Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/12:Hoofdstuk 12 Slotbeschouwing
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/12
Hoofdstuk 12 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS596158:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
585. De toerekening van kennis aan rechtspersonen heeft in de Nederlandse rechtsliteratuur lange tijd niet de aandacht gekregen die zij verdient. Honderden normen in civielrechtelijke wetten en jurisprudentie verbinden een rechtsgevolg aan de aan-of afwezigheid van bepaalde kennis. Een aanzienlijk deel van de rechtssubjecten die in de Nederlandse rechtssfeer actief zijn, is rechtspersoon. Het is bepaald niet vanzelfsprekend dat een rechtspersoon geacht wordt te weten wat elk van zijn huidige en oud-functionarissen weet, maar evenmin dat alleen de kennis van het bestuur heeft te gelden als die van de rechtspersoon. Er is juridische analyse en theorievorming nodig om te bepalen welke kennis om welke redenen mag worden toegerekend.
De vraag wat een rechtspersoon op enig moment wist, doet zich voor in zo veel verschillende situaties en bij de toepassing van zo veel verschillende normen, dat algemene uitspraken over toerekening van kennis de plank al snel misslaan, met uitzondering van “het hangt af van alle omstandigheden van het geval”. Dit proefschrift brengt wetenschap en praktijk voorbij die constatering. Het geeft een beoordelingskader dat kan worden toegepast in (vrijwel) alle gevallen waarin moet worden beoordeeld of de aanwezigheid van bepaalde informatie binnen de organisatie van de rechtspersoon meebrengt dat het rechtsgevolg intreedt dat door de toepasselijke norm wordt verbonden aan het bekend (behoren te) zijn met die informatie. Het laat zien hoe de bestaande jurisprudentie en de opvattingen in de literatuur in dat beoordelingskader passen. Door voorbeelden te geven, vuistregels te formuleren en in te gaan op de vele omstandigheden en gezichtspunten die de beoordeling door de rechter kunnen invloeden, biedt het handvatten voor de praktijk.
586. In de loop van het onderzoek is mijn overtuiging gegroeid dat het, voor het ontwikkelen van een solide beoordelingskader, nodig is eerst een conceptueel kader te scheppen voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen. Daarmee bedoel ik: zonder helderheid over (i) wat het toerekenen van kennis eigenlijk behelst en (ii) welke typen gevallen moeten worden onderscheiden, is het niet goed mogelijk om regels te formuleren. Om die regels te verantwoorden, moet bovendien duidelijk zijn (iii) om welke reden kennis wordt toegerekend aan rechtspersonen. Het belangrijkste dogmatische resultaat van het onderzoek is in mijn ogen de visie die ik presenteer op die drie kwesties. Voor de praktijk zullen de vuistregels die ik formuleer het belangrijkst zijn, tezamen met de gedetailleerde beschouwing van de omstandigheden die het oordeel over kennistoerekening kunnen beïnvloeden en van de legitieme beperkingen van kennisdeling.
Mijn visie komt in grote lijnen op het volgende neer. Het toerekenen van interne kennis aan een rechtspersoon is in essentie het toedelen aan de rechtspersoon van het risico dat zijn functionarissen (of beslissystemen) bepaalde informatie niet hebben gebruikt of niet hebben ontvangen. Deze analyse van kwestie (i) zoals in de vorige alinea benoemd, leidt tot het onderscheid tussen standaardgevallen en gevallen van kennisversplintering. Dat onderscheid vormt een deel van mijn visie op kwestie (ii). Is het probleem dat de functionaris die betrokken was bij de rechtsverhouding met de wederpartij, zijn kennis niet heeft gebruikt, dan is sprake van een standaardgeval. In beginsel heeft de kennis van de functionaris dan te gelden als die van de rechtspersoon indien het tot diens taak behoorde om naar aanleiding van zijn kennis maatregelen te treffen. Dit is de eerste vuistregel.
Is het probleem dat de functionaris die betrokken was bij de rechtsverhouding met de wederpartij, de relevante informatie niet heeft ontvangen, dan spreek ik van kennisversplintering. In dat geval moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval worden bepaald of de rechtspersoon een beroep toekomt op het feit dat de betrokken functionaris onwetend was. Welke omstandigheden relevant zijn, wordt in belangrijke mate bepaald door het organisatiebeginsel: een rechtspersoon dient de interne communicatie en de opslag en beschikbaarheid van informatie op zodanige wijze te organiseren dat functionarissen van de rechtspersoon bij de uitoefening van hun taken steeds in voldoende mate beschikken over de informatie die daarvoor relevant is. Dat leidt tot de tweede vuistregel: heeft de rechtspersoon niet voldaan aan zijn organisatieplicht, dan komt de onwetendheid van de handelende functionaris in beginsel voor zijn rekening. Dat uitgangspunt gaat echter niet op indien de toepasselijke norm subjectieve kennis eist. Daarnaast kunnen onder meer wettelijke plichten tot het geheimhouden van informatie of het beperken van de beschikbaarheid daarvan ertoe leiden dat de rechtspersoon zich mag beroepen op de onwetendheid van de betrokken functionaris.
587. Dwars door de verzameling van standaardgevallen en gevallen van kennisversplintering lopen twee andere scheidslijnen: (a) de lijn die ‘vertrouwensgevallen’ scheidt van andere gevallen, en (b) de lijn tussen kennis opgedaan in de uitoefening van een functie voor de rechtspersoon en kennis opgedaan in andere hoedanigheid. Met deze aanvullingen is de catalogus van gevalstypen (kwestie (ii)) op hoofdlijnen compleet.
Ad (a): vertrouwensgevallen. Of iets een vertrouwensgeval is, wordt bepaald door de toepasselijke norm. Die kan meebrengen dat een zeker rechtsgevolg niet alleen intreedt wanneer de rechtspersoon bepaalde kennis had, maar reeds indien de wederpartij er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat bepaalde informatie bij de betrokken functionaris van de rechtspersoon aanwezig was of terecht zou komen. In dat geval komt mede gewicht toe aan diverse omstandigheden die in andere gevallen irrelevant zijn. Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn de kennis van de wederpartij over de interne organisatie van de rechtspersoon en de verwachtingen die de rechtspersoon op dat vlak heeft gewekt. Dat levert een derde vuistregel op: is sprake van een vertrouwensgeval, dan moet kennis aan de rechtspersoon worden toegerekend indien deze wederpartij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de rechtspersoon de kennis in kwestie bezat.
De ratio en grondslag voor de toerekening van kennis verschilt in beide gevallen. In vertrouwensgevallen ligt de ratio voornamelijk in het vertrouwensbeginsel: gerechtvaardigd vertrouwen dient beschermd te worden. In andere gevallen moet de ratio voor het toedelen aan de rechtspersoon van het risico dat functionarissen hun kennis niet gebruiken of doorgeven, vooral worden gezocht in het feit dat de rechtspersoon door de inzet van functionarissen dit risico zelf creëert en dit het best kan beheersen. In andere dan vertrouwensgevallen bieden alleen de verkeersopvattingen de grondslag voor kennistoerekening, zoals vervat in het Babbel-criterium: heeft de kennis van de functionaris in de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer te gelden als kennis van de rechtspersoon? In vertrouwensgevallen bepalen de redelijkheid en billijkheid (en eventuele contractuele afspraken) of het vertrouwen van de wederpartij dat de rechtspersoon bepaalde kennis had, moet worden gehonoreerd. In die beoordeling weegt wel in belangrijke mate mee wat in het maatschappelijke verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon. Moet de geldigheid of het gevolg worden vastgesteld van een rechtshandeling die de functionaris heeft verricht als gevolmachtigde van de rechtspersoon, dan heeft de toerekening van kennis in beide typen gevallen een wettelijke grondslag, namelijk art. 3:66 lid 2 BW. Hiermee is een groot deel van de analyse van kwestie (iii) gegeven.
Ad (b): hoedanigheidsproblematiek. Zowel in het standaardgeval als in gevallen van kennisversplintering kan het zo zijn dat de functionaris met de relevante kennis zijn kennis heeft opgedaan in een andere hoedanigheid: in privé, in een functie voor een andere rechtspersoon of als wederpartij van de rechtspersoon. Dit kan reden zijn voor terughoudendheid bij het toerekenen van die kennis aan de rechtspersoon. Mijn conclusie is dat voor deze gevalstypen niet één leidend beginsel kan worden geformuleerd, maar dat elk type een eigen beoordelingskader vergt. Per type geval is wel te identificeren waarom wel of geen terughoudendheid zou moeten worden betracht. Zo noopt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van functionarissen soms tot terughoudendheid bij de toerekening van privékennis, evenals de beperkte beheersbaarheid van het risico dat een functionaris zijn privékennis niet zal delen met collega’s. Dat maakt de analyse van rationes en grondslagen (kwestie (iii)) compleet. Per type geval formuleer ik daarnaast vuistregels. Een voorbeeld daarvan is dat privékennis in beginsel wel wordt toegerekend aan de rechtspersoon wanneer de wetende functionaris zelf betrokken is bij de rechtsverhouding waarvoor die kennis relevant is, maar niet in geval van kennisversplintering.
588. De rechter moet in het individuele geval beoordelen of het terecht was dat de betrokken functionaris de relevante informatie niet heeft gebruikt of daarover niet beschikte. Tot welk resultaat leidt die beoordeling? Constateert de rechter dat de functionaris de kennis wél had moeten verkrijgen of gebruiken, dan is het rechtsgevolg vrij eenvoudig: de rechtspersoon zal worden behandeld alsof hij de relevante kennis had. Dan treden de rechtsgevolgen in die de toepasselijke norm aan die (subjectieve of objectieve) kennis verbindt. Constateert de rechter echter dat de betrokken functionaris om legitieme redenen de relevante informatie niet heeft verkregen of gebruikt, dan is het rechtsgevolg minder eenduidig. Deels zal het afhangen van de toepasselijke norm. Verbindt die norm rechtstreeks een gevolg aan kennis (zoals art. 42 Fw en art. 3:310 BW), dan kan de rechter oordelen dat de kennis niet aan de rechtspersoon moet worden toegerekend. In dogmatisch opzicht heeft dat mijn voorkeur. De rechter kan in een dergelijk geval ook oordelen dat de rechtspersoon de kennis wel had, maar dat het rechtsgevolg daarvan buiten toepassing moet blijven, omdat dit gevolg in de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een norm kan echter ook indirect een gevolg verbinden aan kennis, doordat kennis slechts mede bepaalt of aan een vereiste is voldaan. Kennis kan bijvoorbeeld een gedraging verwijtbaar maken of een zorgplicht activeren. In dergelijke gevallen kan de rechter oordelen dat, ondanks de aanwezigheid van kennis bij de betrokken functionaris, niet is voldaan aan het vereiste in kwestie: het gedrag van de rechtspersoon was niet verwijtbaar of de rechtspersoon schond geen zorgplicht.
589. Als afsluiting veroorloof ik mij enkele algemene uitspraken over wie het risico draagt dat kennis niet wordt gebruikt of gedeeld. Het risico dat informatie niet wordt benut of doorgegeven, zal in het merendeel van de gevallen bij de rechtspersoon liggen. Dit is ten eerste zo omdat het meestal nu eenmaal niet toevallig is dat een functionaris bepaalde informatie verkrijgt: de kennis die relevant is voor de uitoefening van zijn werkzaamheden zal hij vaak opdoen juist omdat hij een bepaalde positie bekleedt. In die gevallen mag in beginsel van hem worden verwacht dat hij maatregelen neemt. Daar komt het volgende bij. Als ik de jurisprudentie en literatuur beschouw (zowel in Nederland als in Duitsland) en terugdenk aan de vele gesprekken die ik de afgelopen jaren over dit onderwerp heb gevoerd, rijst het volgende beeld op. Iets wat met wijsheid achteraf kan worden aangemerkt als een gebrek aan alertheid bij een functionaris of als een gebrek in de interne communicatie of het kennismanagement, wordt de organisatie al gauw aangerekend. De opvattingen in het maatschappelijk verkeer over de mate waarin organisaties kennis behoren te delen, overstijgen (ver) de mate waarin kennis feitelijk wordt gedeeld. Ieder die in zijn of haar leven te maken heeft gehad met grote organisaties, zal dat vermoedelijk kunnen beamen. De rechtspersoon die betoogt dat bepaalde kennis hem niet mag worden toegerekend, vecht dus een uphill battle – ook al is het in beginsel aan de wederpartij om te stellen en bewijzen dat de rechtspersoon kennis droeg van een bepaald feit. Dit proefschrift besteedt veel aandacht aan de redenen waarom de rechtspersoon toch aan kennistoerekening kan ontkomen. Het zijn de uitzonderingen die het onderwerp zo boeiend maken.
Een eenvoudige beslisboom aan de hand waarvan kan worden bepaald welke kennis aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, heeft dit proefschrift niet opgeleverd. Niet alleen is de materie daarvoor te nauw verweven met de omstandigheden van het geval, ook zijn de concepten die mede de verkeersopvattingen bepalen (zoals ‘betrokkenheid’) daarvoor te vaag. Dit proefschrift geeft partijen wel de instrumenten in handen om op een consistente en begrijpelijke wijze te beargumenteren of motiveren waarom bepaalde kennis wel of niet aan de rechtspersoon moet worden toegerekend. Zo biedt het grip op het onderwerp.