Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/5.5.1.1
5.5.1.1 De verbintenis tot gestand doen van het aanbod
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS374388:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Cauffman 2005, p. 292; Larroumet 2003, nr. 95. Ook in Duitsland vindt deze opvatting enige navolging: Handkommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, §305 BGB, nr. 4. Naar Engels recht wordt gebondenheid aan en verbintenissen voortvloeiend uit een aanbod onmogelijk geacht. Dit is een gevolg van de doctrine of consideration, die vereist dat een promise de handelende partij pas bindt als er een tegenprestatie tegenover staat.
Van Dunné 1971, p. 102 e.v. en 2001, p. 71-73; Van Delden en Banier 1999, p. 83; Janssens 1926, p. 101; Asser/Van Goudoever III 1913, p. 265 e.v.; Asser/Rutten 3-II 1968, p. 95; Troelstra 1925, p. 73; Suijling 1925, p. 15.
In oude rechtsliteratuur worden de termen ‘bindend aanbod’ en ‘onherroepelijk aanbod’ soms, maar niet altijd, als synoniemen gezien. Vgl. Jansen 2000, p. 7. Zie over de absolute werking van het onherroepelijk aanbod nader nr. 233.
235. Als rechtsgevolg van het doen van een aanbod ontstaat de verbintenis om het aanbod gestand te doen, ook al is de aanbieder van gedachten veranderd. Dit wordt in de Nederlandse literatuur, evenals in België en Frankrijk,1 beschouwd als een verbintenis van de aanbieder.2 Voor degene die een herroepelijk aanbod heeft,gedaan is deze verbintenis zeer relatief. Hij kan immers door herroeping deze verbintenis teniet doen gaan. Als gevolg van de absolute werking van het onherroepelijk aanbod hebben tussentijdse bedenkingen van de aanbieder geen effect.3