Art. 32ba Wet LB 1964 regelt met betrekking tot regelingen voor vervroegde uittreding dat — naast de reguliere heffing over de uitkeringen bij de werknemer — een eindheffing is verschuldigd door de inhoudingsplichtige over de op hem drukkende uitkeringen en/of over de op hem drukkende bijdragen of premies. Art. 32ba bevat een zogeheten drempelvrijstelling, een jaarlijks vast te stellen bedrag dat is vrijgesteld van de pseudo-eindheffing.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van art. 32ba Wet LB 1964
Art. 38c Wet LB 1964 bevatte tot en met juni 2023 overgangsrecht voor op 31 december 2004 bestaande regelingen voor vervroegde uittreding, op grond waarvan art. 32ba Wet LB 1964 (voorheen dus art. 32aa) in bepaalde situaties buiten toepassing bleef. Materieel was dit overgangsrecht met ingang van 1 januari 2020 reeds uitgewerkt. Op grond van art. XIII, onderdeel B, Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling gold tot en met 31 december 2010 voor overige situaties een tarief van 26%.
2. De werking van art. 32ba Wet LB 1964
In lid 1 is geregeld dat dit eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 57,7% (2026) (aant. 2). In lid 2 is bepaald wanneer de uitkeringen, premies of bijdragen beschouwd worden te zijn gedaan of voldaan (aant. 3). In lid 3 is geregeld wanneer de uitkeringen, premies of bijdragen beschouwd worden niet te drukken (aant. 2.5). In lid 4 zijn de gevolgen opgenomen ingeval de aanspraak niet langer als aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding kan worden aangemerkt, wordt afgekocht of wordt vervreemd (aant. 4). In lid 5 is de inhoudingsplicht voor de in lid 4 bedoelde situaties geregeld (aant. 4). In lid 6 is de definitie opgenomen van het begrip regeling voor vervroegde uittreding (aant. 5). In lid 7 is een drempelvrijstelling opgenomen (aant. 6). Lid 8 bevat een indexeringsvoorschrift ten behoeve van lid 7, alsmede een generieke verhoging van de drempelvrijstelling van € 300 (2026) (aant. 7). Lid 9 bevat de bepaling dat het bedrag van € 300 jaarlijks bij ministeriële regeling wordt vervangen door een ander bedrag (aant. 8). Op grond van lid 10 dient de inspecteur op een bij bezwaar vatbare beschikking te beslissen of een voorgelegde regeling al dan niet een regeling voor vervroegde uittreding is (aant. 9). Lid 11 bevat een delegatiebevoegdheid voor het stellen van nadere regels voor toepassing van art. 32ba (aant. 10).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6), de internationale aspecten (aant. 1.8), de begripsomschrijvingen (aant. 1.17) en parlementaire varia (aant. 1.20).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 32ba Wet LB 1964, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 02-05-2026
02-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/18.18.34
01-01-2009 tot: -
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 32ba Wet LB 1964, aant. 1.1
Loonbelasting / Eindheffing
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
pseudo-eindheffing
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 32ba
Beschouwing
Inleiding
Art. 32ba Wet LB 1964 regelt met betrekking tot regelingen voor vervroegde uittreding dat — naast de reguliere heffing over de uitkeringen bij de werknemer — een eindheffing is verschuldigd door de inhoudingsplichtige over de op hem drukkende uitkeringen en/of over de op hem drukkende bijdragen of premies. Art. 32ba bevat een zogeheten drempelvrijstelling, een jaarlijks vast te stellen bedrag dat is vrijgesteld van de pseudo-eindheffing.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van art. 32ba Wet LB 1964
Art. 32ba Wet LB 1964 is ingevolge de wet van 11 december 2008, Stb. 2008, 547, tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen) per 1 januari 2009 ingevoegd door middel van een vernummering van het tot die datum geldende art. 32aa Wet LB 1964, dat per 1 januari 2005 was ingevoerd bij de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling ( Wet VPL).
Art. 38c Wet LB 1964 bevatte tot en met juni 2023 overgangsrecht voor op 31 december 2004 bestaande regelingen voor vervroegde uittreding, op grond waarvan art. 32ba Wet LB 1964 (voorheen dus art. 32aa) in bepaalde situaties buiten toepassing bleef. Materieel was dit overgangsrecht met ingang van 1 januari 2020 reeds uitgewerkt. Op grond van art. XIII, onderdeel B, Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling gold tot en met 31 december 2010 voor overige situaties een tarief van 26%.
2. De werking van art. 32ba Wet LB 1964
In lid 1 is geregeld dat dit eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 57,7% (2026) (aant. 2). In lid 2 is bepaald wanneer de uitkeringen, premies of bijdragen beschouwd worden te zijn gedaan of voldaan (aant. 3). In lid 3 is geregeld wanneer de uitkeringen, premies of bijdragen beschouwd worden niet te drukken (aant. 2.5). In lid 4 zijn de gevolgen opgenomen ingeval de aanspraak niet langer als aanspraak ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding kan worden aangemerkt, wordt afgekocht of wordt vervreemd (aant. 4). In lid 5 is de inhoudingsplicht voor de in lid 4 bedoelde situaties geregeld (aant. 4). In lid 6 is de definitie opgenomen van het begrip regeling voor vervroegde uittreding (aant. 5). In lid 7 is een drempelvrijstelling opgenomen (aant. 6). Lid 8 bevat een indexeringsvoorschrift ten behoeve van lid 7, alsmede een generieke verhoging van de drempelvrijstelling van € 300 (2026) (aant. 7). Lid 9 bevat de bepaling dat het bedrag van € 300 jaarlijks bij ministeriële regeling wordt vervangen door een ander bedrag (aant. 8). Op grond van lid 10 dient de inspecteur op een bij bezwaar vatbare beschikking te beslissen of een voorgelegde regeling al dan niet een regeling voor vervroegde uittreding is (aant. 9). Lid 11 bevat een delegatiebevoegdheid voor het stellen van nadere regels voor toepassing van art. 32ba (aant. 10).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6), de internationale aspecten (aant. 1.8), de begripsomschrijvingen (aant. 1.17) en parlementaire varia (aant. 1.20).