FED 1995/381:X en zijn twee zoons, A en B, zijn aandeelhouders in een houdstermaatschappij, Beheer BV, alsmede direct en indirect (via Beheer BV) aandeelhouders in een werkmaatschappij. Beheer BV bezit de overige aandelen in de werkmaatschappij. X en zijn zoons kopen van Beheer BV die overige aandelen voor de nominale waarde, welke waarde ver beneden de werkelijke waarde ligt. Vervolgens verkopen zij de aandelen Beheer BV aan een bank. Hof Amsterdam oordeelde dat de eerste transactie een uitdeling vormde door Beheer BV aan X en zijn zoons, en wel voor het verschil tussen de werkelijke waarde van de aandelen en de nominale waarde (de koopprijs). Het hof oordeelde voorts dat het voordeel niet viel onder het wettelijk vruchtgenot, en derhalve, voor zoveel toekomende aan de oudste zoon, die ouder was dan 18 jaar maar nog niet meerderjarig, niet bij de vader belast kon worden. Volgens de Hoge Raad is dit oordeel juist: de door de koop bewerkstelligde onttrekking van vermogen aan Beheer BV vormt een gedeeltelijke realisering van het eigenlijke vermogensrecht van de aandeelhouders. Hierbij is niet van belang dat de meerwaarde van de aandelen niet in de commerciële en fiscale vermogensopstelling van Beheer zichtbaar was gemaakt. Hof Amsterdam oordeelde voorts dat de tweede transactie onder de leer van de kasgeldarresten viel, en past erbij de jongste zoon, wiens aandelenbelang met meer dan 10% was afgenomen, de pro-rata methode toe. Hoge Raad: partijen hebben met het arrest van 4 mei 1994, nr. 29 087 (BNB 1994/251, FED 1994/581), in welk arrest de pro-rata methode werd verworpen, geen rekening kunnen houden. Zulks brengt mee dat partijen alsnog de gelegenheid moeten krijgen zich over de toepassing van het arrest in het onderhavige geval uit te laten.