Een belastingverdrag is alleen van toepassing ten aanzien van de inwoners van de staten die een belastingverdrag sluiten, behalve in enkele uitzonderingsgevallen zoals bij informatie-uitwisseling (artikel 26 van het OESO-modelverdrag 1992) en bijstand bij de invordering van belastingen (artikel 27 van het OESO-modelverdrag 1992). Het is daarom belangrijk vast te stellen of iemand die een beroep doet op de toepassing van een belastingverdrag inderdaad zo'n inwoner is. Artikel 4 van het OESO-modelverdrag 1992 regelt dit.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 4 (aant. 1)
Het artikel regelt wie als inwoner van een staat kan worden beschouwd voor de toepassing van een belastingverdrag.
2. Wat wordt met 'een inwoner' bedoeld (aant. 1)?
Wie als een inwoner van een staat wordt aangemerkt, is vooral een zaak van die staat zelf. In grote lijnen is een voorwaarde dat iemand in die staat aan de belastingheffing over zijn inkomen of vermogen is onderworpen. De opvattingen hierover lopen internationaal nogal uiteen. Ook Nederland vaart hier een eigen koers (aant. 1.6). Verder hebben veel staten kanttekeningen geplaatst bij de tekst van artikel 4 van het OESO-modelverdrag en de toelichting van de OESO daarop (aant. 1.26 tot en met 1.29).
3. Wat wordt bedoeld met 'onderworpen aan de belastingheffing' (aant. 2)?
In artikel 4 is geregeld dat iemand inwoner is van een staat als die persoon in die staat belastingplichtig is voor zijn gehele inkomen of vermogen. Dat wordt aangeduid met de term 'liable to tax' (onderworpen aan de belastingheffing). De wetgeving van de staten bevatten meestal regels om te bepalen of iemand aan de belastingen van die staat is onderworpen. Veel gebruikte criteria zijn:
⁃
het duurzaam verblijven in een staat;
⁃
het hebben van de nationaliteit van een staat;
⁃
het in dienst zijn van de overheid van een staat (bij voorbeeld bij diplomaten);
⁃
bij rechtsperonen: de oprichting ervan volgens het nationale recht van een staat.
Omdat er internationaal zoveel verschillende belastingsystemen zijn en er verschil van inzicht is over wat precies met de eis van 'liable to tax' wordt bedoeld en welke staat eigenlijk moet bepalen of iemand aan deze eis voldoet, zijn er veel onduidelijke situaties:
⁃
de gevolgen van bepaalde belastingvrijstellingen, zoals voor pensioenfondsen en stichtingen met een 'goed doel';
⁃
de positie van overheidsinvesteringsfondsen;
⁃
de positie van internationale ambtenaren;
⁃
hoe moet worden omgegaan met zogenoemde 'hybride entiteiten' die door de ene staat als belastingplichtige personen worden aangemerkt terwijl de andere staat juist de 'achterliggende' personen ziet en in de belastingheffing betrekt;
⁃
wat er gebeurt als een persoon voor een belastingverdrag tussen twee staten inwoner van één van die staten is en een beroep doet op een met een derde staat gesloten belastingverdrag.
4. Wat gebeurt er als een natuurlijke persoon inwoner is van twee staten (aant. 3)
Een natuurlijke persoon kan door meer dan één land als inwoner worden aangemerkt; die persoon heeft dan een 'dubbele woonplaats'. In artikel 4, tweede lid is geregeld hoe wordt bepaald van welke staat die persoon dan uiteindelijk inwoner is voor de toepassing van een belastingverdrag. Belangrijke toetsen daarbij zijn waar een persoon een vaste woonplaats ter beschikking heeft of waar hij zijn persoonlijke en zakelijke leven vooral heeft. Ook de nationaliteit kan een rol spelen. Tot slot kunnen staten in onderling overleg een knoop doorhakken.
5. Wat gebeurt er als een niet-natuurlijk persoon inwoner is van twee staten (aant. 4)?
Ook rechtspersonen kunnen van verschillende staten inwoner zijn, bij voorbeeld omdat de ene staat kijkt naar de oprichting in die staat en de andere staat naar de plaats waar die rechtspersoon feitelijk wordt geleid. In artikel 4, derde lid is geregeld dat in zo'n geval de plaats van feitelijke leiding beslissend is. Maar omdat dit criterium soms kan leiden tot verdragsmisbruik, is er een internationale ontwikkeling om situaties van dubbele woonplaatsen bij rechtspersonen op te lossen in onderling overleg tussen de betrokken staten. Bij de 2017-update is in het OESO-model opgenomen dat competente autoriteiten de verdragstoepassing in onderling overleg vaststellen als er sprake is van een dubbele vestigingsplaats.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 4 OESO-modelverdrag 1992, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 16-11-2024
16-11-2024, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2024/116 en V-N 2024/47.60.
23-07-1992 tot: -
Vakstudie Nederlands Internationaal Belastingrecht, art. 4 OESO-modelverdrag 1992, aant. 1.1
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
OESO-modelverdrag
OESO-modelverdrag 1992 artikel 4
Beschouwing
Een belastingverdrag is alleen van toepassing ten aanzien van de inwoners van de staten die een belastingverdrag sluiten, behalve in enkele uitzonderingsgevallen zoals bij informatie-uitwisseling (artikel 26 van het OESO-modelverdrag 1992) en bijstand bij de invordering van belastingen (artikel 27 van het OESO-modelverdrag 1992). Het is daarom belangrijk vast te stellen of iemand die een beroep doet op de toepassing van een belastingverdrag inderdaad zo'n inwoner is. Artikel 4 van het OESO-modelverdrag 1992 regelt dit.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 4 (aant. 1)
Het artikel regelt wie als inwoner van een staat kan worden beschouwd voor de toepassing van een belastingverdrag.
2. Wat wordt met 'een inwoner' bedoeld (aant. 1)?
Wie als een inwoner van een staat wordt aangemerkt, is vooral een zaak van die staat zelf. In grote lijnen is een voorwaarde dat iemand in die staat aan de belastingheffing over zijn inkomen of vermogen is onderworpen. De opvattingen hierover lopen internationaal nogal uiteen. Ook Nederland vaart hier een eigen koers (aant. 1.6). Verder hebben veel staten kanttekeningen geplaatst bij de tekst van artikel 4 van het OESO-modelverdrag en de toelichting van de OESO daarop (aant. 1.26 tot en met 1.29).
3. Wat wordt bedoeld met 'onderworpen aan de belastingheffing' (aant. 2)?
In artikel 4 is geregeld dat iemand inwoner is van een staat als die persoon in die staat belastingplichtig is voor zijn gehele inkomen of vermogen. Dat wordt aangeduid met de term 'liable to tax' (onderworpen aan de belastingheffing). De wetgeving van de staten bevatten meestal regels om te bepalen of iemand aan de belastingen van die staat is onderworpen. Veel gebruikte criteria zijn:
het duurzaam verblijven in een staat;
het hebben van de nationaliteit van een staat;
het in dienst zijn van de overheid van een staat (bij voorbeeld bij diplomaten);
bij rechtsperonen: de oprichting ervan volgens het nationale recht van een staat.
Omdat er internationaal zoveel verschillende belastingsystemen zijn en er verschil van inzicht is over wat precies met de eis van 'liable to tax' wordt bedoeld en welke staat eigenlijk moet bepalen of iemand aan deze eis voldoet, zijn er veel onduidelijke situaties:
de gevolgen van bepaalde belastingvrijstellingen, zoals voor pensioenfondsen en stichtingen met een 'goed doel';
de positie van overheidsinvesteringsfondsen;
de positie van internationale ambtenaren;
hoe moet worden omgegaan met zogenoemde 'hybride entiteiten' die door de ene staat als belastingplichtige personen worden aangemerkt terwijl de andere staat juist de 'achterliggende' personen ziet en in de belastingheffing betrekt;
wat er gebeurt als een persoon voor een belastingverdrag tussen twee staten inwoner van één van die staten is en een beroep doet op een met een derde staat gesloten belastingverdrag.
4. Wat gebeurt er als een natuurlijke persoon inwoner is van twee staten (aant. 3)
Een natuurlijke persoon kan door meer dan één land als inwoner worden aangemerkt; die persoon heeft dan een 'dubbele woonplaats'. In artikel 4, tweede lid is geregeld hoe wordt bepaald van welke staat die persoon dan uiteindelijk inwoner is voor de toepassing van een belastingverdrag. Belangrijke toetsen daarbij zijn waar een persoon een vaste woonplaats ter beschikking heeft of waar hij zijn persoonlijke en zakelijke leven vooral heeft. Ook de nationaliteit kan een rol spelen. Tot slot kunnen staten in onderling overleg een knoop doorhakken.
5. Wat gebeurt er als een niet-natuurlijk persoon inwoner is van twee staten (aant. 4)?
Ook rechtspersonen kunnen van verschillende staten inwoner zijn, bij voorbeeld omdat de ene staat kijkt naar de oprichting in die staat en de andere staat naar de plaats waar die rechtspersoon feitelijk wordt geleid. In artikel 4, derde lid is geregeld dat in zo'n geval de plaats van feitelijke leiding beslissend is. Maar omdat dit criterium soms kan leiden tot verdragsmisbruik, is er een internationale ontwikkeling om situaties van dubbele woonplaatsen bij rechtspersonen op te lossen in onderling overleg tussen de betrokken staten. Bij de 2017-update is in het OESO-model opgenomen dat competente autoriteiten de verdragstoepassing in onderling overleg vaststellen als er sprake is van een dubbele vestigingsplaats.