Op basis van een wijziging in de Zesde richtlijn is per 8 oktober 2003 een nieuwe wettelijke regeling ingevoerd voor de plaats van de prestatie van zogenoemde elektronische diensten. De regeling is thans opgenomen in de BTW-richtlijn 2006. Voorzien was dat de regeling voor drie jaar zou gelden. De regeling is verlengd tot en met 31 december 2006. Inmiddels is de werkingsduur van de regeling verder verlengd tot en met 31 december 2008 en vervolgens verder verlengd tot 31 december 2014.
Niet in de EU gevestigde aanbieders die in de EU omzetbelasting zijn verschuldigd voor langs elektronische weg verrichte diensten, en per 1 januari 2015 voor telecommunicatiediensten en omroepdiensten, verricht aan niet-belastingplichtigen die wonen of zijn gevestigd in de EU kunnen voor de aangifte en afdracht van die omzetbelasting gebruikmaken van een bijzondere regeling. Die regeling is opgenomen in art. 28q t/m 28t Wet OB 1968. In voornoemd art. 28t zijn de bij toepassing van die regeling geldende administratieve verplichtingen opgenomen.
Overigens vindt er, als sprake is van diensten van niet-EU-aanbieders aan ondernemers, verlegging van de heffing naar de afnemer plaats.
Die niet-EU-aanbieders kunnen ervoor kiezen zich slechts in één lidstaat te identificeren voor de heffing van omzetbelasting. Die niet-EU-aanbieders mogen dan ook aangifte doen van de verschuldigde omzetbelasting van de diensten in alle lidstaten in de lidstaat van identificatie. De lidstaat van identificatie draagt zorg voor informatie aan de andere lidstaten en een juiste verdeling van de betaalde omzetbelasting over de diverse lidstaten. Voor de eventuele aftrek van omzetbelasting moet de niet-EU-aanbieder overigens wel in elke lidstaat apart op de gebruikelijke wijze een verzoek om teruggaaf doen. De niet-EU-aanbieder die geen gebruikmaakt van de bijzondere regeling zal zich in elke lidstaat moeten identificeren en aangifte moeten doen.
Als de keuze in dezen valt op Nederland dient de niet-EU-aanbieder zich via de site van de belastingdienst (www.belastingdienst.nl) aan te melden. Er moet dan in Nederland aangifte worden gedaan voor alle diensten die in EU-lidstaten worden verricht. De Belastingdienst/kantoor Buitenland, Postbus 2865, 6401 DJ Heerlen, contact Belastingtelefoon Buitenland 055/538538, is belast met de uitvoering van deze bijzondere regeling.
Met de Uitvoeringsverordening, Verordening van 15 maart 2011, nr. 282/2011, PbEU l77, per 1 januari 2015 gewijzigd bij verordening van 9 oktober 2012, nr. 967/2012 PbEU 2012, is nader invulling gegeven aan de bijzondere regeling voor telecommunicatiediensten, omroepdiensten of elektronische diensten.
Met richtlijn (EU) 2017/2455 van 5 december 2017, PbEU 2017, L 348, wordt onder meer per 1 januari 2019 de regeling van artikel 58 van de BTW-richtlijn 2006 inzake de plaats van telecommunicatie-, omroep- of langs elektronische weg verrichte diensten aan niet belastingplichtigen gewijzigd. Dat geldt ook voor de definities van in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige en het niet in de Gemeenschap geidentificeerd zijn van de artikelen 358bis en 361 van de BTW-richtlijn 2006. Tenslotte wordt met voornoemde richtlijn per 1 januari 2021 met een nieuw vierde lid en artikel 14bis van de BTW-richtlijn 2006 een regeling toegevoegd inzake intracommunautaire afstandsverkopen van goederen . In dat verband worden verder een aantal onderdelen aan diverse artikelen van de richtlijn toegevoegd en worden een aantal artikelen gewijzigd. Met die regeling wordt ingespeeld op de groei en de positie van de elektronische handel. De regels inzake het aantekening houden wijzigen overigens niet.
Aanpassing 2021
Met de richtlijn van 5 december 2017, nr. 2017/2455, PbEU 2017, L 348, richtlijn elektronische handel, zijn bepaalde btw-verplichtingen gesteld voor diensten en afstandsverkopen van goederen. Met de Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel is per 1 januari 2019 onder meer de artikel 28q Wet OB 1968 aangevuld een definitie van “niet in de Unie gevestigde ondernemer”.
Met de voorstellen voor een richtlijn en een uitvoeringsverordening van de Raad van 8 maart 2019, 7245/19, wordt per 1 januari 2021 voorzien in aanpassing van de regelgeving inzake de elektronische handel. Zie COM (2018) 819 final en COM (2019) 821 final.
De Raad heeft daar overeenstemming over bereikt. In dat verband heeft van 2 oktober 2019 tot en met 30 oktober 2019 een consultatie plaatsgevonden van een wetsvoorstel Implementatie artikel 2 en 3 richtlijn elektronische handel. In dat verband is voorzien in vervanging van de artikelen 28q, 28r, 28s en 28t van de Wet OB 1968. Aan die voornoemde artikelen worden een aantal (sub)artikelen toegevoegd.
Met de richtlijn van 21 november 2019, nr. 2019/1995, PbEU 2019, L310, V-N 2019/6.14, is een en ander in de richtlijn 2006/112, de zogenoemde BTW-richtlijn 2006, verwerkt. In dat verband is tevens met de Uitvoeringsverordening van 23 november 2019, nr. 2019/9026, per 1 januari 2020 de Uitvoeringsverordening 282/2011 aangepast.
In de Europese regelgeving is voorzien in een invoering van de nieuwe regeling voor diensten, afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen per 1 januari 2021. In verband met de problemen inzake het coronavirus en mede gezien de automatiseringsproblemen van een aantal lidstaten, waaronder Nederland, is inmiddels aangeven dat beoogd wordt de invoeringsdatum naar 1 juli 2021 te verschuiven. Zie daarvoor het voorstel van De Europese Commissie van 8 mei 2020, COM (2020) 198 final, 2020/0082 (CNS).
In de brief van 12 juni 2020, nr. 2020-0000101210, Kamerstukken II 2019-2020, 35 300IX, nr. 20, blz. 11, V-N 2020/33.3, inzake moties en toezeggingen geeft de staatssecretaris van Financiën aan dat het BTW e-commercepakket per 1 januari 2021 in de lidstaten moet zijn geïmplementeerd. Recent heeft de Europese Commissie in verband met de COVID-19 crisis voorgesteld de inwerkingtreding met 6 maanden uit te stellen. De lidstaten moeten daar wel unaniem mee instemmen. De Belastingdienst heeft aangegeven dat een volledige invoering per 1 januari 2021 niet mogelijk is. Daarvoor is de omvang van de wijzigingen per definitie veel te groot en te complex. Dat wordt versterkt door de status van de bestaande ICT-voorzieningen. De Belastingdienst is – zoals gemeld aan de Kamer – gestart met het onderzoek naar mogelijkheden om de mogelijke schade voor het bedrijfsleven te beperken met tijdelijke voorzieningen. De Belastingdienst maakt overigens wel een voorbehoud voor onder meer de ontwikkeling van de ICT-arbeidsmarkt.
Met het besluit van de Raad van 20 juli 2020, (EU) 2020/1109, tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/199, PbEU 2020, L244, is bepaald is dat de regels van voormelde richtlijnen nu per 1 juli 2021 in de wettelijke bepalingen van de lidstaten moeten zijn verwerkt. Bij brief van 4 september 2020, nr. 2020-0000153806, V-N 2020/44.10, heeft de staatssecretaris staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, J.A. Vijlbrief, de voorzitter van de Tweede Kamer een en ander medegedeeld. Bij die brief was het voornoemde besluit van 20 juli 2020 gevoegd. In Europees verband zal verder worden bezien of er tot uitstel tot 1 januari 2022 kan worden gekomen.
De vaste commissie voor Financiën heeft op 25 juni 2020 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de brief van de staatssecretaris van 12 juni 2020 inzake ‘Fiscale moties en toezeggingen 2020’.Met de brief van 15 september 2020, nr. 2020-0000165782, V-N 2020/51.9, gaat de staatssecretaris in op de vragen van de leden van de fractie CDA inzake het volledig implementeren van de e-commerce-richtlijn. Gemeld is dat de structurele IV-ondersteuning bij de Belastingdienst op 1 januari 2023 kan worden gerealiseerd, dit onder voorwaarde dat de capaciteit wordt opgeschaald. Ondersteuning per 1 januari 2022 waarbij deels gebruik wordt gemaakt van tijdelijke oplossingen is haalbaar. Aangegeven wordt verder dat lidstaten recent besloten hebben om op basis van een voorstel van de Europese Commissie de inwerkingtreding uit te stellen tot 1 juli 2021. De Nederlandse inzet is er echter op gericht extra uitstel te krijgen tot 1 januari 2022.
Met het voorstel Wet implementatie richtlijnen elektronische handel, Kamerstukken 35 527, zal worden voorzien in aanpassing van de Wet OB 1968. Dat betreft onder meer de vervanging en aanvulling van de huidige artikelen 28q, 28r, 28s en 28 t Wet OB 1968. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Invoering Wet Richtlijnen elektronische handel 1 juli 2021 haalbaar
In de brief van 19 januari 2021, nr. 2021-0000009117, V-N 2021/7.9, heeft de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, J.A. Vijlbrief is, zoals was toegezegd, de Voorzitter van de Tweede Kamer de stand van zaken gemeld inzake het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijnen elektronische handel, kamerstukken II, nr.35527. Nederland kan – anders dan de Kamer eerder is bericht – toch per 1 juli 2021 het wetsvoorstel uitvoeren. Deze versnelling ten opzichte van eerdere signalen is mogelijk via een zogenaamd “noodspoor”. Dit is een tijdelijke en beperkte oplossing waar risico’s en onzekerheden aan zijn verbonden. Het kabinet is echter van mening dat de nadelige gevolgen voor het bedrijfsleven van een latere uitvoering zo groot zijn dit noodspoor zal worden bewandeld. De bijbehorende risico’s zullen zoveel mogelijk worden gemitigeerd. Zie voor voornoemde brief verder artikel 28q Wet OB 1969, aantekening 1.7.
Staatssecretaris Vijlbrief van Financiën heeft de aanvullende nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijnen elektronische handel betreffende de implementatie van de BTW-e-commercerichtlijn aan de Tweede Kamer gezonden, zie Kamerstukken II 2020/21, 35527, nr. 11, V-N 2021/8.16. Hij geeft daarin aan dat met het ‘noodspoor’ de knelpunten van niet-tijdige implementatie worden weggenomen, maar dat het noodspoor zelf ook wel serieuze risico’s en onzekerheden kent. Het noodspoor is een tijdelijke en beperkte oplossing die eerder was aangekondigd.
Met de Wet implementatie richtlijnen elektronische handel, wet van 7 april 2021, Stb. 2021, 183, zal worden voorzien in vervanging van artikel 28t Wet OB 1968. Die wet treedt overigens in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In het besluit van de Raad van 20 juli 2020, nr. 2020/1109, PbEU 2020, L 244, is bepaald dat de lidstaten de bepalingen van de richtlijnen 2017/2455 en 2019/1995 moeten toepassen per 1 juli 2021. In dat verband zal artikel 28t Wet OB 1968 per die datum moeten zijn vervangen.
Met de Wet Implementatie richtlijnen elektronische handel van 7 april 2021, Stb. 2021, 183, wordt onder meer dit artikel 28t Wet OB 1968 vervangen. Met het koninklijk besluit van 28 mei 2021, Stb. 2021, 261, V-N 2021/27.13, is bepaald dat de Wet Implementatie richtlijnen elektronische handel (Stb. 2021, 183) in werking treedt met ingang van 1 juli 2021, daarmee vervalt derhalve dit artikel 28t.
Op 5 december 2017 heeft de Raad van de Europese Unie een richtlijn vastgesteld voor bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (hierna: richtlijn elektronische handel).1 Daarna is op 12 maart 2019 in de Raad overeenstemming bereikt over een richtlijn met nog enkele aanvullende bepalingen op de richtlijn elektronische handel (hierna: aanvullende richtlijn).2 Deze richtlijnen nopen tot aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968).
Het doel van de richtlijn elektronische handel is met name gericht op de modernisering en vereenvoudiging van de heffing en inning van de btw op grensoverschrijdende internetverkopen van goederen en diensten. Deze elektronische handel is de afgelopen jaren zeer fors gegroeid en de btw-regels moeten daarop worden aangepast, rekening houdend met het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming. Uitganspunt daarbij is dat de belastinginkomsten van de lidstaten van de Unie moeten worden beschermd en dat er gelijke concurrentievoorwaarden worden gecreëerd voor de betrokken bedrijven van binnen en buiten de Unie.3. Daarbij moeten de lasten voor het bedrijfsleven zo veel mogelijk worden beperkt.
De nieuwe btw-regels voor internetverkopen van goederen en diensten als gevolg van genoemde richtlijnen hebben in het bijzonder betrekking op de verkopen aan andere dan ondernemers, doorgaans particuliere consumenten en overheden. Maar wat goederen betreft hebben ze daarnaast in specifieke gevallen ook betrekking op verkopen aan bepaalde ondernemers.4. Al deze afnemers van goederen en diensten worden in dit algemene deel van de memorie voor de eenvoud aangeduid als consumenten. Een klein deel van de richtlijn elektronische handel, artikel 1, is met ingang van 1 januari 2019 reeds geïmplementeerd.5.
De artikelen 2 en 3 van de richtlijn elektronische handel en de aanvullende richtlijn moeten zijn geïmplementeerd met ingang van 1 januari 2021.6. Een belangrijk gevolg van deze implementatie is dat een omvangrijke uitbreiding wordt gerealiseerd van de btw-heffing via het éénloketsysteem, dat nu nog alleen van toepassing is op digitale diensten voor consumenten in de Unie door ondernemers die geen vestiging hebben in de lidstaat van de afnemer.7. Door de uitbreiding van de toepassing van het éénloketsysteem kunnen ondernemers straks de btw die verschuldigd is in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn afdragen via dit systeem voor alle diensten verricht voor consumenten in die lidstaat.
Ondernemers die binnen de Unie zogenoemde afstandsverkopen van goederen verrichten aan consumenten in andere lidstaten zullen door de nieuwe regels veel sneller dan nu de btw over die verkopen verschuldigd worden in de lidstaat van de consument. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming. Deze wijziging betekent wel dat deze ondernemers vaker met de btw-regels en tarieven van andere lidstaten te maken zullen hebben. In beginsel moeten zij zich dan bij de belastingdiensten van de lidstaten van de consument aanmelden en daar de btw aangeven en betalen. Echter, ook deze ondernemers kunnen door de toepassing van het éénloketsysteem desgewenst de btw voor andere lidstaten in de eigen lidstaat aangeven, afdragen en betalen.
Verder is het een belangrijke wijziging dat de richtlijn elektronische handel voorziet in de afschaffing van de btw-vrijstelling bij de invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 die worden geleverd door ondernemers van buiten de Unie aan consumenten binnen de Unie. Hiermee wordt voor alle goederenleveringen aan consumenten voor de btw een gelijk speelveld gecreëerd tussen leveranciers van binnen en buiten de Unie.
In samenhang met de afschaffing van de btw-vrijstelling voor de hiervoor genoemde goederenzendingen van buiten de Unie, wordt leveranciers voor dergelijke zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150 de gelegenheid geboden de btw over die verkopen aan te geven en af te dragen via een nieuw in te stellen toepassing van het éénloketsysteem: de zogenoemde invoerregeling. Wanneer een ondernemer de btw voor goederenzendingen van buiten de Unie gaat aangeven en betalen via de invoerregeling, dan wordt van deze goederen bij invoer niet nog eens btw geheven. Dit is één van de belangrijkste wijzigingen van het pakket maatregelen. Voor consumenten heeft de invoerregeling als voordeel dat zij de koopprijs inclusief btw betalen aan de leverancier en niet meer geconfronteerd worden met, soms door hen onvoorziene, btw of kosten van invoer nadat zij de goederen hebben besteld en betaald aan de leverancier.
Een groot deel van de afstandsverkopen van goederen wordt aan de consument verkocht via elektronische interfaces (handelsplatforms). Om een doeltreffende heffing en inning te bereiken van de btw die over die verkopen verschuldigd wordt door ondernemers van buiten de Unie, worden de elektronische interfaces voor die verkopen belastingplichtig gemaakt voor die btw.
1 Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348).
2 Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (PbEU 2019, L 310 ).
3 Onder «Unie» wordt in de memorie van toelichting verstaan het geheel van de grondgebieden van de lidstaten bedoeld in artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2006/112/EG.
4 Het gaat hierbij om ondernemers die alleen vrijgestelde prestaties verrichten en van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen als zodanig krachtens artikel 1a, tweede lid, Wet OB 1968, niet aan de belasting zijn onderworpen.
5 Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel. Het belangrijkste onderwerp daarbij is een tegemoetkoming aan vaak kleinere ondernemers die in beperkte mate digitale diensten verkopen aan andere dan ondernemers in andere lidstaten.
6 Inmiddels heeft de Europese Commissie voorgesteld de inwerkingtreding van het gehele pakket elektronische handel uit te stellen tot 1 juli 2021. 7 Onder «lidstaat» wordt in deze memorie van toelichting overeenkomstig artikel 2a, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968, verstaan: een lidstaat van de Europese Unie.
Tijdens het AO Belastingdienst van 4 maart 2020 is aan het kamerlid Omtzigt toegezegd dat de Kamer binnen een maand geïnformeerd zal worden over de implementatie van de richtlijn e-commerce.
In 2017 en 2019 zijn door de Raad EU btw-richtlijnen vastgesteld over elektronische handel: het BTW e-commercepakket. Met dit pakket wordt de btw-heffing bij grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten aan particulieren en niet-ondernemers in de EU gemoderniseerd. Tevens wordt hiermee een gelijk speelveld gecreëerd voor alle verkopers binnen en buiten de Unie. Het BTW e-commercepakket moet per 1 januari 2021 in de lidstaten zijn geïmplementeerd. De Europese Commissie heeft echter in verband met de COVID-19 crisis zeer recent voorgesteld de inwerkingtreding met 6 maanden uit te stellen. De lidstaten moeten unaniem instemmen met dit uitstel. Op dit moment vinden hier onderhandelingen over plaats. Wij streven ernaar om het wetsvoorstel voor de zomer naar uw Kamer te sturen.
De Belastingdienst heeft aangegeven dat een volledige invoering per 1 januari 2021 niet mogelijk is. Daarvoor is de omvang van de wijzigingen per definitie veel te groot en te complex. Dat wordt versterkt door de status van de bestaande ICT-voorzieningen. De Belastingdienst is – zoals gemeld in mijn brief aan uw Kamer van 27 februari jl. – gestart met het onderzoek naar mogelijkheden om de mogelijke schade voor het bedrijfsleven te beperken met tijdelijke voorzieningen. De Europese Commissie is ook bij dit onderzoek betrokken. Eén van de tussentijdse bevindingen is dat nu al duidelijk is dat de Douane per 1 januari 2021 een nieuw aangiftesysteem voor de invoer van goederen uit dit e-commercepakket gereed zal hebben. Voor de zomer is het onderzoek afgerond. Wij zullen uw Kamer daarna zo spoedig mogelijk informeren.
Wij willen u hierbij melden dat de Belastingdienst inmiddels is begonnen met de opbouw voor de start van de implementatie van het structurele systeem. Dit is hoe dan ook nodig. Wanneer er tijdelijke voorzieningen komen, moeten deze hoe dan ook weer worden vervangen door structurele. Daarom zijn vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek, voor de Belastingdienst de benodigde middelen vrijgemaakt en wordt er prioriteit aan dit dossier gegeven. Er wordt door de Belastingdienst wel een voorbehoud gemaakt voor externe omstandigheden zoals nu nog niet voorziene andere wetgevingstrajecten, de ontwikkeling van de ICT-arbeidsmarkt, etc.
Redactie Vakstudie Nieuws bij geeft bij brief Staatssecretaris van Financiën van 19 januari 2021, nr. 2021-0000009117, V-N 2021/7.9, aan dat eerder was aangekondigd dat handmatige oplossingen niet zouden worden geschuwd. de staatssecretaris kondigt nu een soort hybride oplossing aan. De overheid heeft helaas geen goede naam op het gebied van ICT en dit extra werk komt nog eens bovenop de vele andere problemen en uitdagingen die de Belastingdienst al heeft. Vanaf 1 juli 2021 zijn de bepalingen van de EU-e-commerce-richtlijn van toepassing. Het is zaak dat Nederland klaar staat. Gerust zijn ze er nog niet helemaal op. Het lijkt echter het best haalbare, nu verder uitstel definitief is verkeken. De zorgen betreffen vooral de BTW bij invoer van pakketjes uit derde landen (inclusief het Verenigd Koninkrijk, exclusief Noord-Ierland). De invoerregeling lijkt klaar, maar het blijft oppassen geblazen dat de consument de BTW niet twee keer betaalt. Dat staat los van de oplossing van de ICT-problemen.
Redactie Vakstudie Nieuws bij brief staatssecretaris van Financiën van 4 september 2020, nr. 2020-0000153806, V-N 2020/44.10, geeft aan dat gelet op de belangen van alle betrokkenen – niet alleen de Belastingdienst, maar ook de ondernemers – uitstel van inwerkingtreding van de nieuwe e-commerceregels in de BTW een goed idee is. Het ligt in de lijn der verwachting dat meer lidstaten blij zullen zijn met het voorstel van Nederland en Duitsland. De media worden beheerst door de strijd tegen Covid-19 en de autoriteiten zijn druk met het bedenken en uitvoeren van regelgeving en beleid om de samenleving (en de economie) zoveel mogelijk te beschermen en door te laten draaien. Het is niet uitgesloten dat sommige lidstaten wel op tijd klaar zijn en liever geen uitstel willen (want dat levert hun wellicht meer werk en gedoe op). Dan is van belang dat besluiten over fiscaliteit unaniem moeten worden genomen. Nederland is een groot voorstander van handhaving van de eis van unanimiteit. Het is mogelijk dat lidstaten die liever geen uitstel willen, zullen aandringen op een ruil: voor wat, hoort wat. Het is dus zeker interessant het verloop van het voorstel te volgen. Zij zijn benieuwd naar het plan B, indien de Staatssecretaris van Financiën tot de conclusie komt dat verder uitstel er niet in zit. Het plan B zal dan schipperen worden tussen de plicht die Nederland heeft om het Unierecht trouw en tijdig te implementeren, en de schadeplicht die optreedt zodra dit niet mogelijk is. Laten we hopen dat dit allemaal niet nodig is.
Redactie Vakstudie Nieuws geeft bij brief Staatssecretaris van Financiën van 12 juni 2020, nr. 2020-0000101210, Kamerstukken II 2019-2020, 35 300IX, nr. 20, blz. 11, V-N 2020/33.3, aan dat als gevolg van de wijziging van de Btw-richtlijn de regeling rond de plaats van de prestatie voor het grensoverschrijdende verkeer van goederen en diensten aan consumenten (B2C) binnen de EU op de schop gaat. Er komen ook nieuwe belastingplichtigen bij, zoals de internetplatforms die de verkoop faciliteren. Het gebruik van MOSS (mini one-stop shop, straks OSS, al had als nieuwe naam maxi one-stop shop beter gepast) zal een enorme vlucht nemen. Dit alles vergt enorme IT-aanpassingen van alle betrokkenen, verkopers, platforms en belastingdiensten. De Nederlandse Belastingdienst redt het niet vóór 1 januari 2021, zoveel is inmiddels duidelijk. Ook in andere EU-lidstaten zijn problemen gerezen. De Commissie wil de invoering daarom uitstellen tot 1 juli 2021, een welkome verlenging in deze tijden van corona. Alleen de douane schijnt het systeem voor pakketjes met een waarde van minder dan € 22 op tijd klaar te hebben. Ook dit zal moeten wachten, omdat gespreide invoering van de maatregelen de situatie alleen maar verder compliceert.
Vakstudie Omzetbelasting, art. 28t Wet OB 1968, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 16-04-2026
16-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28.
08-10-2003 tot: 01-07-2021
Vakstudie Omzetbelasting, art. 28t Wet OB 1968, aant. 1.1
Omzetbelasting / Facturering en administratie
Omzetbelasting / Bijzondere OB-regelingen
administratieve verplichtingen
regeling elektronische diensten
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 28t
Beschouwing
Op basis van een wijziging in de Zesde richtlijn is per 8 oktober 2003 een nieuwe wettelijke regeling ingevoerd voor de plaats van de prestatie van zogenoemde elektronische diensten. De regeling is thans opgenomen in de BTW-richtlijn 2006. Voorzien was dat de regeling voor drie jaar zou gelden. De regeling is verlengd tot en met 31 december 2006. Inmiddels is de werkingsduur van de regeling verder verlengd tot en met 31 december 2008 en vervolgens verder verlengd tot 31 december 2014.
In dat verband wordt een onderscheid gemaakt naar aanbieders van binnen en buiten de EU. Zie voor de regeling van de plaats van dienst verder art. 6, 6i en 6j Wet OB 1968, tot 1 januari 2010 de art. 6, tweede lid, onderdeel d, onder 10° en art. 6, tweede lid, onderdeel f, Wet OB 1968.
Niet in de EU gevestigde aanbieders die in de EU omzetbelasting zijn verschuldigd voor langs elektronische weg verrichte diensten, en per 1 januari 2015 voor telecommunicatiediensten en omroepdiensten, verricht aan niet-belastingplichtigen die wonen of zijn gevestigd in de EU kunnen voor de aangifte en afdracht van die omzetbelasting gebruikmaken van een bijzondere regeling. Die regeling is opgenomen in art. 28q t/m 28t Wet OB 1968. In voornoemd art. 28t zijn de bij toepassing van die regeling geldende administratieve verplichtingen opgenomen.
Overigens vindt er, als sprake is van diensten van niet-EU-aanbieders aan ondernemers, verlegging van de heffing naar de afnemer plaats.
Die niet-EU-aanbieders kunnen ervoor kiezen zich slechts in één lidstaat te identificeren voor de heffing van omzetbelasting. Die niet-EU-aanbieders mogen dan ook aangifte doen van de verschuldigde omzetbelasting van de diensten in alle lidstaten in de lidstaat van identificatie. De lidstaat van identificatie draagt zorg voor informatie aan de andere lidstaten en een juiste verdeling van de betaalde omzetbelasting over de diverse lidstaten. Voor de eventuele aftrek van omzetbelasting moet de niet-EU-aanbieder overigens wel in elke lidstaat apart op de gebruikelijke wijze een verzoek om teruggaaf doen. De niet-EU-aanbieder die geen gebruikmaakt van de bijzondere regeling zal zich in elke lidstaat moeten identificeren en aangifte moeten doen.
Als de keuze in dezen valt op Nederland dient de niet-EU-aanbieder zich via de site van de belastingdienst (www.belastingdienst.nl) aan te melden. Er moet dan in Nederland aangifte worden gedaan voor alle diensten die in EU-lidstaten worden verricht. De Belastingdienst/kantoor Buitenland, Postbus 2865, 6401 DJ Heerlen, contact Belastingtelefoon Buitenland 055/538538, is belast met de uitvoering van deze bijzondere regeling.
Met de Uitvoeringsverordening, Verordening van 15 maart 2011, nr. 282/2011, PbEU l77, per 1 januari 2015 gewijzigd bij verordening van 9 oktober 2012, nr. 967/2012 PbEU 2012, is nader invulling gegeven aan de bijzondere regeling voor telecommunicatiediensten, omroepdiensten of elektronische diensten.
Met richtlijn (EU) 2017/2455 van 5 december 2017, PbEU 2017, L 348, wordt onder meer per 1 januari 2019 de regeling van artikel 58 van de BTW-richtlijn 2006 inzake de plaats van telecommunicatie-, omroep- of langs elektronische weg verrichte diensten aan niet belastingplichtigen gewijzigd. Dat geldt ook voor de definities van in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige en het niet in de Gemeenschap geidentificeerd zijn van de artikelen 358bis en 361 van de BTW-richtlijn 2006. Tenslotte wordt met voornoemde richtlijn per 1 januari 2021 met een nieuw vierde lid en artikel 14bis van de BTW-richtlijn 2006 een regeling toegevoegd inzake intracommunautaire afstandsverkopen van goederen . In dat verband worden verder een aantal onderdelen aan diverse artikelen van de richtlijn toegevoegd en worden een aantal artikelen gewijzigd. Met die regeling wordt ingespeeld op de groei en de positie van de elektronische handel. De regels inzake het aantekening houden wijzigen overigens niet.
Aanpassing 2021
Met de richtlijn van 5 december 2017, nr. 2017/2455, PbEU 2017, L 348, richtlijn elektronische handel, zijn bepaalde btw-verplichtingen gesteld voor diensten en afstandsverkopen van goederen. Met de Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel is per 1 januari 2019 onder meer de artikel 28q Wet OB 1968 aangevuld een definitie van “niet in de Unie gevestigde ondernemer”.
Met de voorstellen voor een richtlijn en een uitvoeringsverordening van de Raad van 8 maart 2019, 7245/19, wordt per 1 januari 2021 voorzien in aanpassing van de regelgeving inzake de elektronische handel. Zie COM (2018) 819 final en COM (2019) 821 final.
De Raad heeft daar overeenstemming over bereikt. In dat verband heeft van 2 oktober 2019 tot en met 30 oktober 2019 een consultatie plaatsgevonden van een wetsvoorstel Implementatie artikel 2 en 3 richtlijn elektronische handel. In dat verband is voorzien in vervanging van de artikelen 28q, 28r, 28s en 28t van de Wet OB 1968. Aan die voornoemde artikelen worden een aantal (sub)artikelen toegevoegd.
Met de richtlijn van 21 november 2019, nr. 2019/1995, PbEU 2019, L310, V-N 2019/6.14, is een en ander in de richtlijn 2006/112, de zogenoemde BTW-richtlijn 2006, verwerkt. In dat verband is tevens met de Uitvoeringsverordening van 23 november 2019, nr. 2019/9026, per 1 januari 2020 de Uitvoeringsverordening 282/2011 aangepast.
In de Europese regelgeving is voorzien in een invoering van de nieuwe regeling voor diensten, afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen per 1 januari 2021. In verband met de problemen inzake het coronavirus en mede gezien de automatiseringsproblemen van een aantal lidstaten, waaronder Nederland, is inmiddels aangeven dat beoogd wordt de invoeringsdatum naar 1 juli 2021 te verschuiven. Zie daarvoor het voorstel van De Europese Commissie van 8 mei 2020, COM (2020) 198 final, 2020/0082 (CNS).
In de brief van 12 juni 2020, nr. 2020-0000101210, Kamerstukken II 2019-2020, 35 300IX, nr. 20, blz. 11, V-N 2020/33.3, inzake moties en toezeggingen geeft de staatssecretaris van Financiën aan dat het BTW e-commercepakket per 1 januari 2021 in de lidstaten moet zijn geïmplementeerd. Recent heeft de Europese Commissie in verband met de COVID-19 crisis voorgesteld de inwerkingtreding met 6 maanden uit te stellen. De lidstaten moeten daar wel unaniem mee instemmen. De Belastingdienst heeft aangegeven dat een volledige invoering per 1 januari 2021 niet mogelijk is. Daarvoor is de omvang van de wijzigingen per definitie veel te groot en te complex. Dat wordt versterkt door de status van de bestaande ICT-voorzieningen. De Belastingdienst is – zoals gemeld aan de Kamer – gestart met het onderzoek naar mogelijkheden om de mogelijke schade voor het bedrijfsleven te beperken met tijdelijke voorzieningen. De Belastingdienst maakt overigens wel een voorbehoud voor onder meer de ontwikkeling van de ICT-arbeidsmarkt.
Met het besluit van de Raad van 20 juli 2020, (EU) 2020/1109, tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/199, PbEU 2020, L244, is bepaald is dat de regels van voormelde richtlijnen nu per 1 juli 2021 in de wettelijke bepalingen van de lidstaten moeten zijn verwerkt. Bij brief van 4 september 2020, nr. 2020-0000153806, V-N 2020/44.10, heeft de staatssecretaris staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, J.A. Vijlbrief, de voorzitter van de Tweede Kamer een en ander medegedeeld. Bij die brief was het voornoemde besluit van 20 juli 2020 gevoegd. In Europees verband zal verder worden bezien of er tot uitstel tot 1 januari 2022 kan worden gekomen.
De vaste commissie voor Financiën heeft op 25 juni 2020 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de brief van de staatssecretaris van 12 juni 2020 inzake ‘Fiscale moties en toezeggingen 2020’.Met de brief van 15 september 2020, nr. 2020-0000165782, V-N 2020/51.9, gaat de staatssecretaris in op de vragen van de leden van de fractie CDA inzake het volledig implementeren van de e-commerce-richtlijn. Gemeld is dat de structurele IV-ondersteuning bij de Belastingdienst op 1 januari 2023 kan worden gerealiseerd, dit onder voorwaarde dat de capaciteit wordt opgeschaald. Ondersteuning per 1 januari 2022 waarbij deels gebruik wordt gemaakt van tijdelijke oplossingen is haalbaar. Aangegeven wordt verder dat lidstaten recent besloten hebben om op basis van een voorstel van de Europese Commissie de inwerkingtreding uit te stellen tot 1 juli 2021. De Nederlandse inzet is er echter op gericht extra uitstel te krijgen tot 1 januari 2022.
Met het voorstel Wet implementatie richtlijnen elektronische handel, Kamerstukken 35 527, zal worden voorzien in aanpassing van de Wet OB 1968. Dat betreft onder meer de vervanging en aanvulling van de huidige artikelen 28q, 28r, 28s en 28 t Wet OB 1968. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Invoering Wet Richtlijnen elektronische handel 1 juli 2021 haalbaar
In de brief van 19 januari 2021, nr. 2021-0000009117, V-N 2021/7.9, heeft de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, J.A. Vijlbrief is, zoals was toegezegd, de Voorzitter van de Tweede Kamer de stand van zaken gemeld inzake het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijnen elektronische handel, kamerstukken II, nr.35527. Nederland kan – anders dan de Kamer eerder is bericht – toch per 1 juli 2021 het wetsvoorstel uitvoeren. Deze versnelling ten opzichte van eerdere signalen is mogelijk via een zogenaamd “noodspoor”. Dit is een tijdelijke en beperkte oplossing waar risico’s en onzekerheden aan zijn verbonden. Het kabinet is echter van mening dat de nadelige gevolgen voor het bedrijfsleven van een latere uitvoering zo groot zijn dit noodspoor zal worden bewandeld. De bijbehorende risico’s zullen zoveel mogelijk worden gemitigeerd. Zie voor voornoemde brief verder artikel 28q Wet OB 1969, aantekening 1.7.
Staatssecretaris Vijlbrief van Financiën heeft de aanvullende nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet implementatie richtlijnen elektronische handel betreffende de implementatie van de BTW-e-commercerichtlijn aan de Tweede Kamer gezonden, zie Kamerstukken II 2020/21, 35527, nr. 11, V-N 2021/8.16. Hij geeft daarin aan dat met het ‘noodspoor’ de knelpunten van niet-tijdige implementatie worden weggenomen, maar dat het noodspoor zelf ook wel serieuze risico’s en onzekerheden kent. Het noodspoor is een tijdelijke en beperkte oplossing die eerder was aangekondigd.
Vervanging artikel 28t Wet OB 1968
Met de Wet implementatie richtlijnen elektronische handel, wet van 7 april 2021, Stb. 2021, 183, zal worden voorzien in vervanging van artikel 28t Wet OB 1968. Die wet treedt overigens in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In het besluit van de Raad van 20 juli 2020, nr. 2020/1109, PbEU 2020, L 244, is bepaald dat de lidstaten de bepalingen van de richtlijnen 2017/2455 en 2019/1995 moeten toepassen per 1 juli 2021. In dat verband zal artikel 28t Wet OB 1968 per die datum moeten zijn vervangen.
Wet implementatie richtlijnen elektronische handel
Met de Wet Implementatie richtlijnen elektronische handel van 7 april 2021, Stb. 2021, 183, wordt onder meer dit artikel 28t Wet OB 1968 vervangen. Met het koninklijk besluit van 28 mei 2021, Stb. 2021, 261, V-N 2021/27.13, is bepaald dat de Wet Implementatie richtlijnen elektronische handel (Stb. 2021, 183) in werking treedt met ingang van 1 juli 2021, daarmee vervalt derhalve dit artikel 28t.
Parlementaire behandeling. Implementatie richtlijnen elektronische handel
'(…)
Op 5 december 2017 heeft de Raad van de Europese Unie een richtlijn vastgesteld voor bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (hierna: richtlijn elektronische handel).1 Daarna is op 12 maart 2019 in de Raad overeenstemming bereikt over een richtlijn met nog enkele aanvullende bepalingen op de richtlijn elektronische handel (hierna: aanvullende richtlijn).2 Deze richtlijnen nopen tot aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968).
Het doel van de richtlijn elektronische handel is met name gericht op de modernisering en vereenvoudiging van de heffing en inning van de btw op grensoverschrijdende internetverkopen van goederen en diensten. Deze elektronische handel is de afgelopen jaren zeer fors gegroeid en de btw-regels moeten daarop worden aangepast, rekening houdend met het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming. Uitganspunt daarbij is dat de belastinginkomsten van de lidstaten van de Unie moeten worden beschermd en dat er gelijke concurrentievoorwaarden worden gecreëerd voor de betrokken bedrijven van binnen en buiten de Unie.3. Daarbij moeten de lasten voor het bedrijfsleven zo veel mogelijk worden beperkt.
De nieuwe btw-regels voor internetverkopen van goederen en diensten als gevolg van genoemde richtlijnen hebben in het bijzonder betrekking op de verkopen aan andere dan ondernemers, doorgaans particuliere consumenten en overheden. Maar wat goederen betreft hebben ze daarnaast in specifieke gevallen ook betrekking op verkopen aan bepaalde ondernemers.4. Al deze afnemers van goederen en diensten worden in dit algemene deel van de memorie voor de eenvoud aangeduid als consumenten. Een klein deel van de richtlijn elektronische handel, artikel 1, is met ingang van 1 januari 2019 reeds geïmplementeerd.5.
De artikelen 2 en 3 van de richtlijn elektronische handel en de aanvullende richtlijn moeten zijn geïmplementeerd met ingang van 1 januari 2021.6. Een belangrijk gevolg van deze implementatie is dat een omvangrijke uitbreiding wordt gerealiseerd van de btw-heffing via het éénloketsysteem, dat nu nog alleen van toepassing is op digitale diensten voor consumenten in de Unie door ondernemers die geen vestiging hebben in de lidstaat van de afnemer.7. Door de uitbreiding van de toepassing van het éénloketsysteem kunnen ondernemers straks de btw die verschuldigd is in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn afdragen via dit systeem voor alle diensten verricht voor consumenten in die lidstaat.
Ondernemers die binnen de Unie zogenoemde afstandsverkopen van goederen verrichten aan consumenten in andere lidstaten zullen door de nieuwe regels veel sneller dan nu de btw over die verkopen verschuldigd worden in de lidstaat van de consument. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het beginsel van belastingheffing in het land van bestemming. Deze wijziging betekent wel dat deze ondernemers vaker met de btw-regels en tarieven van andere lidstaten te maken zullen hebben. In beginsel moeten zij zich dan bij de belastingdiensten van de lidstaten van de consument aanmelden en daar de btw aangeven en betalen. Echter, ook deze ondernemers kunnen door de toepassing van het éénloketsysteem desgewenst de btw voor andere lidstaten in de eigen lidstaat aangeven, afdragen en betalen.
Verder is het een belangrijke wijziging dat de richtlijn elektronische handel voorziet in de afschaffing van de btw-vrijstelling bij de invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 die worden geleverd door ondernemers van buiten de Unie aan consumenten binnen de Unie. Hiermee wordt voor alle goederenleveringen aan consumenten voor de btw een gelijk speelveld gecreëerd tussen leveranciers van binnen en buiten de Unie.
In samenhang met de afschaffing van de btw-vrijstelling voor de hiervoor genoemde goederenzendingen van buiten de Unie, wordt leveranciers voor dergelijke zendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150 de gelegenheid geboden de btw over die verkopen aan te geven en af te dragen via een nieuw in te stellen toepassing van het éénloketsysteem: de zogenoemde invoerregeling. Wanneer een ondernemer de btw voor goederenzendingen van buiten de Unie gaat aangeven en betalen via de invoerregeling, dan wordt van deze goederen bij invoer niet nog eens btw geheven. Dit is één van de belangrijkste wijzigingen van het pakket maatregelen. Voor consumenten heeft de invoerregeling als voordeel dat zij de koopprijs inclusief btw betalen aan de leverancier en niet meer geconfronteerd worden met, soms door hen onvoorziene, btw of kosten van invoer nadat zij de goederen hebben besteld en betaald aan de leverancier.
Een groot deel van de afstandsverkopen van goederen wordt aan de consument verkocht via elektronische interfaces (handelsplatforms). Om een doeltreffende heffing en inning te bereiken van de btw die over die verkopen verschuldigd wordt door ondernemers van buiten de Unie, worden de elektronische interfaces voor die verkopen belastingplichtig gemaakt voor die btw.
1 Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PbEU 2017, L 348).
2 Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (PbEU 2019, L 310 ).
3 Onder «Unie» wordt in de memorie van toelichting verstaan het geheel van de grondgebieden van de lidstaten bedoeld in artikel 5, eerste lid, van Richtlijn 2006/112/EG.
4 Het gaat hierbij om ondernemers die alleen vrijgestelde prestaties verrichten en van wie de intracommunautaire verwervingen van goederen als zodanig krachtens artikel 1a, tweede lid, Wet OB 1968, niet aan de belasting zijn onderworpen.
5 Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel. Het belangrijkste onderwerp daarbij is een tegemoetkoming aan vaak kleinere ondernemers die in beperkte mate digitale diensten verkopen aan andere dan ondernemers in andere lidstaten.
6 Inmiddels heeft de Europese Commissie voorgesteld de inwerkingtreding van het gehele pakket elektronische handel uit te stellen tot 1 juli 2021. 7 Onder «lidstaat» wordt in deze memorie van toelichting overeenkomstig artikel 2a, eerste lid, onderdeel b, Wet OB 1968, verstaan: een lidstaat van de Europese Unie.
(…)'
Kamerstukken II 2019-2020, 35527, nr. 3, p. 2 en 3.
'(…)
E-commerce
Tijdens het AO Belastingdienst van 4 maart 2020 is aan het kamerlid Omtzigt toegezegd dat de Kamer binnen een maand geïnformeerd zal worden over de implementatie van de richtlijn e-commerce.
In 2017 en 2019 zijn door de Raad EU btw-richtlijnen vastgesteld over elektronische handel: het BTW e-commercepakket. Met dit pakket wordt de btw-heffing bij grensoverschrijdende leveringen van goederen en diensten aan particulieren en niet-ondernemers in de EU gemoderniseerd. Tevens wordt hiermee een gelijk speelveld gecreëerd voor alle verkopers binnen en buiten de Unie. Het BTW e-commercepakket moet per 1 januari 2021 in de lidstaten zijn geïmplementeerd. De Europese Commissie heeft echter in verband met de COVID-19 crisis zeer recent voorgesteld de inwerkingtreding met 6 maanden uit te stellen. De lidstaten moeten unaniem instemmen met dit uitstel. Op dit moment vinden hier onderhandelingen over plaats. Wij streven ernaar om het wetsvoorstel voor de zomer naar uw Kamer te sturen.
De Belastingdienst heeft aangegeven dat een volledige invoering per 1 januari 2021 niet mogelijk is. Daarvoor is de omvang van de wijzigingen per definitie veel te groot en te complex. Dat wordt versterkt door de status van de bestaande ICT-voorzieningen. De Belastingdienst is – zoals gemeld in mijn brief aan uw Kamer van 27 februari jl. – gestart met het onderzoek naar mogelijkheden om de mogelijke schade voor het bedrijfsleven te beperken met tijdelijke voorzieningen. De Europese Commissie is ook bij dit onderzoek betrokken. Eén van de tussentijdse bevindingen is dat nu al duidelijk is dat de Douane per 1 januari 2021 een nieuw aangiftesysteem voor de invoer van goederen uit dit e-commercepakket gereed zal hebben. Voor de zomer is het onderzoek afgerond. Wij zullen uw Kamer daarna zo spoedig mogelijk informeren.
Wij willen u hierbij melden dat de Belastingdienst inmiddels is begonnen met de opbouw voor de start van de implementatie van het structurele systeem. Dit is hoe dan ook nodig. Wanneer er tijdelijke voorzieningen komen, moeten deze hoe dan ook weer worden vervangen door structurele. Daarom zijn vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek, voor de Belastingdienst de benodigde middelen vrijgemaakt en wordt er prioriteit aan dit dossier gegeven. Er wordt door de Belastingdienst wel een voorbehoud gemaakt voor externe omstandigheden zoals nu nog niet voorziene andere wetgevingstrajecten, de ontwikkeling van de ICT-arbeidsmarkt, etc.
(…)'
Brief Staatssecretaris van Financiën van 12 juni 2020, nr. 2020-0000101210, Kamerstukken II 2019/20, 35300IX, nr. 20, blz. 11, V-N 2020/33.3.
Redactie Vakstudie Nieuws bij geeft bij brief Staatssecretaris van Financiën van 19 januari 2021, nr. 2021-0000009117, V-N 2021/7.9, aan dat eerder was aangekondigd dat handmatige oplossingen niet zouden worden geschuwd. de staatssecretaris kondigt nu een soort hybride oplossing aan. De overheid heeft helaas geen goede naam op het gebied van ICT en dit extra werk komt nog eens bovenop de vele andere problemen en uitdagingen die de Belastingdienst al heeft. Vanaf 1 juli 2021 zijn de bepalingen van de EU-e-commerce-richtlijn van toepassing. Het is zaak dat Nederland klaar staat. Gerust zijn ze er nog niet helemaal op. Het lijkt echter het best haalbare, nu verder uitstel definitief is verkeken. De zorgen betreffen vooral de BTW bij invoer van pakketjes uit derde landen (inclusief het Verenigd Koninkrijk, exclusief Noord-Ierland). De invoerregeling lijkt klaar, maar het blijft oppassen geblazen dat de consument de BTW niet twee keer betaalt. Dat staat los van de oplossing van de ICT-problemen.
Redactie Vakstudie Nieuws bij brief staatssecretaris van Financiën van 4 september 2020, nr. 2020-0000153806, V-N 2020/44.10, geeft aan dat gelet op de belangen van alle betrokkenen – niet alleen de Belastingdienst, maar ook de ondernemers – uitstel van inwerkingtreding van de nieuwe e-commerceregels in de BTW een goed idee is. Het ligt in de lijn der verwachting dat meer lidstaten blij zullen zijn met het voorstel van Nederland en Duitsland. De media worden beheerst door de strijd tegen Covid-19 en de autoriteiten zijn druk met het bedenken en uitvoeren van regelgeving en beleid om de samenleving (en de economie) zoveel mogelijk te beschermen en door te laten draaien. Het is niet uitgesloten dat sommige lidstaten wel op tijd klaar zijn en liever geen uitstel willen (want dat levert hun wellicht meer werk en gedoe op). Dan is van belang dat besluiten over fiscaliteit unaniem moeten worden genomen. Nederland is een groot voorstander van handhaving van de eis van unanimiteit. Het is mogelijk dat lidstaten die liever geen uitstel willen, zullen aandringen op een ruil: voor wat, hoort wat. Het is dus zeker interessant het verloop van het voorstel te volgen. Zij zijn benieuwd naar het plan B, indien de Staatssecretaris van Financiën tot de conclusie komt dat verder uitstel er niet in zit. Het plan B zal dan schipperen worden tussen de plicht die Nederland heeft om het Unierecht trouw en tijdig te implementeren, en de schadeplicht die optreedt zodra dit niet mogelijk is. Laten we hopen dat dit allemaal niet nodig is.
Redactie Vakstudie Nieuws geeft bij brief Staatssecretaris van Financiën van 12 juni 2020, nr. 2020-0000101210, Kamerstukken II 2019-2020, 35 300IX, nr. 20, blz. 11, V-N 2020/33.3, aan dat als gevolg van de wijziging van de Btw-richtlijn de regeling rond de plaats van de prestatie voor het grensoverschrijdende verkeer van goederen en diensten aan consumenten (B2C) binnen de EU op de schop gaat. Er komen ook nieuwe belastingplichtigen bij, zoals de internetplatforms die de verkoop faciliteren. Het gebruik van MOSS (mini one-stop shop, straks OSS, al had als nieuwe naam maxi one-stop shop beter gepast) zal een enorme vlucht nemen. Dit alles vergt enorme IT-aanpassingen van alle betrokkenen, verkopers, platforms en belastingdiensten. De Nederlandse Belastingdienst redt het niet vóór 1 januari 2021, zoveel is inmiddels duidelijk. Ook in andere EU-lidstaten zijn problemen gerezen. De Commissie wil de invoering daarom uitstellen tot 1 juli 2021, een welkome verlenging in deze tijden van corona. Alleen de douane schijnt het systeem voor pakketjes met een waarde van minder dan € 22 op tijd klaar te hebben. Ook dit zal moeten wachten, omdat gespreide invoering van de maatregelen de situatie alleen maar verder compliceert.
Voetnoten
3.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35527-3.html#ID-940474-d36e339
4.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35527-3.html#ID-940474-d36e351
5.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35527-3.html#ID-940474-d36e360
6.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35527-3.html#ID-940474-d36e373
7.
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35527-3.html#ID-940474-d36e382