Artikel 7.7 van de Wet IB 2001 geeft regels voor de bepaling van het belastbaar inkomen dat door een buitenlandse belastingplichtige in Nederland wordt genoten uit sparen en beleggen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. Geschiedenis en achtergrond van artikel 7.7 (aant. 1)
Met de invoering van box 3 in de Wet inkomstenbelasting 2001 is de forfaitaire rendementsheffing ook voor buitenlands belastingplichtigen ingevoerd. Ingevolge art. 49, eerste lid, onderdeel c, onder 2° en 3° bestond buitenlandse belastingplicht voor in Nederland gelegen onroerende zaken. Anders dan onder de Wet IB 2001 werden daarbij de daadwerkelijk genoten inkomsten belast.
2. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (aant. 2)
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland wordt berekend volgens de regels van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in artikel 5.1 genoemde persoonsgebonden aftrek. Voor buitenlandse belastingplichtigen geldt een beperktere rendementsgrondslag dan voor binnenlandse belastingplichtigen. Voor buitenlandse belastingplichtigen behoren alleen in Nederland gelegen onroerende zaken, rechten daarop en rechten op aandelen in de winst van een in Nederland geleide onderneming tot de rendementsgrondslag. In het zogenoemde Kerstarrest (HR 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27, V-N 2022/2.3) oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire rendementsheffing in strijd is met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel. Vooralsnog heeft dit arrest nog geen ingrijpende gevolgen voor buitenlandse belastingplichtigen gehad. De staatssecretaris van Financiën heeft op 8 september 2023 een internetconsultatie gepubliceerd van de Wet werkelijk rendement box 3 (aant. 1.21). Het desbetreffende conceptvoorstel bevat ook een wijziging in artikel 7.7.
3. Onroerende zaken (aant. 3)
Onroerende zaken worden aangemerkt als bezittingen die deel uitmaken van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing. Op grond van de rangorderegeling in de Wet IB 2001 worden onroerende zaken die deel uitmaken van een ondernemingsvermogen en eigen woningen, niet in de heffing van het forfaitaire rendement betrokken. Onroerende zaken zijn in de eerste plaats de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Voorts zijn de bestanddelen van een onroerende zaak onroerend.
4. Rechten op aandelen in de winst (aant. 4)
De opbrengst van winstrechten wordt in de grondslag van de vermogensrendementsheffing betrokken, indien de opbrengst anders dan als winst uit onderneming, niet krachtens effectenbezit of een uit dienstbetrekking voortkomend recht wordt genoten en de leiding van de onderneming binnen Nederland is gevestigd.
5. Buitenlandse belastingplicht gedurende een gedeelte van het jaar (aant. 5).
Artikel 7.7, vierde lid, bevat verder een regeling voor de bepaling van het forfaitair rendement ingeval de natuurlijke persoon niet het gehele jaar buitenlands belastingplichtige is. Sinds 1 januari 2011 geldt voor box 3 één peildatum namelijk 1 januari van het kalenderjaar.
6. Aftrek uitgaven monumentenpanden tot en met 2018 (aant. 7)
Tot en met 31 december 2018 konden ook de uitgaven voor monumentenpanden bij buitenlandse belastingplichtigen in aftrek komen als een persoonsgebonden aftrekpost).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 7.7 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 15-05-2026
15-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/65 en V-N 2026/19.22.
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 7.7 Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Buitenlands belastingplichtige
inkomen uit sparen en beleggen
buitenlands belastingplichtige
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.7
Beschouwing
Artikel 7.7 van de Wet IB 2001 geeft regels voor de bepaling van het belastbaar inkomen dat door een buitenlandse belastingplichtige in Nederland wordt genoten uit sparen en beleggen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. Geschiedenis en achtergrond van artikel 7.7 (aant. 1)
Met de invoering van box 3 in de Wet inkomstenbelasting 2001 is de forfaitaire rendementsheffing ook voor buitenlands belastingplichtigen ingevoerd. Ingevolge art. 49, eerste lid, onderdeel c, onder 2° en 3° bestond buitenlandse belastingplicht voor in Nederland gelegen onroerende zaken. Anders dan onder de Wet IB 2001 werden daarbij de daadwerkelijk genoten inkomsten belast.
2. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (aant. 2)
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland wordt berekend volgens de regels van hoofdstuk 5, met uitzondering van de in artikel 5.1 genoemde persoonsgebonden aftrek. Voor buitenlandse belastingplichtigen geldt een beperktere rendementsgrondslag dan voor binnenlandse belastingplichtigen. Voor buitenlandse belastingplichtigen behoren alleen in Nederland gelegen onroerende zaken, rechten daarop en rechten op aandelen in de winst van een in Nederland geleide onderneming tot de rendementsgrondslag. In het zogenoemde Kerstarrest (HR 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27, V-N 2022/2.3) oordeelde de Hoge Raad dat de forfaitaire rendementsheffing in strijd is met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel. Vooralsnog heeft dit arrest nog geen ingrijpende gevolgen voor buitenlandse belastingplichtigen gehad. De staatssecretaris van Financiën heeft op 8 september 2023 een internetconsultatie gepubliceerd van de Wet werkelijk rendement box 3 (aant. 1.21). Het desbetreffende conceptvoorstel bevat ook een wijziging in artikel 7.7.
3. Onroerende zaken (aant. 3)
Onroerende zaken worden aangemerkt als bezittingen die deel uitmaken van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing. Op grond van de rangorderegeling in de Wet IB 2001 worden onroerende zaken die deel uitmaken van een ondernemingsvermogen en eigen woningen, niet in de heffing van het forfaitaire rendement betrokken. Onroerende zaken zijn in de eerste plaats de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Voorts zijn de bestanddelen van een onroerende zaak onroerend.
4. Rechten op aandelen in de winst (aant. 4)
De opbrengst van winstrechten wordt in de grondslag van de vermogensrendementsheffing betrokken, indien de opbrengst anders dan als winst uit onderneming, niet krachtens effectenbezit of een uit dienstbetrekking voortkomend recht wordt genoten en de leiding van de onderneming binnen Nederland is gevestigd.
5. Buitenlandse belastingplicht gedurende een gedeelte van het jaar (aant. 5).
Artikel 7.7, vierde lid, bevat verder een regeling voor de bepaling van het forfaitair rendement ingeval de natuurlijke persoon niet het gehele jaar buitenlands belastingplichtige is. Sinds 1 januari 2011 geldt voor box 3 één peildatum namelijk 1 januari van het kalenderjaar.
6. Aftrek uitgaven monumentenpanden tot en met 2018 (aant. 7)
Tot en met 31 december 2018 konden ook de uitgaven voor monumentenpanden bij buitenlandse belastingplichtigen in aftrek komen als een persoonsgebonden aftrekpost).