In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt belasting geheven volgens het boxenstelsel. Box 1 bevat het inkomen uit werk en woning. Artikel 3.110 geeft aan dat belastbare inkomsten uit eigen woning zijn: de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. Hoe worden de voordelen uit eigen woning bepaald?
Artikel 3.112 bevat het eigenwoningforfait. Met het eigenwoningforfait geeft de wetgever aan welke voordelen uit eigen woning zijn belast.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3.112 (aant. 1)
Bij de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 is artikel 3.112 ingevoerd. Artikel 3.112 is vrijwel geheel ontleend aan artikel 42a Wet op de inkomstenbelasting 1964. Met het eigenwoningforfait, en dus met artikel 3.112, beoogt de wetgever op een eenvoudige wijze aan te geven over welk rendement uit een eigen woning belasting verschuldigd is.
2. Hoe wordt het eigenwoningforfait berekend? (aant. 2)
In artikel 3.112, eerste lid, staat een tabel aan de hand waarvan het eigenwoningforfait op grond van de eigenwoningwaarde wordt berekend.
3. Wat is de eigenwoningwaarde? (aant. 3)
Artikel 3.112, tweede lid, geeft aan dat de eigenwoningwaarde de WOZ-waarde is. Dit is in beginsel de waarde van de woning in vrije staat.
4. Wat is het gevolg van het ontbreken van een WOZ-waarde voor de eigen woning? (aant. 4)
De WOZ-waarde voor de eigen woning kan ontbreken. In dat geval moet de waarde op grond van artikel 3.112, derde lid, op basis van de regels van de Wet WOZ worden bepaald.
5. Bijzondere situaties (aant. 5 en aant. 6)
Op grond van artikel 3.112, vierde lid, is het eigenwoningforfait voor woningen bestemd voor de verkoop of voor toekomstige bewoning nihil. Voor woningen die worden aangehouden in verband met uitzending van de belastingplichtige geldt op grond van artikel 3.112, vijfde lid, een verhoogd eigenwoningforfait.
6. Welke data zijn bepalend voor de periode waarover het eigenwoningforfait in aanmerking wordt genomen? (aant. 7)
Tot 2010 was het moment van feitelijke verhuizing bepalend voor aanvang of einde van de periode waarover het eigenwoningforfait in aanmerking wordt genomen. Vanaf 2010 wordt niet meer uitgegaan van het moment van feitelijke verhuizing, maar van de datum van wijziging van het woonadres in de Gemeentelijk Basisadministratie (GBA). Vanaf 6 januari 2014 geldt de datum van wijziging van het woonadres in de basisregistratie personen volgens de Wet Basisregistratie personen (Brp).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.112 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 01-05-2026
01-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/19.22.
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.112 Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
eigenwoningforfait
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.112
Beschouwing
Inleiding
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt belasting geheven volgens het boxenstelsel. Box 1 bevat het inkomen uit werk en woning. Artikel 3.110 geeft aan dat belastbare inkomsten uit eigen woning zijn: de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. Hoe worden de voordelen uit eigen woning bepaald?
Artikel 3.112 bevat het eigenwoningforfait. Met het eigenwoningforfait geeft de wetgever aan welke voordelen uit eigen woning zijn belast.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3.112 (aant. 1)
Bij de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 is artikel 3.112 ingevoerd. Artikel 3.112 is vrijwel geheel ontleend aan artikel 42a Wet op de inkomstenbelasting 1964. Met het eigenwoningforfait, en dus met artikel 3.112, beoogt de wetgever op een eenvoudige wijze aan te geven over welk rendement uit een eigen woning belasting verschuldigd is.
2. Hoe wordt het eigenwoningforfait berekend? (aant. 2)
In artikel 3.112, eerste lid, staat een tabel aan de hand waarvan het eigenwoningforfait op grond van de eigenwoningwaarde wordt berekend.
3. Wat is de eigenwoningwaarde? (aant. 3)
Artikel 3.112, tweede lid, geeft aan dat de eigenwoningwaarde de WOZ-waarde is. Dit is in beginsel de waarde van de woning in vrije staat.
4. Wat is het gevolg van het ontbreken van een WOZ-waarde voor de eigen woning? (aant. 4)
De WOZ-waarde voor de eigen woning kan ontbreken. In dat geval moet de waarde op grond van artikel 3.112, derde lid, op basis van de regels van de Wet WOZ worden bepaald.
5. Bijzondere situaties (aant. 5 en aant. 6)
Op grond van artikel 3.112, vierde lid, is het eigenwoningforfait voor woningen bestemd voor de verkoop of voor toekomstige bewoning nihil. Voor woningen die worden aangehouden in verband met uitzending van de belastingplichtige geldt op grond van artikel 3.112, vijfde lid, een verhoogd eigenwoningforfait.
6. Welke data zijn bepalend voor de periode waarover het eigenwoningforfait in aanmerking wordt genomen? (aant. 7)
Tot 2010 was het moment van feitelijke verhuizing bepalend voor aanvang of einde van de periode waarover het eigenwoningforfait in aanmerking wordt genomen. Vanaf 2010 wordt niet meer uitgegaan van het moment van feitelijke verhuizing, maar van de datum van wijziging van het woonadres in de Gemeentelijk Basisadministratie (GBA). Vanaf 6 januari 2014 geldt de datum van wijziging van het woonadres in de basisregistratie personen volgens de Wet Basisregistratie personen (Brp).