FED 1995/598
Voor toepassing van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer dient het begrip 'verdeling' te worden opgevat in de zin van art. 3:182 BW. Bij wijziging van de onderlinge deelgerechtigdheid in een gemeenschappelijke onroerende zaak is geen sprake van een verdeling in vorenbedoelde zin.
HR 31-05-1995, ECLI:NL:PHR:1995:AA1638, m.nt. J.C. van Straaten
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 mei 1995
- Magistraten
Stoffer; Wildeboer; Urlings; Herrmann; Fleers; Moltmaker
- Zaaknummer
29 471
- Noot
J.C. van Straaten
- LJN
AA1638
- JCDI
JCDI:ADS224825:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1995:AA1638, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑05‑1995
ECLI:NL:PHR:1995:AA1638, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑05‑1995
- Wetingang
Art. 15 Wet BRV
Essentie
Voor toepassing van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer dient het begrip 'verdeling' te worden opgevat in de zin van art. 3:182 BW. Bij wijziging van de onderlinge deelgerechtigdheid in een gemeenschappelijke onroerende zaak is geen sprake van een verdeling in vorenbedoelde zin.
Uitspraak
Het geschil betrof de naheffing aanslag overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging op 14 juni 1991 van 49/100 van het pand a-straat 1a te Z.
Vaststaat:
3.2. Bij het opleggen van de onderwerpelijke aanslag heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende de helft van gedeelte B heeft verkregen; vóór ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.