In artikel 3.14 van de Wet IB 2001 is geregeld dat bepaalde kosten voor ondernemers niet aftrekbaar zijn. Veel geldboeten zijn bijvoorbeeld niet aftrekbaar ook als de boete aan de belastingplichtige als ondernemer is opgelegd. Ook de door de Belastingdienst opgelegde boeten zijn niet aftrekbaar. Deze beperking van aftrek van kosten komt pas aan de orde als er sprake is van ondernemingskosten. Eerst moet altijd worden bekeken of een uitgave een privé uitgave is of een kostenpost van de onderneming. Zo is bijvoorbeeld een boete voor door rood licht rijden tijdens de vakantie geen kostenpost van de onderneming. Wanneer dit zelfde tijdens een zakenreis gebeurt, zijn het wel kosten, maar dan zijn ze nog steeds niet aftrekbaar vanwege de aftrekbeperking van dit artikel.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3.14 (aant. 1)
De kostenaftrekbeperkingen zijn in 1989 al ingevoerd in de vorige wet (IB 1964). Bedoeling van de aftrekbeperking is om kosten die veelal om privé redenen worden gemaakt en kosten die samenhangen met activiteiten die op gespannen voet staan met de rechtshandhaving niet in aftrek toe te laten. In de loop van de tijd zijn daar steeds andere gevallen aan toegevoegd. Voorbeelden zijn de kosten van wapens, agressieve dieren zoals pitt-bulls en steekpenningen. Verder wordt aandacht besteed aan de context van dit artikel binnen de Wet IB 2001 (aant. 1.6). Soms kan een aftrekbeperking onbedoeld hard aankomen in die gevallen kan de staatssecretaris de zogenoemde hardheidsclausule toepassen. Een voorbeeld daarvan is opgenomen in aant. 1.14.
2. Inbreuk op de totaalwinst (aant. 2 tot en met aant. 2B)
De aftrekbeperking heeft geen invloed op het winstbegrip van artikel 3.2 van de Wet IB 2001, het maakt wel een inbreuk op de totaalwinst door gemaakte ondernemingskosten toch niet in aftrek toe te laten. Het normale onderscheid tussen kosten en privé uitgaven onttrekkingen blijft relevant. De aftrekuitsluitingen moeten in ruime zin worden opgevat; zij gelden voor alle kosten en lasten die met de genoemde gevallen verband houden (aant. 2A). Zo geldt bijvoorbeeld voor de aftrekbeperking van de kosten van een misdrijf dat ook de kosten van de advocaat die veroordeling wil voorkomen, meelopen in de aftrekbeperking als de ondernemer uiteindelijk wordt veroordeeld. De aftrekbeperking geldt niet als de kosten deel uitmaken van de omzet (aant. 2B). Als voorbeeld daarvan kan gedacht worden aan de aftrekbeperking van vaartuigen voor representatieve doeleinden. Een verhuursbedrijf van dergelijke boten mag de kosten van de vaartuigen wel aftrekken omdat deze direct samenhangen met de omzet van deze ondernemer.
3. De verschillende aftrekbeperkingen (aant. 3 tot en met aant. 9A)
De verschillende hoofdcategorieën waarvoor de aftrekuitsluiting geldt zijn:
⁃
standsuitgaven (aant. 3);
⁃
kosten van vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden (aant. 4);
⁃
een reeks van geldboeten (aant. 5);
⁃
kosten van misdrijven terzake waarvan de belastingplichtige is veroordeeld (aant. 6);
⁃
kosten van misdrijven terzake waarvan aan de belastingplichtige door het OM een boete is opgelegd (aant. 7);
⁃
wapens en munitie (aant. 8);
⁃
agressieve dieren (aant. 9);
⁃
steekpenningen (aant. 9A).
4. Uitzonderingen op de aftrekbeperkingen (aant. 10 en aant. 11)
Op de aftrekuitsluiting met betrekking tot vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden gelden uitzonderingen voor fabrikanten, handelaren en exploitanten van dergelijke vaartuigen (aant. 10). In die gevallen is sprake van kosten die deel uitmaken van de omzet (zie ook aant. 2B).
De aftrekuitsluitingen met betrekking tot misdrijven zijn niet van toepassing op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen door het OM en op schadevergoedingen die aan slachtoffers moeten worden betaald (aant. 11).
5. Gevolgen van latere veroordeling voor een misdrijf (aant. 12 tot en met aant. 14)
Als de belastingplichtige in een later jaar ter zake van een misdrijf wordt veroordeeld of een transactie aangaat, moeten alsnog de kosten van de in de vijf voorafgaande jaren in verband met het misdrijf in aftrek gebrachte kosten en lasten bij de winst worden opgeteld (aant. 12).
De aftrekuitsluitingen met betrekking tot misdrijven zijn ook van toepassing bij veroordeling van personen die ten behoeve van de belastingplichtige opdracht hebben gegeven dan wel feitelijke leiding hebben gegeven aan het misdrijf (aant. 13).
Tot slot nog een heel andere aftrekuitsluiting. De dividendbelasting en de kansspelbelasting zijn van aftrek uitgesloten (aant. 14.2). Deze belastingen zullen vaak wel verrekenbaar zijn met de te betalen inkomstenbelasting. Ook niet aftrekbaar zijn in het buitenland in enige vorm naar de winst of het inkomen geheven belastingen, als voor de belastingplichtige voor die buitenlandse inkomensbestanddelen een regeling ter voorkoming van dubbele belasting mag toepassen (aant. 14.3).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, artikel 3.14 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 24-04-2026
24-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, artikel 3.14 Wet IB 2001, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
aftrekbare kosten
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.14
Beschouwing
Inleiding
In artikel 3.14 van de Wet IB 2001 is geregeld dat bepaalde kosten voor ondernemers niet aftrekbaar zijn. Veel geldboeten zijn bijvoorbeeld niet aftrekbaar ook als de boete aan de belastingplichtige als ondernemer is opgelegd. Ook de door de Belastingdienst opgelegde boeten zijn niet aftrekbaar. Deze beperking van aftrek van kosten komt pas aan de orde als er sprake is van ondernemingskosten. Eerst moet altijd worden bekeken of een uitgave een privé uitgave is of een kostenpost van de onderneming. Zo is bijvoorbeeld een boete voor door rood licht rijden tijdens de vakantie geen kostenpost van de onderneming. Wanneer dit zelfde tijdens een zakenreis gebeurt, zijn het wel kosten, maar dan zijn ze nog steeds niet aftrekbaar vanwege de aftrekbeperking van dit artikel.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3.14 (aant. 1)
De kostenaftrekbeperkingen zijn in 1989 al ingevoerd in de vorige wet (IB 1964). Bedoeling van de aftrekbeperking is om kosten die veelal om privé redenen worden gemaakt en kosten die samenhangen met activiteiten die op gespannen voet staan met de rechtshandhaving niet in aftrek toe te laten. In de loop van de tijd zijn daar steeds andere gevallen aan toegevoegd. Voorbeelden zijn de kosten van wapens, agressieve dieren zoals pitt-bulls en steekpenningen. Verder wordt aandacht besteed aan de context van dit artikel binnen de Wet IB 2001 (aant. 1.6). Soms kan een aftrekbeperking onbedoeld hard aankomen in die gevallen kan de staatssecretaris de zogenoemde hardheidsclausule toepassen. Een voorbeeld daarvan is opgenomen in aant. 1.14.
2. Inbreuk op de totaalwinst (aant. 2 tot en met aant. 2B)
De aftrekbeperking heeft geen invloed op het winstbegrip van artikel 3.2 van de Wet IB 2001, het maakt wel een inbreuk op de totaalwinst door gemaakte ondernemingskosten toch niet in aftrek toe te laten. Het normale onderscheid tussen kosten en privé uitgaven onttrekkingen blijft relevant. De aftrekuitsluitingen moeten in ruime zin worden opgevat; zij gelden voor alle kosten en lasten die met de genoemde gevallen verband houden (aant. 2A). Zo geldt bijvoorbeeld voor de aftrekbeperking van de kosten van een misdrijf dat ook de kosten van de advocaat die veroordeling wil voorkomen, meelopen in de aftrekbeperking als de ondernemer uiteindelijk wordt veroordeeld. De aftrekbeperking geldt niet als de kosten deel uitmaken van de omzet (aant. 2B). Als voorbeeld daarvan kan gedacht worden aan de aftrekbeperking van vaartuigen voor representatieve doeleinden. Een verhuursbedrijf van dergelijke boten mag de kosten van de vaartuigen wel aftrekken omdat deze direct samenhangen met de omzet van deze ondernemer.
3. De verschillende aftrekbeperkingen (aant. 3 tot en met aant. 9A)
De verschillende hoofdcategorieën waarvoor de aftrekuitsluiting geldt zijn:
standsuitgaven (aant. 3);
kosten van vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden (aant. 4);
een reeks van geldboeten (aant. 5);
kosten van misdrijven terzake waarvan de belastingplichtige is veroordeeld (aant. 6);
kosten van misdrijven terzake waarvan aan de belastingplichtige door het OM een boete is opgelegd (aant. 7);
wapens en munitie (aant. 8);
agressieve dieren (aant. 9);
steekpenningen (aant. 9A).
4. Uitzonderingen op de aftrekbeperkingen (aant. 10 en aant. 11)
Op de aftrekuitsluiting met betrekking tot vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden gelden uitzonderingen voor fabrikanten, handelaren en exploitanten van dergelijke vaartuigen (aant. 10). In die gevallen is sprake van kosten die deel uitmaken van de omzet (zie ook aant. 2B).
De aftrekuitsluitingen met betrekking tot misdrijven zijn niet van toepassing op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen door het OM en op schadevergoedingen die aan slachtoffers moeten worden betaald (aant. 11).
5. Gevolgen van latere veroordeling voor een misdrijf (aant. 12 tot en met aant. 14)
Als de belastingplichtige in een later jaar ter zake van een misdrijf wordt veroordeeld of een transactie aangaat, moeten alsnog de kosten van de in de vijf voorafgaande jaren in verband met het misdrijf in aftrek gebrachte kosten en lasten bij de winst worden opgeteld (aant. 12).
De aftrekuitsluitingen met betrekking tot misdrijven zijn ook van toepassing bij veroordeling van personen die ten behoeve van de belastingplichtige opdracht hebben gegeven dan wel feitelijke leiding hebben gegeven aan het misdrijf (aant. 13).
Tot slot nog een heel andere aftrekuitsluiting. De dividendbelasting en de kansspelbelasting zijn van aftrek uitgesloten (aant. 14.2). Deze belastingen zullen vaak wel verrekenbaar zijn met de te betalen inkomstenbelasting. Ook niet aftrekbaar zijn in het buitenland in enige vorm naar de winst of het inkomen geheven belastingen, als voor de belastingplichtige voor die buitenlandse inkomensbestanddelen een regeling ter voorkoming van dubbele belasting mag toepassen (aant. 14.3).