Artikel 10a van de Wet VPB 1969 geeft nadere regels voor de aftrekbaarheid van rente en daarmee samenhangende lasten in gevallen die zijn te kenschetsen als winstdrainage. Op hoofdlijnen gaat het hier om situaties waarbij binnen een groep van vennootschappen(concern) dusdanig wordt gestructureerd dat 'optimaal' gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om bij belastingplichtige rente af te trekken, terwijl de corresponderende rentebate niet of laag belast is. Indien een dergelijke situatie onder de reikwijdte van artikel 10a van de Wet VPB 1969 valt, betekent dit dat de rente op die schuld niet aftrekbaar is, tenzij een beroep op de tegenbewijsregeling slaagt.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 10a van de Wet VPB 1969
Voor een deel vormt het artikel de codificatie van eerder gewezen (fraus legis) jurisprudentie, voor een ander deel bevat het een verdergaande beperking van de renteaftrek. Het artikel is sinds de introductie in 1997 verschillende keren aangepast. Met ingang van 1 januari 2007 is het artikel ingrijpend gewijzigd. Per 1 januari 2008 is de bepaling nogmaals gewijzigd.
2. De situaties waarbij de rente niet-aftrekbaar is
In artikel 10a van de Wet VPB 1969 worden in het eerste lid een aantal rechtshandelingen beschreven die – mits gefinancierd door een schuld aan een verbonden lichaam of natuurlijk persoon – binnen het bereik van artikel 10a van de Wet VPB 1969 vallen.
3. Uitleg over de ruime werking van het artikel
In het tweede lid van artikel 10a van de Wet VPB 1969 heeft de wetgever vastgelegd dat het in het eerste lid vereiste verband tussen de schuld en de rechtshandeling ook kan bestaan indien de schuld pas is aangegaan nadat de rechtshandeling is verricht. Dit om te voorkomen dat het artikel al te gemakkelijk ontweken kan worden.
4. Een uiteenzetting van tegenbewijs situaties inclusief uitleg van de werking van de dubbele zakelijkheidstoets
Artikel 10a, derde lid, van de Wet VPB 1969 bevat de tegenbewijsmogelijkheden. Indien belastingplichtige goede – niet fiscale – argumenten heeft (zogenaamde zakelijke redenen) voor het aangaan van zowel de rechtshandeling als de wijze waarop deze gefinancierd is, is de rente toch aftrekbaar. Dit geldt ook indien de ontvanger van de rente meer dan 10% belasting verschuldigd is over de ontvangen rente. Maar ook als er meer dan 10% belasting verschuldigd is, kan de inspecteur alsnog het standpunt innemen dat de rente toch niet aftrekbaar is. Dit doet de inspecteur wanneer heel duidelijk is dat sprake is van een kunstmatige situatie. De inspecteur moet dan aannemelijk maken dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
5. Een overzicht van wanneer sprake is van verbondenheid
In het vierde lid van artikel 10a van de Wet VPB 1969 is geregeld onder welke omstandigheden sprake is van een verbonden lichaam en het vijfde lid geeft aan wanneer sprake is van een verbonden natuurlijk persoon. Met ingang van 1 januari 2003 wordt ten slotte in het zesde lid bepaald dat in het geval een vennootschap kwalificeert als een met een tot een fiscale eenheid behorende vennootschap verbonden lichaam in de zin van het vierde lid, die vennootschap tevens als een met de overige tot de fiscale eenheid behorende vennootschappen verbonden lichaam wordt aangemerkt.
6. Uitleg op welke wijze negatieve rente en valutawinsten worden behandeld
In het achtste lid van artikel 10a Wet VPB 1969 is bepaald dat negatieve rente en valutawinsten (beide leidend tot een stijging van de winst) op een voor artikel 10a kwalificerende schuld niet langer buiten aanmerking blijven bij het bepalen van de winst.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 10a Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 05-11-2025
05-11-2025, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2025/123 en V-N 2025/45.39.
24-12-1996 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 10a Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
renteaftrekbeperking
winstdrainage
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 10a
Beschouwing
Inleiding
Artikel 10a van de Wet VPB 1969 geeft nadere regels voor de aftrekbaarheid van rente en daarmee samenhangende lasten in gevallen die zijn te kenschetsen als winstdrainage. Op hoofdlijnen gaat het hier om situaties waarbij binnen een groep van vennootschappen(concern) dusdanig wordt gestructureerd dat 'optimaal' gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om bij belastingplichtige rente af te trekken, terwijl de corresponderende rentebate niet of laag belast is. Indien een dergelijke situatie onder de reikwijdte van artikel 10a van de Wet VPB 1969 valt, betekent dit dat de rente op die schuld niet aftrekbaar is, tenzij een beroep op de tegenbewijsregeling slaagt.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 10a van de Wet VPB 1969
Voor een deel vormt het artikel de codificatie van eerder gewezen (fraus legis) jurisprudentie, voor een ander deel bevat het een verdergaande beperking van de renteaftrek. Het artikel is sinds de introductie in 1997 verschillende keren aangepast. Met ingang van 1 januari 2007 is het artikel ingrijpend gewijzigd. Per 1 januari 2008 is de bepaling nogmaals gewijzigd.
2. De situaties waarbij de rente niet-aftrekbaar is
In artikel 10a van de Wet VPB 1969 worden in het eerste lid een aantal rechtshandelingen beschreven die – mits gefinancierd door een schuld aan een verbonden lichaam of natuurlijk persoon – binnen het bereik van artikel 10a van de Wet VPB 1969 vallen.
3. Uitleg over de ruime werking van het artikel
In het tweede lid van artikel 10a van de Wet VPB 1969 heeft de wetgever vastgelegd dat het in het eerste lid vereiste verband tussen de schuld en de rechtshandeling ook kan bestaan indien de schuld pas is aangegaan nadat de rechtshandeling is verricht. Dit om te voorkomen dat het artikel al te gemakkelijk ontweken kan worden.
4. Een uiteenzetting van tegenbewijs situaties inclusief uitleg van de werking van de dubbele zakelijkheidstoets
Artikel 10a, derde lid, van de Wet VPB 1969 bevat de tegenbewijsmogelijkheden. Indien belastingplichtige goede – niet fiscale – argumenten heeft (zogenaamde zakelijke redenen) voor het aangaan van zowel de rechtshandeling als de wijze waarop deze gefinancierd is, is de rente toch aftrekbaar. Dit geldt ook indien de ontvanger van de rente meer dan 10% belasting verschuldigd is over de ontvangen rente. Maar ook als er meer dan 10% belasting verschuldigd is, kan de inspecteur alsnog het standpunt innemen dat de rente toch niet aftrekbaar is. Dit doet de inspecteur wanneer heel duidelijk is dat sprake is van een kunstmatige situatie. De inspecteur moet dan aannemelijk maken dat aan de schuld of aan de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
5. Een overzicht van wanneer sprake is van verbondenheid
In het vierde lid van artikel 10a van de Wet VPB 1969 is geregeld onder welke omstandigheden sprake is van een verbonden lichaam en het vijfde lid geeft aan wanneer sprake is van een verbonden natuurlijk persoon. Met ingang van 1 januari 2003 wordt ten slotte in het zesde lid bepaald dat in het geval een vennootschap kwalificeert als een met een tot een fiscale eenheid behorende vennootschap verbonden lichaam in de zin van het vierde lid, die vennootschap tevens als een met de overige tot de fiscale eenheid behorende vennootschappen verbonden lichaam wordt aangemerkt.
6. Uitleg op welke wijze negatieve rente en valutawinsten worden behandeld
In het achtste lid van artikel 10a Wet VPB 1969 is bepaald dat negatieve rente en valutawinsten (beide leidend tot een stijging van de winst) op een voor artikel 10a kwalificerende schuld niet langer buiten aanmerking blijven bij het bepalen van de winst.
Aant. 1.1.1 Geldingsduur begrippen en criteriaAant. 1.1.2 EvaluatieAant. 1.1.3 Verworpen alternatieven