Ondernemingsrecht 2009, 2
Grondslagen van geldend ondernemingsrecht
Prof. mr. L. Timmerman, datum 26-01-2009
- Datum
26-01-2009
- Auteur
Prof. mr. L. Timmerman
- JCDI
JCDI:ADS33781:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Een heel goede samenvatting van het pragmatische denken is te vinden in Louis Menand, The metaphysical club, p. 337-375 (2001).
William James publiceerde in 1907 een boek over het pragmatisme. Van dat boek verscheen in 2005 een Nederlandse vertaling onder de titel Pragmatisme. Zie voor een mooie biografie van William James: Robert D. Richardson, William James, in the maelstrom of American modernism (2006).
Aan die manier van denken hebben we ook de evolutieleer van Darwin te danken die zo ongeveer in dezelfde tijd werd ontdekt. Zie over de verbindingen tussen de pragmatische denkers en de evolutieleer van Darwin het al genoemde boek van Louis Menand, p. 97-148. Het blijft fascinerend dat Darwin aan de hand van minutieus onderzoek van planten- en diersoorten en van fossielen zijn evolutieleer heeft ontwikkeld. Van dat minutieuze onderzoekswerk geeft Janet Browne een verslag in deel 1 van haar biografie van Darwin, Voyaging (1995).
In de geciteerde vertaling in het Nederlands, p. 123.
Zie over de achtergrond van deze tendens de fascinerende boeken van Stephen Toulmin, Kosmopolis, verborgen agenda van de moderne tijd (1990) en Terug naar de rede (2001). Deze tendens in het westerse denken is een van de hoofdthema's in de cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw van de hand van H.W. van der Dunk, De verdwijnende hemel, over de cultuur van Europa in de 20ste eeuw, I en II (2000).
Ik verwijs naar Holmes die heeft opgemerkt: 'The life of the law has not been logic; it has been experience. The felt necessities of the time, the prevalent moral and political theories, intuitions of public policy, avowed and unconscious, even the prejudices which judges share with their fellow-men, have a good deal more to do than the syllogism in determining the rules by which men should be governed', The common law, fortieth printing, 1946, p. 1. Holmes heeft in de tweede helft van de negentiende eeuw in een aantal beroemde studies enkele heel originele dingen gezegd over rechterlijke oordeelsvorming. Hij had daarbij een enigszins cynische kijk op de wereld en de medemens. Er zijn de laatste jaren kritische studies over het denken van Holmes verschenen die de nadruk leggen op zijn cynische kijk op de mens, maar mijns inziens geen recht doen aan een aantal van zijn briljante inzichten. Zie voor zo'n type studie A.W. Alschuler, Law without values, the life, work and legacy of Justice Holmes (2000). Een Nederlands boek waarin de betekenis van het denken van Holmes mijns inziens goed wordt geanalyseerd en de sterke kanten ervan goed naar voren komen is R.C. Hartendorp, Praktisch gesproken, alledaagse civiele rechtspleging als praktische oordeelsvorming (diss. Rotterdam 2008).
Zie hierover mijn opstel 'Vereenzelviging als strijdmiddel in vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprocedures', in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2001-2002, p. 15-28.
Zie het baanbrekende arrest HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 ( Kleuterschool Babbel). Zie over deze ontwikkeling ook mijn opmerkingen in Onderstromen in het rechtspersonenrecht, Preadvies NJV 2000, p. 115-130.
In het jaarrekeningenrecht worden soms economische begrippen gehanteerd die economische substance boven de juridische vorm proberen te bewerkstelligen. Zie art. 2:406 BW over de consolidatiekring.
Zie voor deze invalshoek mijn opmerkingen in 'Impliceert beperkte toetsing door de rechter ook beperkte verantwoordelijkheid?', Ondernemingsrecht 2005, 101, p. 335-336.
Dit is een oud inzicht. Ik verwijs naar G. Ripert, Aspects juridiques du capitalisme moderne. In dit uit 1951 stammende werk onderzoekt Ripert de economische functie van diverse juridische instituties. Zie voor een moderner op het vennootschapsrecht toegespitst belangwekkend boek: F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, The economic structure of corporate law (1991).
Er bestaat ook internationaal belangstelling voor grondslagen van het ondernemingsrecht. Ik verwijs naar Aktienrecht im Wandel, Band II, Grundsatzfragen des Aktienrechts (2007, dit boek telt maar liefst 1287 p.), een benadering vanuit grondslagen is ook te vinden in P. Davies, Introduction to company law (2002) en Reinier R. Kraakman e.a., The anatomy of corporate law; a comparative and functional approach (2004). Aanzetten voor een grondslagenbenadering van het vennootschapsrecht op Europees niveau zijn te vinden in Stephan Grundmann, European Company Law, Organization, finance and capital markets (2007). Zie ook nog H.J. de Kluiver & J. Wouters (red.), Beginselen van vennootschapsrecht in binationaal perspectief (1998). In het arbeidsrecht speelt de benadering vanuit grondslagen een grotere rol dan in het vennootschapsrecht. De reden hiervoor is dat in het arbeidsrecht de waarde van de arbeidende mens centraal staat. Zie bijvoorbeeld P.F. van der Heijden & F. Noordam De waarde(n) van het sociaal recht, Preadvies NJV 2001.
HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43.
HR april 2003, NJ 2003, 286 ( RNA).
Zie mijn opmerkingen in 'Situationele gelijkheid in het (privaat)recht', Ondernemingsrecht 2008, 96, p. 336-341, ook verschenen in Gelijkheid in een pluriforme samenleving, Deel 71, jaargang 2008 van de Mededelingen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen.
Zie voor een overzicht Stephan Grundmann, a.w., p. 373-473.
Zie over de eenpersoons-BV: H.E. Boschma, De eenpersoons-bv (diss. Groningen 1997).
Zie art. 2:140 BW/art. 2:250 lid 2 BW en HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 en RO 2007, 69 ( ABN AMRO).
Ook de rechter zou een zekere hiërarchisering in de te behartigen belangen kunnen aanbrengen. De Hoge Raad heeft dit in ieder geval voor het vennootschapsrecht tot dusverre niet gedaan. Zie bijvoorbeeld de beschikking inzake de ABN AMRO-beschikking van 13 juli 2007, NJ 2007, 434 en RO 2007, 69. Zie echter noot 25 voor het faillissementsrecht.
Zie onderdeel 3 van de preambule van de Code Tabaksblat en onderdeel 7 van de preambule van de Code Frijns. Daarin staat dat de vennootschap streeft naar aandeelhouderswaarde op lange termijn. Daarbij behoren bestuur en raad van commissarissen met andere belangen rekening te houden. Zie naar aanleiding hiervan P.C. van den Hoek, 'Verantwoording en raad van commissarissen', Ondernemingsrecht 2006, 103, p. 343.
Par. 172 Companies Act 2006.
Zie voor een uiteenzetting van het Engelse recht op dit punt: Gower/Davies, Principles of modern company law, p. 515-516 (achtste druk).
Zie het nieuwe art. 2:216 BW uit wetsvoorstel 31 058 inzake vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht. Daarin is te lezen dat een BV geen uitkering aan haar aandeelhouders mag doen als het voorzienbare gevolg is dat de BV niet kan voortgaan met betaling van opeisbare schulden. Dit betekent dat in die situatie het aandeelhoudersbelang minder gewicht in de schaal legt dan het crediteurenbelang.
Deze wijze van vooropstelling van het aandeelhoudersbelang vertoont verwantschap met hetgeen de Hoge Raad in het Sigmacon-arrest van 24 februari 1995, NJ 1996, 472 besliste. Daarin werd het crediteurenbelang voor de curator van een failliete vennootschap voorop gesteld. De Hoge Raad sluit niet uit dat soms andere belangen daardoor heenbreken. Zie in dezelfde zin HR 19 december 2003, NJ 2004, 93 ( curator Mobell/Interplan).
Op dit mijns inziens belangrijke punt wees H.J.M.N. Honée in 'Commissarissen gezanten uit Niemandsland?', De NV 1996, p. 283-284.
Zie hierover mijn opmerkingen in 'Waarom dient de structuurregeling in de één of andere vorm te worden gehandhaafd?', in: De werknemer in het ondernemingsrecht, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, Deel 76, p. 1-6 (2004).
Het concept van een zekere zorgplicht bestaat al geruime tijd in het vennootschapsrecht. Ik verwijs naar de Beklamel-jurisprudentie die in omstandigheden van financiële uitzichtloosheid een zekere zorg van de bestuurder jegens schuldeisers vereist. Zie HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286. Zie over het belang van zorgplichten T.F.E. Tjong Tjin Tai, Zorgplichten en zorgethiek (diss. Leiden 2007). Dit proefschrift is één van de belangrijkste boeken die in Nederland op juridisch terrein de laatste jaren zijn verschenen.
Zie hiervoor bijvoorbeeld HR 13 oktober 2006, NJ 2008, 527 en RF 2007, 8 ( Vie d'Or).
Er zijn ook interne buitenstaanders. Een voorbeeld hiervan zijn minderheidsaandeelhouders. Zo'n interne buitenstaander was de NOM in het Hoge Raad-arrest inzake NOM/Willemsen van 20 juni 2008, RO 2008, 57 en JOR 2008/260, m.nt. Borrius. Het aardige van dat geval was dat de NOM de eigen zwakke interne positie met behulp van bijzondere statutaire rechten had beschermd.
Zie hierover HR 8 april 2005, NJ 2006, 443 ( Laurus). De maatstaf van de redelijk bekwame en de redelijk handelende functionaris hanteert de Hoge Raad in een onrechtmatige daadsactie tegen bijvoorbeeld de toezichthouder in HR 13 oktober 2006, NJ 2008, 527 en RF 2007, 8 ( Vie d'Or) en tegen de curator in HR 19 december 2003, NJ 2004, 93 (Interplan). Het gaat hier om de aansprakelijkheidsnorm die in het algemeen geldt voor de vrije beroepsbeoefenaar. Zie bijvoorbeeld HR 7 maart 2003, NJ 2003, 202 en HR 3 oktober 2006, NJ 2008, 529 en RF 2007, 10 ( Vie d'Or).
Zie hiervoor vooral HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 en RO 2007, 12 ( Ontvanger/Roelofsen), HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240 en RO 2007, 40 ( Holding Nutsbedrijf Westland/X) en HR 20 juni 2008, JOR 2008/260, m.nt. Borrius. Zie ook de MvT bij wetsvoorstel 31 058, p. 33: 'De regeling in art. 2:216 is gebaseerd op (interne) aansprakelijkheid van de bestuurders tegenover de vennootschap. Omdat de regeling in artikel 216 in de eerste plaats dient ter bescherming van crediteuren van de vennootschap is een zekere mate van samenloop met tegen de bestuurders ingestelde vorderingen van derden op grond van onrechtmatige daad niet te vermijden. De jurisprudentie op het gebied van externe aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders sluit in grote lijnen aan bij de normen van artikel 216'.
Zie hierover mijn opmerkingen in 'Een pleidooi voor een kloof tussen enquêterecht en bestuurdersaansprakelijkheid', in: Verantwoording (aan Hans Beckman), p. 541, noot 32.
Zie overigens al Van der Heijden-Van der Grinten, Handboek, nr. 231.
Zie hierover diepgravend: Stephan Grundmann, a.w., p. 149-170 en p. 293-372.
Zie hierover mijn opmerkingen in 'Het aan ondernemingen toekomende recht op geheimhouding', in: Tot vermaak van Slagter, p. 307-320 (1988).
Zie het wetsvoorstel 31 058.
Het desbetreffende wetsvoorstel wordt binnenkort bij de Tweede Kamer ingediend.
Soms daartoe gedwongen door het Europese Hof van Justitie. Zie het recente arrest van 16 december 2008 inzake Cartesio waarin het Europese Hof lijkt te hebben beslist dat een lidstaat een grensoverschrijdende omzetting van een onder zijn recht vallende vennootschap moet erkennen, als de lidstaat naar wiens recht er wordt omgezet die omzetting erkent.
Zie voor deze visie op reorganisatie het hoofdstuk herstructurering in M.J. Kroeze, L. Timmerman & J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, tweede druk (2007).
Harold Koster besteedt in zijn binnenkort te verdedigen dissertatie De Nederlandse juridische splitsing vanuit Europees en rechtsvergelijkend perspectief terecht veel aandacht aan de vraag of deze overvloed aan dwingend recht vanuit rechtsvergelijkend perspectief altijd wel nodig is.
Zie hierover meer uitvoerig mijn opstel 'Mensenrechten van minderheidsaandeelhouders: voice, exit en gelijke behandeling', in: De nieuwe macht van de kapitaalverschaffer, Uitgave vanwege het instituut voor ondernemingsrecht, nr. 57, p. 31-42 (2007).
Vergelijk HR 31 december 1993, NJ 1994, 436 ( Verenigde Bootlieden).
Zie bijvoorbeeld F.H. Easterbrook & D.R. Fischel, The economic structure of corporate law, p. 67-70 (1991).
Zie art. 2:228 lid 4 BW van het wetsvoorstel 31 058.
Zie over de gevolgen hiervan al het arrest van de Hoge Raad in een interessante Antillenzaak van 29 september 2006, NJ 2006, 639 ( The Mill Resort) waarin één persoon een almachtig lid was van een coöperatieve vereniging met daarnaast nog enkele machteloze leden en met behulp van deze machtspositie allerlei narigheid aanrichtte.
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 ( Kleuterschool Babbel).
Zie over het onderscheid tussen primair en secundair daderschap in de binnenkort te verdedigen dissertatie van S.N. de Valk, Aansprakelijkheid van leidinggevenden naar privaatrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatstaven (te verschijnen als deel 63 van de Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht). Zie ook mijn opmerkingen in Onderstromen in het privaatrechtelijke rechtspersonenrecht, Preadvies NJV 2000, p. 153.
Zie de in noot 25 genoemde rechtspraak.
Opmerkelijk is dat de Hoge Raad dit vereiste van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid niet heeft gesteld in een geval waarin een aandeelhouder van een bestuurder vergoeding vroeg van schade die het gevolg was van een onbetaald gebleven vordering die de aandeelhouder op de betrokken BV had. Naar mijn mening is dat niet terecht. Zie HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 en RO 2007, 31 ( Tuinbeheer).
Zie de instructieve beschrijving van de agency-theorie in S. Parijs, Fairness opinions and liability, Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht Groningen, Deel 52, p. 39-54 (2005).
Zie in deze richting HR 29 juni 2007, NJ 2007, 420 en RO 2007, 67 ( Bruil).
Art. 2:129 lid 6 BW van het wetsvoorstel in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen ( Kamerstukken II 2008/09, 31 763, nr. 1-4).
Zie uitvoerig E.E.G. Gepken-Jager, Vertegenwoordiging bij nv en bv, Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 34 (2000).
Op het belang van de rechtszekerheid in het handelsverkeer wees de Hoge Raad onlangs nog in r.o. 4.4 van zijn ABN AMRO-beschikking van 13 juli 2007, NJ 2007, 434 en RO 2007, 69 .
Zie hierover Daniella Strik, 'Aansprakelijkheid van niet-uitvoerende bestuurders: you cannot have your cake and eat it', Ondernemingsrecht 2003, p. 371.
Zie hierover E. Zahn, Regenten, rebellen en reformatoren, een visie op Nederland en de Nederlanders, p. 58 (1989).
Zie met name art. 2:9 BW en art. 2:129a BW van het wetsvoorstel 31 763 in verband met aanpassing van de regels over bestuur en toezicht.
In allerlei bijzondere situaties moeten er uiteraard uitzonderingen op dit uitgangspunt mogelijk zijn. Er is dan een bijzondere rechtvaardigingsgrond van de afwijking van dit beginsel vereist. Zie voor een voorbeeld: HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 en RO 2007, 85 ( Versatel).
Zie het baanbrekende arrest HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 ( Staleman/Van der Ven).
Dat idee van de gemiddelde persoon is door Holmes benadrukt. Zie hierover L. Menand, a.w., p. 345-346. Holmes schreef: 'Even in the domain of knowledge, the law applies its principle of averages'. In het Nederlandse privaatrecht wemelt het inmiddels van 'gemiddelde' personen die beschermd worden. Zie bijvoorbeeld HR 30 mei 2008, JOR 2008/209 ( TMF).
Hier is uiteraard de heel lastige problematiek van de toetsing van ondernemingshandelen in het kader van het enquêterecht bijgekomen. Zie hierover mijn opmerkingen in 'Toetsing van ondernemingsbeleid door de rechter, mede in rechtsvergelijkend perspectief, over het onderscheid tussen gedragsnormen en toetsingsnormen', Ondernemingsrecht 2003, p. 555, ook gepubliceerd in Mededelingen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, 2004, Deel 3.
Op dit onderscheid heb ik diverse keren geattendeerd onder andere in 'Impliceert beperkte toetsing beperkte verantwoordelijkheid?', Ondernemingsrecht 2006, 101, p. 337 en 'Toetsing van ondernemingsbeleid door de rechter, mede in rechtsvergelijkend perspectief, over het onderscheid tussen gedragsnormen en toetsingsnormen', Ondernemingsrecht 2003, p. 555, ook gepubliceerd in Mededelingen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, 2004, Deel 3.
Zie hierover W. van Gerven, Beginselen van behoorlijk handelen, p. 12 (1983).
Het onderscheid tussen gedrags- en aansprakelijkheidsnorm wordt gemaakt onder de befaamde Amerikaanse toepassing van de business judgment rule in het Nederlandse vennootschapsrecht. Die rule biedt de mogelijkheid om goed gemotiveerd aan te geven in welke gevallen bestuurshandelen terughoudend dan wel minder terughoudend dient te worden getoetst. Fraai vind ik vooral het Amerikaanse idee dat, naarmate een eigen belang bij het verrichten van een handeling sterker betrokken is, de toetsing door de rechter des te strenger mag uitvallen. Ik ben geen voorstander van een mechanistische toepassing van de business judgment rule, maar ik vind het wel een belangrijke inspiratiebron. Zie voor de Amerikaanse business judgment rule uitvoerig: B.F. Assink, Rechterlijke toetsing van bestuurlijk gedrag binnen het vennootschapsrecht van Nederland en Delaware, Uitgaven vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, Deel 59 (2007).
Zie over die techniek in het bijzonder HR 29 november 2002, NJ 2003, 455 ( Berghuizer Papier).
Van der Grinten schreef op de hem kenmerkende laconieke wijze over de term marginale toetsing: 'Bijzonder duidelijk is de term niet', zie W.C.L. van der Grinten, 'Marginale toetsing', in: Verspreide geschriften van W.C.L. van der Grinten, Serie vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 77, p. 71.
Het concept is ontwikkeld in het administratieve recht. Zie de baanbrekende beschouwing van P. Borst in WPNR 1962/4735-4737.
Het onderscheid tussen gedragsnorm en aansprakelijkheidsnorm is ook nuttig in het kader van het enquêterecht. In plaats van aansprakelijkheidsnorm is het in het kader van het enquêterecht juister te spreken over de door de rechter te hanteren toetsingsnorm. In de enquêteprocedure gaat het immers niet over aansprakelijkheid. Overtreding van een gedragsnorm levert in het enquêterecht niet zonder meer voldoende grond op voor het bevelen van een onderzoek en het uitspreken van het oordeel wanbeleid. Zo levert het overtreden van een wettelijke norm (dat is de gedragsnorm) bijvoorbeeld zeker niet altijd gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen of wanbeleid (de door de rechter toe te passen toetsingsnorm) op. Zie bijvoorbeeld HR 23 juni 2006, niet gepubliceerd. Het lijkt mij van belang om op basis van de interpretatie van de begrippen gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen en wanbeleid toetsingsnormen voor de rechter uit te denken.
Zie voor een fraai uitgewerkt betoog waarin de niet-dwingendheid van vennootschapsrecht voorop staat: L. Strine, 'The Delaware way: how we do corporate law and some of the challenges we (and Europe) face', Delaware Journal of Corporate Law 2005, p. 675 e.v.
Zie bijvoorbeeld: H. Hansmann & R. Kraakman, 'The end of history for corporate law', in: Convergence and persistence in corporate governance, edited by Jeffrey N. Gordon and Mark J. Roe, p. 33-68 (2004). Zie voor een geheel andere benadering waarin er juist geen eind in zicht is: Andrew Gamble, Politics and fate (2000) en J. Gray, False dawn, the delusions of global capitalism (1998). Gray is een auteur die voortdurend protest heeft aangetekend tegen gemakkelijke verhalen over verplatting en uniformering van de wereld als gevolg van globalisering.
Zie voor een boek waarin mooie uiteenzettingen zijn te vinden over de manieren waarop sterke ondernemingen kunnen worden georganiseerd: J. Roberts, The modern firm, organizational design for performance and growth (2004).
Zie Daniel Cohen, Three lectures on post-industrial society, p. 33 (2009). Zie ook het interessante boek van Robert B. Reich, Superkapitalisme en de bedreiging voor onze democratie (2007) waarin eenzelfde soort analyse te vinden is. Wat de laatste jaren is gebeurd is een te zwaar accent op het marktmechanisme. Die kiem hiervoor is gelegd door Coase, The nature of the firm (1937). In dat boek verdedigde Coase dat heel veel transacties die binnen een organisatie worden afgehandeld ook via de markt afgedaan zouden kunnen worden. Dat op zichzelf juiste, in economische kringen zeer invloedrijke idee is de laatste twintig jaar naar mijn indruk op veel te extreme wijze uitgevoerd. Ik heb het idee dat vaak de inschatting van zogenaamde transactiekosten voor transacties die via de markt lopen vaak te laag is, terwijl die voor transacties binnen de onderneming te hoog is. Zie voor genuanceerde beschouwingen over deze problematiek: het in noot 73 aangehaalde boek van John Roberts, p. 78-106.
Zie voor het interessante idee van een responstijd van een zekere duur die het bestuur wordt gegund wanneer aandeelhouders een wijziging van de strategie wensen onderdeel IV.4.4 van de Commissie Frijns.
Die gevoeligheid voor risico's is het idee waarop veel van het boeiende werk van de bekende Duitse socioloog Beck is gebaseerd. Zie zijn meest recente fascinerende boek Weltrisikogesellschaft (2007).
Zie voor een dergelijke benadering mijn opstel 'De begrenzers van het enquêterecht', in: Ondernemingsrecht door en voor Mick den Boogert, p. 149-154, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, Deel 62 (2008).
Ik hecht zeer aan evenwicht in ondernemingen. Daarom ben ik geen bewonderaar van de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie inzake de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer. Ik verwijs naar de Sevic- en Centros-uitspraken van respectievelijk 13 december 2005 en 9 maart 1999. Die dwingen lidstaten te veel hetgeen zich in het buitenland heeft afgespeeld, bijvoorbeeld de oprichting van een vennootschap die daar geen reële activiteiten uitoefent, te accepteren zonder dat er nog de nodige ruimte is naar proportionele verhoudingen, zoals we deze in Nederland van belang vinden, in zo'n vennootschap te streven. Aan die problematiek heeft het Europese Hof nog weer een extra-draai gegeven in het Cartesio-arrest van 16 december 2008 door een lidstaat te verplichten mee te werken aan omzetting van een eigen vennootschap naar het recht van een lidstaat die zo'n grensoverschrijdende, inkomende omzetting toelaat. De befaamde rule of reason geeft lidstaten wel een zekere ruimte om ten misbruikachtige situaties op te treden. Deze is wel heel beperkt.
Zie voor een dergelijke benadering: Reinier Kraakman e.a., The anatomy of corporate law, a comparative and functional approach (2004).
Zie overigens ook het boekje dat ik samen met Maarten Kroeze en Jan Berend Wezeman voor gebruik in het onderwijs schreef ( De kern van het ondernemingsrecht, tweede druk).
Het Nederlandse ondernemingsrecht maakt woelige tijden door. In de wetgeving wordt veel veranderd. Aan de rechter worden telkens weer lastige kwesties voorgelegd. Juist in zo'n tijd is er behoefte aan enige richtinggevende ideeën. De auteur is hiernaar op zoek gegaan. In deze beschouwing ontwikkelt hij met hulp van de Amerikaanse theorie van het pragmatisme een methode om grondslagen van het recht op te sporen (Deel I). Vervolgens presenteert hij acht grondslagen van Nederlands vennootschapsrecht (Deel II). Hij duidt nog twee grondslagen in opkomst aan (Deel III). Ten slotte roept hij de hulp van grondslagen in om een probleem van huidig Nederlands vennootschapsrecht op te lossen (Deel IV). De auteur wil aan de hand van grondslagen met een frisse blik het ondernemingsrecht in ogenschouw nemen.
' We shall not cease from exploring.
At the end of all our exploring
we will arrive where we started
and know the place for the first time'
uit T.S. Eliot, Little Gidding, no 4 of Four Quartets.
1. Ik wil vanmiddag opmerkingen maken over grondslagen van het ondernemingsrecht. Het is gepast dat ik dat doe omdat mij de eer van een benoeming tot hoogleraar grondslagen ondernemingsrecht is ten deel gevallen. Die functie heeft nog nooit iemand waar ook ter wereld eerder bekleed. Ik vang mijn betoog aan met enkele gedachten over hoe grondslagen opgespoord kunnen worden en wat het nut van die grondslagen zou kunnen zijn. Dat is deel I van mijn betoog. Dan volgt deel II. Dat bevat de inventarisatie van de grondslagen. In deel III wil ik voorbij het positieve recht reiken. Ik wijs op twee beginselen in opkomst. Tenslotte vraag ik aandacht voor een probleem van huidig ondernemingsrecht en de oplossing daarvan met hulp van mijn grondslagenbenadering. Dat is deel IV.
I Pragmatische beginselen
2. Grondslagen zijn voor een bepaald onderdeel van het recht belangrijke gedachten en hetzelfde als beginselen of kenmerken. Ik gebruik deze begrippen - luchtig als ik ben - door elkaar waarbij ik uitgaande van mijn motto een voorkeur heb voor het woord begin-sel. Beginselen zijn geen strakke concepten, maar buigzaam en minder sturend dan regels. Zij zijn niet absoluut. 'Damn the absolute', zo was de lijfspreuk van de Amerikaanse negentiende-eeuwse filosoof William James. Deze grote man die als gevolg van grote reislust van zijn vader geen enkele schoolopleiding afrondde, heeft de filosofische stroming van het pragmatisme 1 uitgedacht. 2 Eén van de aardige kanten van James is dat hij zo onbevangen schrijft: hij praat tegen je op papier. Hij was een bijzonder mens. Hij wilde de waarheid van niets uitsluiten. 3 Zo was hij geïnteresseerd in dansende tafels. Op zijn sterfbed vroeg hij zijn broer - de beroemde romanschrijver Henry James - om na zijn begrafenis enige tijd in de buurt van zijn graf te blijven. Je kon niet uitsluiten dat zij na zijn dood nog met elkaar zouden kunnen praten.
Hoe spoort men beginselen op?
3. Met die vraag heb ik geworsteld. Maar James bood uitkomst. Ik ontleen in Jamesiaanse stijl beginselen aan het bestaande ondernemingsrecht en niet aan theorieën van deftige filosofen, zoals Plato en Kant. Wáár is, wat in het praktische leven werkt, zo leert James ons. 4 Een idee(tje) wordt een beginsel, omdat we er iets nuttigs in het nu geldende ondernemingsrecht mee kunnen doen. Geen abstracte, los van de praktijk staande beginselen dus. Ik streef niet naar eeuwige grondslagen van ondernemingsrecht. Met 'mijn beginselen' probeer ik enig fundament aan het geldende ondernemingsrecht te geven, maar die basis is niet onwrikbaar. Beginselen zijn geen superkader, maar ook meer dan hersenschimmen. Beginselen bewegen mee met de tijd. Zo golden volgens mij aan het begin van de twintigste eeuw voor het ondernemingsrecht andere beginselen dan nu. Nogmaals: damn the absolute.
Functie van beginselen
4. Met de aandacht voor beginselen wil ik de niet-technische kant van het vennootschapsrecht naar voren halen. Die techniek is bij uitstek praktisch. Met behulp daarvan kan er opgericht, omgezet, gefuseerd en gesplitst worden. Heel belangrijk. In de rechtspraktijk wordt wel gedacht dat het voornamelijk om die techniek draait. Dat is niet zo. Dat neemt niet weg dat ook ik vind dat in het recht wel de praktische en niet de theoretische gezichtspunten voorop dienen te staan. Precies daarom ontleen ik 'mijn' a-technische beginselen aan het geldende ondernemingsrecht.
5. Het nuttige van beginselen is dat zij eraan kunnen bijdragen dat wetgever en rechter beter doordachte en beter gemotiveerde beslissingen nemen. Zij kunnen helpen duidelijk te krijgen of het basisidee deugt dat aan een wettelijke regel of rechterlijke beslissing ten grondslag ligt. Beginselen kunnen ook de consistentie van het recht bevorderen. Daarbij kunnen zij ons gevoeliger maken voor hetgeen in het recht op het spel staat en ons sturen naar hetgeen van waarde is. Aan dit alles bestaat behoefte in deze woelige tijden met veel nieuwe wetgeving en lastige casussen waarover de rechter dient te oordelen.
6. Er is nog iets anders: beginselen komen ook tegemoet aan een belangrijke verandering in ons denken. Daarin heeft in de twintigste eeuw een verschuiving plaatsgevonden van scherpe, uit een abstracte dogmatiek voortvloeiende begrippen naar meerzinnige concepten, zoals beginselen. 5 De buigzaamheid van beginselen is juist voor het recht van belang, omdat daarin omstandigheden van het geval en steeds wisselende 'experience' 6 van ons allen gewicht in de schaal leggen. Recht is contextbepaald. Absolute beginselen bestaan niet, wel is er steeds een dynamische werkelijkheid.
7. Beginselen bieden de mogelijkheid om door de vorm van het recht heen te breken en recht te doen aan de 'substance' van een verhouding. Daartoe beschikt het Nederlandse vennootschapsrecht over een instrument: art. 2:8 lid 2 BW biedt de mogelijkheid om op grond van de redelijkheid en billijkheid een wettelijke of statutaire regel terzijde te laten. Ook kennen we het zo af en toe toegepaste verschijnsel van vereenzelviging. 7 Daarbij komt nog dat in het Nederlandse vennootschapsrecht op steeds grotere schaal in aanvulling en ter correctie op formele begrippen minder scherp omlijnde, informele begrippen worden gebruikt. Een voorbeeld is dat voor de toerekening van een onrechtmatige daad aan een rechtspersoon niet meer dogmatische begrippen, zoals 'orgaan' en 'formele kring van bevoegdheden' worden gehanteerd, maar dat die toerekening plaatsvindt met hulp van het losse begrip 'maatschappelijke opvattingen'. 8 De bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:138 BW/art. 2:248 BW rust niet alleen op de formele bestuurder, maar ook op degene die zich heeft gedragen als ware hij bestuurder. 9
Vooropstelling
8. Voor mijn betoog van vanmiddag is een enkele vooropstelling van belang. De grondslagen van het ondernemingsrecht dienen te worden ontwikkeld in het licht van het hoofddoel ervan. En dat is het uitdenken van zulke rechtsvormen voor ondernemingen dat deze op succesvolle wijze aan het (internationale) economische leven kunnen deelnemen. Die juridische jassen voor ondernemingen moeten zo worden gesneden dat economische vooruitgang en ondernemerschap worden bevorderd en allerlei activiteiten worden tegengegaan die economische waarden vernietigen zonder dat daar een compenserend immaterieel voordeel, zoals rechtvaardigheid en duurzaamheid, tegenover staat. 10 Dat betekent dat het ondernemingsrecht niet alleen een juridische, maar vaak ook een economische dimensie heeft. Economische noties zijn naast juridische noties voor de beoefening van het ondernemingsrecht van groot belang. 11 Enkele van de door mij opgespoorde beginselen hebben naast een juridisch belang ook een economische functie. Mijn beginselen zijn dan ook niet alleen van morele aard, maar hebben soms ook een economisch karakter.
9. Welke zijn nu de grondslagen van het ondernemingsrecht? Dat zijn er mijns inziens momenteel een achttal, maar het kunnen er over een aantal jaren ook zes of tien zijn. Ik beperk mij tot het geldende NV- en BV-recht. 12 De eerste vier beginselen die ik u zal voorhouden, spelen door het hele recht heen een rol. Het gaat om het idee van de afweging van belangen, om transparantie, om vrijheid van inrichting en om het grondrecht op eigendom. De andere vier van de acht beginselen hebben een typisch vennootschapsrechtelijk karakter. Een bijzondere categorie NV's en BV's zijn de beursvennootschappen. Daarvoor geldt mijns inziens een aantal aanvullende beginselen, zoals de Forumbank-regel, 13 verplicht toezicht door interne toezichthouders, het recht om zich gedurende een bepaalde beperkte tijd te mogen beschermen tegen een ongewenste overname, 14 snelheid van ingrijpen door de rechter met behulp van onmiddellijke voorzieningen, misschien het gelijkheidsbeginsel 15 en veel effectenrechtelijke regels die voornamelijk zijn gebaseerd op Europese richtlijnen. 16 Op die aanvullende beursbeginselen ga ik niet in. Een bijzondere categorie is ook de eenpersoons-BV. In die rechtsvorm zijn bestuurder- en aandeelhouderschap in één hand. Voor die éénpersoons-BV. zijn niet alle door mij genoemde beginselen in gelijke mate relevant. 17 Ook die problematiek laat ik terzijde. Ik richt mij dus op het middensegment.
II De inventarisatie
Beginsel 1: binnen een vennootschap wordt een veelheid van belangen nagestreefd die tegen elkaar worden afgewogen
10. Dit pluraliteitsbeginsel is een beginsel van algemeen privaatrecht. Zo bepaalt art. 3:13 BW dat een bevoegdheid wordt misbruikt, wanneer men in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van die bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Dit wetsartikel erkent dus het uitgangspunt van de afweging van botsende belangen. Verwant aan art. 3:13 BW is art. 2:8 lid 1 BW waarin is bepaald dat de bij een rechtspersoon betrokkenen zich jegens elkaar overeenkomstig de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dienen te gedragen. Juist voor het vennootschapsrecht zijn het idee van de botsende belangen en het daarmee samenhangende beginsel van een redelijke belangenafweging zeer relevant. Ondernemingen zijn vaak maatschappelijk belangrijke instituties. Op die ondernemingen stuiten allerlei uiteenlopende belangen, zoals het aandeelhoudersbelang, het belang van minderheidsaandeelhouders, het werknemersbelang, het crediteurenbelang, het klantenbelang. Ondernemingen kunnen juist als gevolg van hun belangrijke maatschappelijke positie in belangenconflicten verwikkeld raken. Een belangrijke taak van het vennootschapsrecht is om die conflicten in goede banen te leiden door het uitdenken van bevoegdheidsregels en het voorschrijven van gedragsnormen voor functionarissen van de vennootschap. Het kan zo aan een fatsoenlijke samenleving bijdragen.
11. Een andere reden waarom in wet en rechtspraak bepaald dient te worden welke belangen in een NV of BV behartigd moeten worden of welke gedragsregels daarbinnen gevolgd dienen te worden is dat een vennootschap meestal voor langere tijd wordt opgericht. Het meest kenmerkende van de omgeving van vennootschappen is dat deze voortdurend verandert. Het is onmogelijk om bij het oprichten van een vennootschap sluitende regelingen in de statuten op te nemen die met die moeilijk te voorspellen gebeurtenissen rekening houden. Daarom is er behoefte aan wettelijke en jurisprudentiële maatstaven die een indicatie geven hoe men zich in die voortdurend veranderende omstandigheden heeft te gedragen.
12. In de Nederlandse wetgeving en de rechtspraak van de Hoge Raad wordt steevast gekozen voor het idee dat (het bestuur en de raad van commissarissen van) een NV of BV een reeks uiteenlopende belangen dient te behartigen. 18 Het beginsel van belangenpluralisme kan - zo meen ik - op verschillende manieren worden uitgewerkt: gelijkheid van alle relevante belangen of een zekere hiërarchisering van die belangen, bij voorbeeld de vooropstelling van het aandeelhoudersbelang met een mogelijkheid van correctie daarop in verband met disproportionele verwaarlozing van andere belangen. In de tweede benadering voltrekt de wetgever zelf tevoren een in beginsel-afweging van de betrokken belangen. 19
13. De tweede benadering, die neerkomt op een overwicht van het aandeelhoudersbelang welke doorbroken kan worden, is mijns inziens momenteel in het Nederlandse vennootschapsrecht in opmars. 20 Men zou deze, zoals de Engelse wetgever doet, 21 kunnen aanduiden als het idee van 'enlightened shareholder value'. In die benadering dient het bestuur het succes van de vennootschap te bevorderen. Hierbij staat het aandeelhoudersbelang voorop. Op het aandeelhoudersbelang is lastig greep te krijgen. Het gaat - denk ik - vaak om het aandeelhoudersbelang op de lange termijn. Een complicerende factor kan het belang van minderheidsaandeelhouders zijn dat soms afwijkt van dat van de meerderheid. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat een vennootschap die het belang van klanten vooropstelt, daarmee het succes van de vennootschap kan bevorderen en met een dergelijk beleid ook het aandeelhoudersbelang op adequate wijze dient. Het aandeelhoudersbelang is een voorbeeld van een meerzinnig begrip dat kenmerkend is voor het hedendaagse (vennootschaps)recht.
14. In de 'enlightened shareholder value'-benadering geldt een verplichting met andere belangen dan die van aandeelhouders rekening te houden, maar die andere belangen hebben juist minder zelfstandige betekenis dan het aandeelhoudersbelang. 22 Dit sluit echter niet uit dat het crediteurenbelang gaat overwegen, wanneer de vennootschap in financiële problemen raakt. 23 De vraag hoe de verschillende belangen gewogen dienen te worden en welk gewicht de verschillende belangen hebben blijft van de omstandigheden van het geval afhangen en is dus contextbepaald. De verdienste van de 'enlightened shareholder value'-benadering is dat zij belangenpluralisme en een zekere vooropstelling van het aandeelhoudersbelang combineert. Daarbij heeft die benadering het voordeel dat zij meer sturend is, maar ook niet te strikt op het aandeelhoudersbelang gericht is. 24 De enlightened-leer geeft immers de mogelijkheid zich onder omstandigheden van het aandeelhoudersbelang te distantiëren. Een ander voordeel ervan is dat deze bestuurders en commissarissen meer dwingt tot uitleg waarom zij een bepaald belang het zwaarst hebben laten wegen. Dat kan onder de leer van de vrije afweging van belangen, zoals we die in Nederland traditioneel belijden, versluierd worden 25 en dat is in een tijd van toenemende transparantie onwenselijk.
15. Het idee dat in de onderneming een pluraliteit van belangen al dan niet met inachtneming van een bepaalde hiërarchie behartigd dient te worden heeft gevolgen voor de inrichting van de vennootschap en voor de wijze waarop de organen van de vennootschap hun taak dienen te vervullen. Er zijn twee methoden waarmee het idee van pluraliteit van belangen uitgewerkt kan worden. De eerste komt erop neer dat de uiteenlopende belangen een plaats in de structuur van de vennootschap krijgen. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de vennootschappelijke medezeggenschap van werknemers in de raad van commissarissen 26 of - ten behoeve van de schuldeisers - de regels van kapitaalbescherming. Deze methode staat onder druk en zal relevantie verliezen. De structurele aanpak heeft de reputatie gekregen niet effectief en nogal ideologisch te zijn en wordt niet toegepast in landen met de meest toonaangevende vennootschapssystemen, omdat zij minder goed past bij het vooropstellen van het aandeelhoudersbelang, zoals dat in Engeland en de Verenigde Staten wordt beleden.
16. De tweede methode houdt in dat degene die van een orgaan van de vennootschap deel uitmaakt bij het vervullen van zijn taak met uiteenlopende belangen rekening dient te houden. Het pluralisme uit zich dan dus niet in de structuur van de vennootschap, maar in het gedrag binnen de vennootschap. Hier komt nog iets bij: in het vennootschapsrecht sijpelt het in het algemene privaatrecht ontwikkelde idee van zorgplichten door. 27 Het idee van de zorgplicht houdt in dat de vennootschap en ook de bestuurder afhankelijk van de omstandigheden van het geval een zekere mate van zorg jegens anderen die zich in de nabijheid van de vennootschap bevinden in acht dienen te nemen. Als de vereiste zorg niet betoond wordt, handelen de vennootschap en de bestuurder onrechtmatig jegens die anderen. Het is lastig de reikwijdte van dergelijke zorgplichten te bepalen. Hierbij is het relativiteitsvereiste een belangrijk hulpmiddel. 28 Bijzonder is dat deze anderen jegens wie er zorg betracht dient te worden, geen deel van de structuur van de vennootschap behoeven uit te maken. Zij kunnen 'nabije' buitenstaanders zijn, zoals schuldeisers. 29 Het gevolg is dat het van minder grote betekenis wordt uit te maken of iemand nu wel of geen deel uitmaakt van de vennootschap. Over dat probleem werd in het verleden nogal eens geschreven. Het is inmiddels een non-probleem geworden.
17. De Hoge Raad heeft deze ontwikkeling van het in elkaar overlopen van het interne en het externe onderkend. Hij besliste dat zowel in het geval waarin de vennootschap klaagt over onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder ex art. 2:9 BW (in de interne situatie dus) als in het geval een buitenstander aan de bestuurder schending van een (externe) zorgplicht voor de voeten werpt (de externe situatie) de maatstaf is of de betrokken bestuurder is opgetreden als redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris. 30 Ook op het punt van de verwijtbaarheid, die een rol speelt bij het vestigen van zorgaansprakelijkheid van de bestuurder, gaat de Hoge Raad uit van dezelfde maatstaf als bij art. 2:9 BW: voldoende ernstige persoonlijke verwijtbaarheid. 31 Ik vind de gelijktrekking op deze punten van de vereisten van de interne art. 9-aansprakelijkheid en de externe onrechtmatige daadsaansprakelijkheid juist, omdat tussen interne en externe aansprakelijkheid als gevolg van het idee van de zorgplichten hoogstens een gradueel onderscheid bestaat. Overigens sluit dit niet uit dat er naast overeenkomsten ook verschillen kunnen optreden bij voorbeeld op het punt van de beleidsvrijheid van de bestuurder 32 en décharge. Die spelen wel een rol bij art. 2:9 BW, maar niet bij de bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
18. Ik wil nog iets benadrukken: ik heb een tendens tot overwicht van het aandeelhoudersbelang vastgesteld. 33 Het zal duidelijk zijn dat die wordt doorkruist door de meerzinnigheid van dit belang en de in gewicht toenemende zorgplichten en dat is goed.
Beginsel 2: een NV/BV is transparant over haar inrichting en financiële toestand
19. Een markteconomie veronderstelt dat marktdeelnemers voldoende (financieel) transparant zijn. Het zijn vooral diverse Europese Richtlijnen geweest die uiteenlopende vormen van publiciteit hebben voorgeschreven, zoals inschrijving en deponering van gegevens over structuur en inrichting van de vennootschap op het handelsregister en publicatie van financiële gegevens in de vorm van een jaarrekening. 34 Ik ben over dit beginsel kort, maar dit betekent geenszins dat ik het niet belangrijk vind. Zonder voldoende transparantie van marktdeelnemers kan een markteconomie niet functioneren. De Europese Unie heeft op dit punt voor vennootschappen van het NV-/BV-type stringente voorschriften uitgevaardigd. Het is begrijpelijk dat juist de Europese Unie dit type publicatievoorschriften heeft opgelegd; een essentieel element van de Europese Verdragen is de Europawijde bevordering van een zuivere marktwerking. Overigens is het beginsel van transparantie niet absoluut, privacy kan deze ook voor een onderneming beperken. 35
Beginsel 3: een vennootschap heeft de vrijheid zich te herstructureren
20. Traditioneel kennen we vrijheid van oprichting van een vennootschap. Deze past bij de vrijheidsgedachte van het privaatrecht en de grondwettelijk beschermde vrijheid van vereniging. 36 Die vrijheid van op- en inrichting is in de afgelopen jaren uitgebreid en verdiept. Ik wijs op het project om tot vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht 37 te komen en het plan om de verklaring van geen bezwaar af te schaffen. 38 Maar er is meer: degenen die op een bepaald moment voor de NV of BV hebben gekozen zitten niet meer vast aan de aanvankelijk gekozen rechtsvorm. Men mag op een andere rechtsvorm overstappen met behoud van rechtspersoonlijkheid of overgang onder algemene titel. Het Nederlandse vennootschapsrecht kent sinds een aantal jaren zeer ruime mogelijkheden tot (al dan niet grensoverschrijdende 39 ) omzetting, fusie en splitsing. Met die instrumenten kan een vennootschap haar vennootschapsrechtelijke organisatie opnieuw inrichten. 40 Ik ga niet specifiek op het palet aan mogelijkheden in. Ik wil slechts onderstrepen dat met deze herstructureringsmogelijkheden het aan het privaatrecht inherente vrijheidsbeginsel is versterkt. Deze vrijheid bestond niet in die mate aan het begin van de twintigste eeuw.
21. Om het idee van belangenpluralisme bij deze handelingen tot uitdrukking te laten komen, is voor ieder van deze herstructureringsmogelijkheden vrij veel dwingend recht tot stand gebracht ter bescherming van vooral de belangen van minderheidsaandeelhouders en schuldeisers. 41 Het vrijheidsbeginsel is dus in het vennootschapsrecht niet absoluut. In de dwingende wettelijke regulering van de techniek van een omzetting, fusie of splitsing weerspiegelt zich een deel van 'mijn' beginselen.
Beginsel 4: een aandeelhouder heeft recht op het ongestoorde genot van zijn aandeel
22. Art. 1 EP bij het EVRM garandeert binnen bepaalde grenzen een ieder het ongestoorde genot op eigendom. Het aandeel is een door art. 1 EP beschermd object van eigendom. 42 Een aandeelhouder mag dus ook ongestoord van zijn aandeel genieten. Een groot aantal bepalingen uit Boek 2 BW kan worden teruggevoerd op dit idee. Ik wijs onder andere op de gedachte dat aan een aandeel geen extraverplichtingen verbonden kunnen worden tegen de zin van de aandeelhouder (art. 2:81 BW/art. 2:192 BW), op het voorschrift dat een blokkeringsregeling de overdracht van een aandeel niet onmogelijk of uiterst bezwaarlijk mag maken (art. 2:87 lid 1 BW/art. 2:195 lid 8 BW), op het recht op onafhankelijke prijsstelling in geval een aandeelhouder zijn aandelen dient over te dragen aan een niet door hem gekozen gegadigde (art. 2:87 lid 2 BW, art. 2:87a lid 3 BW, art. 2:195 lid 6 BW en art. 2:195a lid 3 BW), op het voorkeursrecht voor zittende aandeelhouders (art. 2:96a BW/art. 2:206a BW), op het voorschrift dat intrekking van aandelen niet mogelijk is als die niet tevoren is bedongen (art. 2:99 BW/art. 2:208 lid 2 BW) en allerlei aspecten van het wettelijke uitkooprecht en de geschillenregeling. Dit beginsel van ongestoord genot is, evenals de andere beginselen, niet absoluut. Een redelijke, objectieve rechtvaardigingsgrond kan volgens de rechtspraak van de Hoge Raad het beginsel buiten spel zetten. 43
23. Art. 1 EP doet ook iets niet. Het geeft geen verklaring voor de bevoegdheden die aan aandeelhouders toekomen. Dat is logisch, omdat art. 1 EP alleen verleende rechten beschermt. In ons vennootschapsrecht en dat van andere landen berust de ultieme macht over inrichting van de vennootschap, de aanwijzing van bestuurders (en van commissarissen) en de besteding van winst bij de aandeelhouders. De grond hiervoor is dat het een regel van dwingend recht is dat er geen winstgaranties aan aandeelhouders mogen worden gegeven (dit staat merkwaardig genoeg niet met zoveel woorden in de Nederlandse wet) en bij ontbinding de aandeelhouders slechts recht hebben op het overschietende deel van het vermogen (art. 2:23b lid 1 BW). Andere bij de vennootschap betrokkenen, zoals schuldeisers en werknemers, kunnen de omvang van hun vorderingsrecht via een contract fixeren, aandeelhouders kunnen dat niet. In ruil hiervoor is het verdedigbaar dat aandeelhouders aanspraak kunnen maken op uiteindelijke zeggenschap in de vennootschap, zo leren in het bijzonder economen ons 44 en deze verklaring wordt in juridische kringen als toereikend voor het hebben van uiteindelijke zeggenschap geaccepteerd. Zij sluit ook goed aan bij het idee van preponderantie van het aandeelhoudersbelang. Bedenkelijk acht ik het dat onder het nieuw voorgestelde BV-recht de zeggenschap op de aandeelhoudersvergadering bij één aandeelhouder mag worden geconcentreerd en binnen de groep aandeelhouders niet naar verdeling van zeggenschap gestreefd hoeft te worden die in redelijk evenwicht staat met de grootte van de kapitaalinbreng. 45 Hier dreigt ieder evenwicht zoek te raken. 46 Natuurlijk ben ik voorstander van grote inrichtingsvrijheid, maar ook hier kan men doorschieten. Is het toelaten dat zeggenschap bij één aandeelhouder kan worden geconcentreerd geen voorbeeld van beginselloos vennootschapsrecht?
Beginsel 5: er bestaat een door rechtspersoonlijkheid tot stand gebrachte scheiding tussen de vermogens van de aandeelhouders en dat van de NV en de BV en een uitgesloten en beperkte aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouders
24. Op deze typisch vennootschapsrechtelijke beginselen is het succes van de NV en de BV gebaseerd. Deze kerngedachten hebben sterk bijgedragen aan de aantrekkelijkheid van de NV en de BV. De uitgesloten en beperkte aansprakelijkheid beschermen aandeelhouders en bestuurders. Vanwege de brede acceptatie van rechtspersoonlijkheid en uitgesloten aansprakelijkheid rust aansprakelijkheid voor door de NV of de BV verrichte handelingen mijns inziens primair op de rechtspersoon op grond van betrekkelijk lichte criteria, zoals het maatschappelijke verkeerscriterium, 47 en secundair, dat wil zeggen slechts onder bijzondere omstandigheden en op grond van strengere maatstaven op de bestuurders en aandeelhouders persoonlijk. 48 De rechtspersoon wordt in het maatschappelijke verkeer steeds meer als primaire 'dader' beschouwd (bij voorbeeld omdat hij geacht wordt profijt te hebben gehad van het onrechtmatige gedrag). Bij de secundaire aansprakelijkheid spelen de maatstaf van de redelijk bekwame en redelijk handelende bestuurder en die van ernstige persoonlijke verwijtbaarheid een rol. 49 Mijns inziens komt het secundaire karakter van bestuurdersaansprakelijkheid in het bijzonder naar voren in het door de Hoge Raad gestelde vereiste van meer dan gewone verwijtbaarheid, te weten ernstige persoonlijke verwijtbaarheid. 50
Beginsel 6: een bestuurder oefent zijn functie niet uit met het oog op behartiging van privé-belangen
25. Met dit beginsel bereiken we het befaamde leerstuk van het tegenstrijdige belang. Door het belemmeren van dergelijke handelingen wordt de macht van het bestuur beperkt. Het leerstuk wil immers bewerkstelligen dat een bestuurder bepaalde handelingen waarmee hij zijn persoonlijk belang dient, niet verricht, maar dat overlaat aan personen die meer onafhankelijk zijn. Het idee dat tegenstrijdig belang problematisch is, is - zo vermoed ik - scherper naar voren gekomen onder invloed van het door economen ontwikkelde concept dat de bestuurder niet meer dan een 'agent' is voor een aantal hem toevertrouwde belangen, zoals het aandeelhouders-, crediteuren- en werknemersbelang. 51
26. Er is een aantal kwesties dat tegenstrijdig belangvraagstukken lastig maakt. Zo is het niet eenvoudig om te omschrijven wat tegenstrijdig belang precies is. Ik meen dat het bij tegenstrijdig belang in de kern steeds moet gaan om een persoonlijk belang van de bestuurder bij een handeling dat een zodanig gewicht heeft dat deze een integere en onbevooroordeelde oordeelsvorming in de weg staat. 52 Ik acht het juist dat de wetgever voorstelt om voor te schrijven dat een met tegenstrijdig belang besmette bestuurder niet aan de besluitvorming over de tegenstrijdig belang transactie mag deelnemen. 53 Men probeert met dit voorschrift de besmette bestuurder uit te schakelen. Lastig is de vraag te beantwoorden of de voorgestelde regeling dwingend moet zijn. Ik meen dat dit het geval dient te zijn, nu met tegenstrijdig belang in de Nederlandse opzet van de vennootschap ook andere belangen dan die van aandeelhouders zijn gemoeid. Bescherming van die andere belangen, zoals die van crediteuren en werknemers - deze kunnen onder het Nederlandse vennootschapsrecht binnen de vennootschap niet altijd voor hun belang opkomen -, vergt dwingend recht.
Beginsel 7: er bestaat een scherp onderscheid tussen de binnen- en de buitenkant van de NV en BV
27. Over dit beginsel wil ik kort zijn: de invoering van art. 2:130 BW/art. 2:240 BW in 1970 heeft tot gevolg gehad dat degenen die zaken doen met een NV of BV van allerlei interne strubbelingen binnen de NV of BV geen last hebben. Ik meen dat dit voorschrift een grote verbetering van het Nederlandse vennootschapsrecht heeft teweeggebracht. 54 Het heeft de rechtszekerheid in het handelsverkeer sterk bevorderd. 55 Het gaat hier om een beginsel dat pas vanaf 1970 in volle omvang in ons NV- en BV-recht geldt.
Beginsel 8: een meerhoofdig bestuur oefent zijn taak collegiaal uit
28. Dit beginsel houdt in dat de bestuurders (hetzelfde geldt voor de commissarissen) één college vormen. Het gevolg daarvan is dat de bestuurstaak in beginsel een taak van het hele college is, van de bestuurstaak geen bestuurder kan worden uitgesloten en één bepaalde bestuurder niet meer stemmen mag uitbrengen dan de andere bestuurders. Wel kan een bepaalde bestuurder worden belast met specifieke bestuurswerkzaamheden. Er kan dus een zekere taakverdeling tot stand worden gebracht. Het beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid werkt in de wettelijke regeling voor aansprakelijkheid van bestuurders door: art. 2:9 BW en art. 2:138 BW/art. 2:248 BW gaan uit van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders voor ernstig tekortschietend bestuur behoudens disculpatiemogelijkheden van een individuele bestuurder onder andere in verband met de tussen de bestuurders tot stand gebrachte taakverdeling. Het idee van collectieve verantwoordelijkheid komt verder in art. 2:9 BW tot uitdrukking in de eis dat een bestuurder zich ondanks een taakverdeling alleen van zijn hoofdelijke bestuurdersaansprakelijkheid kan bevrijden als hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om onbehoorlijk bestuur van zijn collega's te verhinderen. Daarbij komt nog dat een aantal taken onder de competentie van het gehele bestuur valt, zoals het algemene en het financiële beleid. 56
29. Ik vermoed dat het voor het Nederlandse vennootschapsrecht zo belangrijke beginsel van de collegiale besluitvorming en van de daarbij passende hoofdelijke aansprakelijkheid zijn oorsprong vindt in het Nederlandse consensus-denken. 57 Dit beginsel is de laatste jaren aan erosie onderhevig. Er is immers meer ruimte gekomen voor taakverdelingen binnen het bestuur die daarbij een toenemend gewicht krijgen voor de inperking van de aansprakelijkheid van de individuele bestuurder. 58 Niettemin blijft collectieve verantwoordelijkheid voor het bestuursbeleid het uitgangspunt en dat moet mijns inziens ook zo blijven. 59 Ik verwacht dat de kwestie van de collegiale besluitvorming in de komende jaren één van de grote issues in het vennootschapsrecht wordt.
30. Ik ben hiermee aan het einde van mijn inventarisatie. Als ik 'mijn' beginselen overzie, kan een onderscheid gemaakt worden tussen twee typen beginselen: decorbeginselen (dat zijn beginselen die op de inrichting van de vennootschap betrekking hebben, het gaat hier om de beginselen 2, 3, 5 en 7, in die beginselen staat vrijheid voorop) en gedragsbeginselen (hierbij gaat het om gedragsregulering tussen de decorstukken; dit zijn de andere vier beginselen: belangenpluralisme en de daaruit voortvloeiende gedragsnormen, bescherming van eigendom van aandelen die een rol speelt tussen de meerderheids- en minderheidsaandeelhouder, de gerichtheid van het bestuur op belangen van anderen en het idee van collegiale besluitvorming).
III Beginselen in opkomst
Ik wil aandacht vragen voor twee beginselen in opkomst.
De rechter mag bij het toetsen van bestuurshandelen niet op de stoel van het bestuur plaatsnemen
31. De behoefte aan een goed doordacht concept van terughoudende rechterlijke toetsing komt naar mijn indruk voort uit de beweging naar een geobjectiveerde toets in plaats van een subjectieve beoordeling van het gedrag van bestuurders. Voor het vaststellen van tekortschietend handelen van een bestuurder let de rechter niet meer op zijn subjectieve kwade trouw en bekwaamheden, maar op wat van een nauwgezet handelende en voor zijn taak berekende bestuurder mag worden verwacht. 60 De maatstaf is dus de gemiddeld bekwame bestuurder. 61 Deze geobjectiveerde benadering heeft het risico dat op te lichte gronden aansprakelijkheid van een bestuurder wordt aangenomen. De subjectieve benadering leidt door haar aard tot een zeer terughoudende toets. Daarom was in het verleden het vraagstuk van de rechterlijke terughoudende toets niet zeer problematisch. 62
32. Om een terughoudende toets te bereiken is het mijns inziens van belang een onderscheid te maken tussen de voor de bestuurder jegens de vennootschap geldende gedragsnorm die voor die bestuurder betrekkelijk streng kan zijn en de door de rechter in aansprakelijkheidsgevallen toe te passen aansprakelijkheidsnorm die een soepeler toetsing kan meebrengen. 63 Deze beide normen vallen in het algemene aansprakelijkheidsrecht doorgaans samen, 64 maar in het NV- en BV-recht is dit vaak niet het geval. Als de gedragsnorm voor een bestuurder strenger is dan de door de rechter toe te passen aansprakelijkheidsnorm, is er sprake van terughoudende toetsing door de rechter. Bij het vormgeven van de soms soepeler aansprakelijkheidsnorm speelt in het Nederlandse recht het idee van persoonlijke ernstige verwijtbaarheid een belangrijke rol. 65 Bij het leerstuk van de aansprakelijkheid van een bestuurder gaat het met name om de vraag wanneer persoonlijke ernstige verwijtbaarheid al dan niet in beginsel dient te worden verondersteld. 66 Als persoonlijke verwijtbaarheid in beginsel wordt aangenomen - dat doet zich met name voor wanneer de bestuurder een statutaire norm overtreedt die het belang van de vennootschap beschermt -, komt de rechter tot aansprakelijkheid met behulp van een lichte, dus niet strenge toets. Gedragsnorm en aansprakelijkheidsnorm liggen dan dicht tegen elkaar aan. In gevallen waarin ernstige persoonlijke verwijtbaarheid niet wordt verondersteld wordt terughoudend door de rechter getoetst. Gedragsnorm en aansprakelijkheidsnorm wijken dan uiteen. Het ligt voor de hand dat bij een tegenstrijdig belanghandeling waarbij ook is vastgesteld dat de bestuurder een persoonlijk belang van voldoende zwaar gewicht heeft, ernstige persoonlijke verwijtbaarheid in beginsel wordt verondersteld. De tot dusver in ons vennootschapsrecht gehanteerde marginale toetsing is een veel rommeliger concept dat verhuld verschillende soorten toetsing omvat 67 en is daarbij ook weinig gericht op de problematiek van de aansprakelijkheid. 68 Neen, mijn onderscheid tussen gedragsnorm en aansprakelijkheids- of breder toetsingsnorm 69 biedt een veel beter uitgangspunt een onderscheid te maken tussen de vraag wat in de vennootschap van bij voorbeeld de bestuurder verwacht mag worden en waaraan de bestuurder zich jegens de vennootschap heeft te houden en de vraag hoe de rechter de toets van bestuurlijk handelen dient uit te voeren. Weg dus met die marginale toetsing uit het ondernemingsrecht.
Vennootschapsrecht is niet dwingend tenzij er rechtvaardiging voor die dwingendheid bestaat
33. Ik heb sympathie voor dit idee. 70Art. 2:25 BW waarin het tegenovergestelde te lezen is dient te worden afgeschaft, zo wordt met regelmaat verdedigd. Hiervan ben ik geen voorstander. Ik beschouw art. 2:25 BW als een wetstechnisch voorschrift dat vooral een gevolg is van de opzet van Boek 2 BW. Als art. 2:25 BW zou worden afgeschaft, dienen veel voorschriften uit Boek 2 BW een wel heel ingewikkelde tekst te krijgen. Er is ook zoiets als het belang van simpele wetteksten.
IV Probleem van het huidige vennootschapsrecht
34. Mijns inziens koersen we met het vennootschapsrecht niet op een ideale, wereldwijd geldende eindsituatie af. Ondanks globalisering en Europese eenwording zijn in ieder land en op ieder continent de (economische) omstandigheden en de (rechts)cultuur uiteenlopend en heeft ook de geschiedenis een ander verloop gehad. Die andere omstandigheden en geschiedenis vergen per land een vennootschapsrecht met uiteenlopende accenten teneinde in dat land op eigen wijze welzijn te bevorderen. Vennootschapsrecht is en blijft in een bepaalde mate padafhankelijk en contextbepaald. Er is dan ook geen eind in zicht voor de geschiedenis van het vennootschapsrecht, zoals voorspeld door een paar zonnig denkende Amerikaanse professoren. 71 Die zien een Amerikaans getoonzet, wereldwijd geldend vennootschappelijk paradijs in het verschiet. De aarde wordt niet plat. Mijns inziens moeten we binnen bepaalde grenzen blijven zoeken naar min of meer eigen oplossingen voor de uitdagingen waarmee het Nederlandse vennootschapsrecht wordt geconfronteerd.
35. Wat is een maatstaf voor het bepalen van het succes van het Nederlandse ondernemingsrecht? Wellicht is zo'n maatstaf het vermogen van de rechtsvorm van de NV en de BV om krachtige ondernemingen in hun lange termijnvoortbestaan te bevorderen. 72 Ik ben hier terug bij het begin, bij mijn hoofddoelstelling van het ondernemingsrecht. Krachtige, duurzame instituties lijken naast instituties met een meer vluchtig bestaan voor ons welzijn van groot belang. In de omgeving van het vennootschapsrecht hebben zich ingrijpende veranderingen voorgedaan, zoals de beschikbaarheid van grote hoeveelheden geld om overnames te financieren, de vooral op kapitaalmarkten bestaande sterke neiging om met bepaalde transacties korte termijnwinsten te maken, de aanwezigheid van investmentbanken die graag bepaalde transacties arrangeren, private equity-partijen die ondernemingen als handelswaar zien, de opkomst van institutionele beleggers die van hun zeggenschapsrechten gebruik willen c.q. moeten maken en de eigen belangen van bestuurders bij bepaalde transacties die tot gelding komen via royale bonussen. Die veranderingen hebben ertoe geleid dat Nederlandse vennootschappen nogal broze organisaties zijn geworden die gemakkelijk opgedeeld en overgedaan kunnen worden of met hoge schulden beladen kunnen worden. Zwakke organisaties laten weinig ruimte voor lange termijnperspectieven, zoals voor het verrichten van onderzoek en voor bescherming van werknemers met hun specifieke kennis. Markten, zoals financiële markten en de markt voor topmanagers, verdringen de organisatorische kant van vennootschappen en ondernemingen. 73 Met dat probleem is Nederland vooral in de sfeer van beursvennootschappen geconfronteerd. Het speelt ook daarbuiten, zoals bij met private equity gefinancierde vennootschappen.
36. Bij uitstek bestuurders dienen - overigens met de krachtige hulp van de wetgever, de rechterlijke macht en de Commissie Frijns 74 - een evenwicht tussen markt en organisatie tot stand te brengen en mijns inziens het gezonde voortbestaan en het succes van de onderneming te bevorderen. Maar kunnen zij dat nog wel voldoende in de huidige tijd van toenemende aandeelhoudersmacht die vaak op korte termijngewin gericht is? En willen bestuurders dat nog wel in een cultuur waarin bestuurders, zoals profvoetballers en popartiesten, zich steeds meer bewust worden van hun marktwaarde? Zij zijn vaak meer loyaal aan geld dan aan een institutie, terwijl het juist gaat om de combinatie van mens en instituut.
37. Er zijn grenzen om iets aan die broosheid te doen. We hebben wereldwijd met elkaar samenlevingen opgebouwd die kwetsbaar zijn omdat deze aan allerlei nieuwe typen risico's zijn blootgesteld. Deze zijn vanwege hun wereldwijde karakter moeilijk te beheersen (denk aan de kredietcrisis, aan wereldwijd optredende hedgefondsen die via gekoppelde computerprogramma's de koers van een bepaald aandeel naar beneden kunnen brengen, aan het klimaatprobleem dat voor vele soorten ondernemingen grote risico's kan meebrengen). 75 Toenemende kwetsbaarheid voor risico's op wereldschaal is ons lot. Maar wat kunnen we daartegen doen met hulp van een goede inrichting van ons nationale vennootschapsrecht?
38. Ik heb slechts een 'antwoordje' in de aanbieding waarbij 'mijn' grondslagenbenadering hulp biedt. Wat ik belangrijk vind, is het onderstrepen van gematigdheid bij het uitoefenen van vennootschappelijke bevoegdheden. Ook hier dus: damn the absolute. Mijns inziens heeft het daaraan de laatste jaren bij belangrijke actoren ontbroken. Ik zie hier een belangrijke taak voor de rechterlijke macht weggelegd. 76 Rechters zouden onmatige uitoefening van bevoegdheden zoveel mogelijk dienen tegen te gaan. Ik ben hiermee wederom terug bij het begin van mijn verhandeling waarin belangenpluralisme aan de orde kwam. Dat concept vereist dat men zich van andere belangen dan het eigen korte termijnbelang rekenschap geeft. Dat werkt - zo denk ik - matigend en biedt een basis om samenwerking en coherentie in een onderneming te bevorderen. Dat is misschien wel het belangrijkste argument voor die leer. Die leer is daarbij - ik zeg het heel voorzichtig - een goed uitgangspunt om aan een zekere mate van gerechtigheid, evenwicht, proportionaliteit in ondernemingen inhoud te geven. 77 De kern van recht is voor mij telkens weer een redelijke afweging van belangen. Ik raak hier aan een controversieel punt: er zijn auteurs die verdedigen dat het in het ondernemingsrecht niet meer mag gaan over kwesties als gerechtigheid, het zou alleen nog maar over economische doelmatigheid dienen te gaan. 78 Met die absolute benadering ben ik het niet eens.
39. Ik ben aan het slot van mijn betoog gekomen. U heeft bemerkt dat ik enig grondwerk heb verricht, zoals ik dat ook in mijn tuin in Eexterveen doe. Ik heb me met de onderbouw van het ondernemingsrecht, niet met de bovenbouw ervan beziggehouden. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken wat de kern van het Nederlandse ondernemingsrecht is 79 en ook waar daarin een probleem zit. Ik ben tegen een vennootschapsrecht waarin 'anything goes'. Hiertegen kunnen vooral 'mijn gedragsbeginselen' tegenwicht bieden. Het is net als in mijn tuin: daar mag veel, ik houd echter vast aan bepaalde regulerende beginselen (onder andere geen zevenblad).
Drie persoonlijke nootjes tot slot
Naarmate ' mijn ik' minder belangrijk aan het worden is - en daarbij helpen ouder worden en het werk dat ik bij de Hoge Raad mag doen -, gaat het mij beter. Het gaat er mijns inziens om meer te zijn dan te schijnen. Als je dit in de praktijk brengt, heb je geen imagebuilder nodig. Die lui willen je meer laten schijnen dan je bent. En dat is niet goed voor ons.
In de loop van de jaren ben ik mij ervan bewust geworden dat je veel aan jezelf kunt veranderen: je kleding, het merk laptop dat je gebruikt (geen HP, maar een Apple), de films die je bekijkt, de baan die je hebt, de muziek waarnaar je luistert enz. enz., maar niet wie je ouders, je zusters, je nichten zijn. Dat blijven de constanten in je leven.
Ten slotte: veertig jaar geleden begon ik aan deze universiteit mijn rechtenstudie en was er met veel plezier student-assistent voor Professor Sanders. Ik heb het zeer gewaardeerd dat een aantal goede vrienden, zoals Maarten Kroeze en Krijn Haak, mij enige tijd geleden lieten merken dat een terugkeer op prijs zou worden gesteld naar de plaats waar ik mijn zoektocht door het recht begon maar die voor mij ook nieuw is. Ik hoop dat ik ondanks de veertig jaar die zijn verstreken en de deftige functies die ik momenteel mag bekleden iets van een beginneling heb behouden die net als William James iets van het vermogen heeft om onbevangen te blijven rondkijken. Ik dank u voor uw aandacht. Het was een voorrecht voor u te mogen spreken.