FED 1996/210:Belanghebbende, X BV, handelt in en kweekt zaaizaden. In dat kader stelt zij aan landbouwers zaaizaad ter beschikking. Deze winnen nieuw zaad dat aan belanghebbende wordt geleverd. X BV betaalt de landbouwers naar rato van de opgeleverde hoeveelheid zaaizaad. Landbouwer A heeft aan X BV zaad geleverd dat in aanmerking komt voor een subsidie volgens een EG-verordening. Op de factuur van A aan X staat tevens vermeld 'zaaizaadsubsidie f 46,95 vermeerderd met f 2,47 (BTW-vergoeding 5,26%)'. Het eerste bedrag is door het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten op grond van de Verordening vastgesteld en overgemaakt aan X BV die het overmaakt aan A. In geschil is of de inspecteur het genoemde OB-bedrag (landbouwforfait) terecht niet in aftrek heeft toegelaten. Hof 's-Hertogenbosch stelt X BV in het gelijk. Hoge Raad: Daargelaten of de subsidie wordt verleend ter zake van de produktie dan wel ter zake van de levering van het zaad, de subsidie behoort niet tot het door A aan X BV ter zake van de levering van het zaad ex art. 27, derde lid, Wet OB 1968 in rekening gebrachte bedrag. Op grond van de genoemde Verordening moet immers ervan worden uitgegaan dat de subsidie door het Hoofdproduktschap in feite is toegekend aan A. X BV heeft derhalve deze subsidie niet voor zichzelf doch voor A ontvangen, zodat, evenals in de situatie dat de subsidie rechtstreeks door het Hoofdproduktschap aan A zou zijn uitbetaald, niet kan worden gezegd dat de subsidie aan X BV in rekening is gebracht in de zin van art. 27, derde lid, Wet OB 1968.