FED 1991/731
Heffing van kapitaalsbelasting op de voet van art. 34 aanhef en letter c Wet BRV terzake van een kwijtschelding als de onderhavige door een moedermaatschappij aan haar dochtermaatschappij is, naar blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie EG van 5 februari 1991, niet in strijd met de Richtlijn 69/335/EEG. Verwijzing moet volgen om te beslissen over welk bedrag kapitaalsbelasting geheven dient te worden.
HR 19-07-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4653, m.nt. J.S. Rijkels
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19 juli 1991
- Magistraten
Stoffer; Mijnssen; Wildeboer; Korthals Altes; Urlings
- Zaaknummer
25 318
- Noot
J.S. Rijkels
- LJN
ZC4653
- JCDI
JCDI:ADS208711:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Belastingen van rechtsverkeer / Kapitaalsbelasting
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1991:ZC4653, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑07‑1991
- Wetingang
Art. 34, aanhef en letter c Wet BRV juncto art. 4, tweede lid, sub b Richtlijn 69/335/EEG
Essentie
Heffing van kapitaalsbelasting op de voet van art. 34 aanhef en letter c Wet BRV terzake van een kwijtschelding als de onderhavige door een moedermaatschappij aan haar dochtermaatschappij is, naar blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie EG van 5 februari 1991, niet in strijd met de Richtlijn 69/335/EEG. Verwijzing moet volgen om te beslissen over welk bedrag kapitaalsbelasting geheven dient te worden.
Uitspraak
Voor een overzicht van de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dat geding gewezen arrest van 14 december 1988, gepubliceerd in BNB 1989/59, wordt ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.