De erf- en schenkbelasting hebben dezelfde twee tariefgroepen. Tariefgroep I is voor partners en (klein)kinderen. Het tarief in 2025 is voor kinderen en partners 10% over een verkrijging tot en met € 154.197 en daarboven 20%. Voor (achter)kleinkinderen zijn de tarieven 18% en 36%. Tariefgroep II is voor andere verkrijgers. Hun tarief is 30% en 40%.
Bij de schenking van een onroerende zaak kan ook overdrachtsbelasting zijn verschuldigd. Er is een samenloopregeling om samenloop van schenk- en overdrachtsbelasting te voorkomen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 24
In aant. 1 wordt ingegaan op een aantal algemene aspecten van het tarief voor de schenk- en erfbelasting dat is opgenomen in artikel 24. In aant. 1.2 zijn een historisch en een chronologisch overzicht opgenomen van alle wijzigingen van het artikel sinds de invoering daarvan in 1956. Aant 1.3 bevat een literatuuropgave. Aant. 1.4 gaat in op doel en strekking en in aant. 1.6 wordt ingegaan op de context van artikel 24 binnen de Successiewet.
In aan. 1.7 wordt kort aandacht besteed aan de indexatie van de tariefschijf voor tariefgroep 1 en 2.
In aant. 1.8 worden internationale aspecten behandeld: EVRM en family life (aant. 1.8.1) en het OESO-rapport over erfbelasting (aant 1.8.2).
Aant. 1.13 geeft een overzicht van het tegemoetkomende hardheidsclausulebeleid in de tariefsfeer. Aant. 1.14 bevat een overzicht van het afwijzende hardheidsclausulebeleid. In aant. 1.15 wordt vervallen beleid uit de Leidraad en PW-beslissingen behandeld.
Aant. 1.20 behandelt parlementaire ontwikkelingen op het gebied van het familierecht (aant. 1.20.1), het onderzoek naar de tarief- en grondslagstructuur (aant. 1.20.2). In aant. 1.20.3 wordt ingegaan op het voorstel de fiscale regelingen rondom beloningen voor mantelzorg aan te passen.
In aant. 1.21 wordt aandacht besteed aan de internetconsultatie van het wetsvoorstel Wet modernisering personenvennootschappen.
In aant. 1.22 is het initiatiefwetsvoorstel opgenomen om in de Grondwet om een bepaling op te nemen betreffende het gezins- en familieleven.
2. De tariefstructuur
Het tarief van de schenk- en erfbelasting heeft twee progressies. De eerste gaat uit van de mate van verwantschap tussen de erflater of de schenker en de verkrijger. De tweede progressie is afhankelijk van de omvang van de verkrijging. Het verband tussen het tarief en de omvang van de verkrijging is vorm gegeven in een oplopend schijventarief (aant. 2). De tarieven kennen een dubbele progressie. Het tarief neemt niet alleen toe met de omvang van de verkrijging, maar is tevens zwaarder naarmate de relatie tussen de erflater of de schenker verondersteld wordt minder hecht te zijn (aant. 2.1). In aant. 2.2 wordt aandacht besteed aan de totstandkoming en de achtergronden van de huidige tariefopbouw. De invoering van een zogeheten derde progressie, die de hoogte van het tarief mede afhankelijk maakt van de financiële situatie van de verkrijger, is afgewezen (aant. 2.3). In sommige situaties gelden speciale tariefbepalingen (aant. 2.4).
3. Tariefgroepen I en II
Voor de erf- en schenkbelasting zijn er vanaf 1 januari 2010 twee tariefgroepen. Tariefgroep I (aant. 3.1) is voor partners en afstammelingen in de rechte lijn. De tarieven zijn 10% en 20%. Voor (achter)kleinkinderen geldt een opslag van 80%. Hun tarief is daardoor 18% en 36%. Tariefgroep II geldt voor de overige verkrijgers. Hun tarieven zijn 30% en 40% (aant. 3.2). In aant. 3.3 is een overzicht opgenomen van het verloop van de tariefschijf in de voorgaande jaren. In aant. 3.4 wordt ingegaan op het tijdstip waarnaar de tariefgroepindeling moet worden beoordeeld en in aant. 3.5 op het belang van het onderscheid tussen beide tariefgroepen.
De ontwikkeling van de tariefgroepen vanaf 1 augustus 1956 wordt behandeld in aant 5.1.
4. Samenloop met andere belastingen
De schenk- en erfbelasting kennen geen voorheffing. Op grond van wet, beleidsbesluit of jurisprudentie is bij samenloop met een andere (buitenlandse) belasting in een aantal gevallen een vrijstelling of vermindering mogelijk. Aan de orde komen:
•
Aftrek ter voorkoming van internationale dubbele belastingheffing (aant. 6.1);
•
Samenloop erfbelasting met schenkbelasting (aant. 6.2);
•
Samenloop erfbelasting met loon- of inkomstenbelasting (aant. 6.3);
•
Samenloop erfbelasting met erfbelasting (aant. 6.4);
•
Samenloop erfbelasting met overdrachtsbelasting (aant. 6.5 en aant. 8.3);
•
Samenloop schenkbelasting met loon- of inkomstenbelasting (aant.6.6);
•
Samenloop schenkbelasting met vennootschapsbelasting (aant. 6.7); en
•
Samenloop schenkbelasting met overdrachtsbelasting (aant. 6.8 en aant. 8).
5. Samenloop met overdrachtsbelasting bij schenking onroerende zaak
Bij schenking van een onroerende zaak kan ook overdrachtsbelasting zijn verschuldigd. Art. 24, tweede lid, beoogt een samenloop van overdrachtsbelasting en schenkbelasting te voorkomen (aant. 8). Voorwaarde voor verrekening is dat artikel 13 Wet belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing is (aant. 8.1). In aant. 8.2 wordt ingegaan op samenloop van erfbelasting en overdrachtsbelasting. Het bedrag waarover overdrachts- en schenkbelasting is verschuldigd, wordt behandeld in aant. 8.3. In aant. 8.4 komt het verschil met de regeling tot 1 januari 2010 aan de orde. In aant. 8.5 wordt ingegaan op het wetsvoorstel Wet modernisering personenvennootschappen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Successiewet, art. 24 SW 1956, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 05-05-2026
05-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/19.22.
01-01-2010 tot: -
Vakstudie Successiewet, art. 24 SW 1956, aant. 1.1
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
tarief
Successiewet 1956 artikel 24
Beschouwing
De erf- en schenkbelasting hebben dezelfde twee tariefgroepen. Tariefgroep I is voor partners en (klein)kinderen. Het tarief in 2025 is voor kinderen en partners 10% over een verkrijging tot en met € 154.197 en daarboven 20%. Voor (achter)kleinkinderen zijn de tarieven 18% en 36%. Tariefgroep II is voor andere verkrijgers. Hun tarief is 30% en 40%.
Bij de schenking van een onroerende zaak kan ook overdrachtsbelasting zijn verschuldigd. Er is een samenloopregeling om samenloop van schenk- en overdrachtsbelasting te voorkomen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 24
In aant. 1 wordt ingegaan op een aantal algemene aspecten van het tarief voor de schenk- en erfbelasting dat is opgenomen in artikel 24. In aant. 1.2 zijn een historisch en een chronologisch overzicht opgenomen van alle wijzigingen van het artikel sinds de invoering daarvan in 1956. Aant 1.3 bevat een literatuuropgave. Aant. 1.4 gaat in op doel en strekking en in aant. 1.6 wordt ingegaan op de context van artikel 24 binnen de Successiewet.
In aan. 1.7 wordt kort aandacht besteed aan de indexatie van de tariefschijf voor tariefgroep 1 en 2.
In aant. 1.8 worden internationale aspecten behandeld: EVRM en family life (aant. 1.8.1) en het OESO-rapport over erfbelasting (aant 1.8.2).
Aant. 1.13 geeft een overzicht van het tegemoetkomende hardheidsclausulebeleid in de tariefsfeer. Aant. 1.14 bevat een overzicht van het afwijzende hardheidsclausulebeleid. In aant. 1.15 wordt vervallen beleid uit de Leidraad en PW-beslissingen behandeld.
Aant. 1.20 behandelt parlementaire ontwikkelingen op het gebied van het familierecht (aant. 1.20.1), het onderzoek naar de tarief- en grondslagstructuur (aant. 1.20.2). In aant. 1.20.3 wordt ingegaan op het voorstel de fiscale regelingen rondom beloningen voor mantelzorg aan te passen.
In aant. 1.21 wordt aandacht besteed aan de internetconsultatie van het wetsvoorstel Wet modernisering personenvennootschappen.
In aant. 1.22 is het initiatiefwetsvoorstel opgenomen om in de Grondwet om een bepaling op te nemen betreffende het gezins- en familieleven.
2. De tariefstructuur
Het tarief van de schenk- en erfbelasting heeft twee progressies. De eerste gaat uit van de mate van verwantschap tussen de erflater of de schenker en de verkrijger. De tweede progressie is afhankelijk van de omvang van de verkrijging. Het verband tussen het tarief en de omvang van de verkrijging is vorm gegeven in een oplopend schijventarief (aant. 2). De tarieven kennen een dubbele progressie. Het tarief neemt niet alleen toe met de omvang van de verkrijging, maar is tevens zwaarder naarmate de relatie tussen de erflater of de schenker verondersteld wordt minder hecht te zijn (aant. 2.1). In aant. 2.2 wordt aandacht besteed aan de totstandkoming en de achtergronden van de huidige tariefopbouw. De invoering van een zogeheten derde progressie, die de hoogte van het tarief mede afhankelijk maakt van de financiële situatie van de verkrijger, is afgewezen (aant. 2.3). In sommige situaties gelden speciale tariefbepalingen (aant. 2.4).
3. Tariefgroepen I en II
Voor de erf- en schenkbelasting zijn er vanaf 1 januari 2010 twee tariefgroepen. Tariefgroep I (aant. 3.1) is voor partners en afstammelingen in de rechte lijn. De tarieven zijn 10% en 20%. Voor (achter)kleinkinderen geldt een opslag van 80%. Hun tarief is daardoor 18% en 36%. Tariefgroep II geldt voor de overige verkrijgers. Hun tarieven zijn 30% en 40% (aant. 3.2). In aant. 3.3 is een overzicht opgenomen van het verloop van de tariefschijf in de voorgaande jaren. In aant. 3.4 wordt ingegaan op het tijdstip waarnaar de tariefgroepindeling moet worden beoordeeld en in aant. 3.5 op het belang van het onderscheid tussen beide tariefgroepen.
De ontwikkeling van de tariefgroepen vanaf 1 augustus 1956 wordt behandeld in aant 5.1.
4. Samenloop met andere belastingen
De schenk- en erfbelasting kennen geen voorheffing. Op grond van wet, beleidsbesluit of jurisprudentie is bij samenloop met een andere (buitenlandse) belasting in een aantal gevallen een vrijstelling of vermindering mogelijk. Aan de orde komen:
Aftrek ter voorkoming van internationale dubbele belastingheffing (aant. 6.1);
Samenloop erfbelasting met schenkbelasting (aant. 6.2);
Samenloop erfbelasting met loon- of inkomstenbelasting (aant. 6.3);
Samenloop erfbelasting met erfbelasting (aant. 6.4);
Samenloop erfbelasting met overdrachtsbelasting (aant. 6.5 en aant. 8.3);
Samenloop schenkbelasting met loon- of inkomstenbelasting (aant.6.6);
Samenloop schenkbelasting met vennootschapsbelasting (aant. 6.7); en
Samenloop schenkbelasting met overdrachtsbelasting (aant. 6.8 en aant. 8).
5. Samenloop met overdrachtsbelasting bij schenking onroerende zaak
Bij schenking van een onroerende zaak kan ook overdrachtsbelasting zijn verschuldigd. Art. 24, tweede lid, beoogt een samenloop van overdrachtsbelasting en schenkbelasting te voorkomen (aant. 8). Voorwaarde voor verrekening is dat artikel 13 Wet belastingen van rechtsverkeer niet van toepassing is (aant. 8.1). In aant. 8.2 wordt ingegaan op samenloop van erfbelasting en overdrachtsbelasting. Het bedrag waarover overdrachts- en schenkbelasting is verschuldigd, wordt behandeld in aant. 8.3. In aant. 8.4 komt het verschil met de regeling tot 1 januari 2010 aan de orde. In aant. 8.5 wordt ingegaan op het wetsvoorstel Wet modernisering personenvennootschappen.