreemd als geen sprake is van effectenhandel of inmengaandeelhouderschap. Waar de houdsterresolutie uit 1991 mogelijk te soepel is, is dit besluit uit 2004 eerder te strikt. Omdat het beleid is, zijn belastingplichtigen er niet aan gebonden als het in hun nadeel is. Voor het overige moet worden toegegeven dat vooral de houdsterresolutie een praktisch eenvoudig uitvoerbare regel geeft.