Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/188:188 Verhindering van het ontstaan van het pandrecht
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/188
188 Verhindering van het ontstaan van het pandrecht
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 22-08-2025
- Datum
22-08-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD23364:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een na de vestigingshandeling(en) gelegd beslag kan het ontstaan van het pandrecht niet verhinderen.1 Ook een latere vervreemding van de vordering kan het ontstaan van het pandrecht niet verhinderen.2 Een latere vestiging van een beperkt recht heeft evenmin invloed op het ontstaan van het pandrecht.3 Zo kan een cessie of verpanding (al dan niet bij voorbaat) van toekomstige huurvorderingen nadat deze eerder bij voorbaat zijn verpand niet aan de (eerdere) pandhouder worden tegengeworpen.
In vier situaties kan het ontstaan van het pandrecht wel worden verhinderd. De eerste situatie is dat zich, vóór het ontstaan van het pandrecht, één van de gevallen voordoet waarin beperkte rechten tenietgaan.4 Deze situatie spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
De tweede situatie waarin het ontstaan van een bij voorbaat gevestigd pandrecht wordt verhinderd, is dat de ten tijde van de vestiging bij voorbaat geldige titel met terugwerkende kracht ongeldig wordt door de vernietiging daarvan.5 Zie hierover paragraaf 12.2.1.3.
De derde situatie waarin het ontstaan van een bij voorbaat gevestigd pandrecht wordt verhinderd, is het beschikkingsonbevoegd worden van de pandgever vóórdat hij rechthebbende van de vordering is geworden. Is zijn faillissement de oorzaak van zijn beschikkingsonbevoegdheid dan verhinderen ook art. 20 en 35 lid 2 Fw het ontstaan van het pandrecht.6
De vierde situatie waarin een bij voorbaat op een toekomstige vordering gevestigd pandrecht niet ontstaat, is dat de vordering niet ontstaat. Dat is vanzelfsprekend. Het pandrecht ontstaat ook niet indien de vordering weliswaar ontstaat, maar niet rechtstreeks voortvloeit uit een ten tijde van de vestiging van het pandrecht reeds bestaande rechtsverhouding. Dat is, gezien het bepaalde in art. 3:239 lid 1 BW eveneens vanzelfsprekend, maar het is niet geheel duidelijk wat de betekenis van dit vereiste is. In paragraaf 8.3.1 wordt bij deze vraag stilgestaan. In verband met deze vraag rijst een extra complicatie als de rechtsverhouding na de vestiging van het pandrecht, maar voor het ontstaan van de vordering is overgegaan op een derde. Deze problematiek is het onderwerp van paragraaf 8.5.