FED 1996/660
Tussen de mondelinge behandeling van een zaak bij het hof en het arrest van de Hoge Raad zijn zes jaar en drie maanden verstreken. De redelijke termijn van behandeling als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is daarmee zozeer overschreden dat de bij de naheffingsaanslag toegepaste verhoging geheel moet vervallen.
HR 17-04-1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1857, m.nt. F.J. Streppel
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17 april 1996
- Magistraten
Jansen, R.J.J.; Bellaart; Moor, de; Putt-Lauwers, van der; Brunschot, van
- Zaaknummer
30 694
- Noot
F.J. Streppel
- LJN
AA1857
- JCDI
JCDI:ADS238697:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1996:AA1857, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑04‑1996
- Wetingang
Art. 6 EVRM
Essentie
Tussen de mondelinge behandeling van een zaak bij het hof en het arrest van de Hoge Raad zijn zes jaar en drie maanden verstreken. De redelijke termijn van behandeling als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is daarmee zozeer overschreden dat de bij de naheffingsaanslag toegepaste verhoging geheel moet vervallen.
Uitspraak
Het geschil betrof een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting.
Vaststaat:
1.1. Belanghebbende was op na te melden controledatum houder van een motorrijtuig met kenteken AA-11-AA en overigens de kenmerken zoals die zijn vermeld op het aanslagbiljet, waarvan een duplikaat zich bij de stukken bevindt.
1.2. De inspecteur baseert ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.