Artikel 8b bepaalt dat indien gelieerde lichamen niet-zakelijk met elkaar handelen de winst wordt bepaald alsof tussen de lichamen zakelijke voorwaarden zijn overeengekomen. De winst wordt dan geobjectiveerd vastgesteld door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 8b
De wetgever heeft artikel 8b met ingang van 1 januari 2002 in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 opgenomen. Daarna is het artikel niet meer (inhoudelijk) gewijzigd. Artikel 8b voorkomt dat gelieerde lichamen winsten op een niet-zakelijke wijze kunnen verdelen door in hun onderlingen rechtsverhoudingen niet-zakelijke voorwaarden op te nemen. Door invoering van artikel 8b is het arm's-lengthbeginsel expliciet in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 opgenomen.
2. Wat betekent gelieerdheid in de zin van dit artikel?
Er zijn twee soorten gelieerdheid:
⁃
Artikel 8b, eerste lid regelt de zogenoemde verticale gelieerdheid: de ene partij heeft zeggenschap (door middel van toezicht, leiding of aandeelhoudersband) over de andere partij. Een voorbeeld van verticale gelieerdheid is de relatie tussen een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij.
⁃
Artikel 8b, tweede lid regelt de zogenoemde horizontale gelieerdheid: twee partijen staan onder de zeggenschap van eenzelfde persoon. Een voorbeeld van horizontale gelieerdheid is de relatie tussen twee zustermaatschappijen.
3. Wat houdt het arm’s-lengthbeginsel in?
Het arm’s-lengthbeginsel houdt in dat de voorwaarden waaronder gelieerde lichamen transacties met elkaar sluiten, worden vergeleken met de voorwaarden die onafhankelijke derden in vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden met elkaar zouden overeenkomen. Indien de daadwerkelijk overgekomen voorwaarden hiervan afwijken dan wordt de winst vastgesteld alsof de zakelijke voorwaarden zijn overeengekomen.
4. Wat houdt de bewijslast en administratieverplichting in?
Artikel 8b, derde lid bevat een administratieverplichting. Deze houdt in dat de gelieerde lichamen in hun administratie gegevens opnemen waaruit blijkt op welke wijze de verrekenprijzen tot stand zijn gekomen. Ook moet uit de administratie kunnen worden opgemaakt of er sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. De bewijslast dat sprake is van niet-zakelijke voorwaarden berust bij de inspecteur. Als de gelieerde lichamen niet aan de administratieverplichting voldoen, keert de bewijslast om. Per 1 januari 2016 zijn tevens de aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen, welke ziet op het landenrapport, groepsdossier en lokaal dossier, ingegaan.
5. Hoe werkt het arm's-lengthbeginsel?
Om te beoordelen of de voorwaarden van een concerntransactie in overeenstemming zijn met het arm's-lengthbeginsel dienen deze voorwaarden te worden vergeleken met de voorwaarden van een transactie tussen onafhankelijke ondernemingen (vrijemarkttransactie). Een concerntransactie is vergelijkbaar met een vrijemarkttransactie als geen van de verschillen tussen de transacties de factor (bijvoorbeeld de prijs of de marge), die met de verrekenprijsmethode wordt onderzocht, materieel beïnvloedt, of als er redelijke accurate correcties kunnen worden aangebracht om de materiële effecten van dergelijke verschillen ongedaan te maken. Dit onderzoek naar vergelijkbaarheid wordt de vergelijkbaarheidsanalyse genoemd. De vergelijkbaarheidsanalyse is van belang voor alle verrekenprijsmethoden die gebruikt worden om te beoordelen of de concerntransactie in overeenstemming is met het arm's-lengthbeginsel. In de OESO-richtlijnen worden de volgende factoren genoemd die bepalend zijn voor de vergelijkbaarheid: de kenmerken van goederen en diensten, de functionele analyse, de contractuele voorwaarden, de economische omstandigheden en de ondernemingsstrategieën.
6. Welke methoden kennen de OESO-richtlijnen voor het bepalen van de arm’s-lengthprijzen?
De OESO-richtlijnen kennen vijf verrekenprijsmethoden, onderverdeeld in twee categorieën:
⁃
de traditionele-transactiemethoden, waaronder:
⁃
de comparable-uncontrolled-pricemethode (CUP);
⁃
de resale-pricemethode; en
⁃
de cost-plusmethode.
⁃
de transactional-profitmethoden, waaronder:
⁃
de profit-splitmethode; en
⁃
de transactional-net-margin-methode (TNMM).
De OESO-richtlijnen bepalen dat multinationals ook andere methoden mogen hanteren, mits dit leidt tot prijzen die in lijn zijn met het arm's-lengthbeginsel en één van de vijf erkende OESO-methoden niet meer geschikt is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 8b Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 18-04-2026
18-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30
01-01-2002 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 8b Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
arm's length beginsel
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8b
Beschouwing
Inleiding
Artikel 8b bepaalt dat indien gelieerde lichamen niet-zakelijk met elkaar handelen de winst wordt bepaald alsof tussen de lichamen zakelijke voorwaarden zijn overeengekomen. De winst wordt dan geobjectiveerd vastgesteld door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 8b
De wetgever heeft artikel 8b met ingang van 1 januari 2002 in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 opgenomen. Daarna is het artikel niet meer (inhoudelijk) gewijzigd. Artikel 8b voorkomt dat gelieerde lichamen winsten op een niet-zakelijke wijze kunnen verdelen door in hun onderlingen rechtsverhoudingen niet-zakelijke voorwaarden op te nemen. Door invoering van artikel 8b is het arm's-lengthbeginsel expliciet in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 opgenomen.
2. Wat betekent gelieerdheid in de zin van dit artikel?
Er zijn twee soorten gelieerdheid:
Artikel 8b, eerste lid regelt de zogenoemde verticale gelieerdheid: de ene partij heeft zeggenschap (door middel van toezicht, leiding of aandeelhoudersband) over de andere partij. Een voorbeeld van verticale gelieerdheid is de relatie tussen een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij.
Artikel 8b, tweede lid regelt de zogenoemde horizontale gelieerdheid: twee partijen staan onder de zeggenschap van eenzelfde persoon. Een voorbeeld van horizontale gelieerdheid is de relatie tussen twee zustermaatschappijen.
3. Wat houdt het arm’s-lengthbeginsel in?
Het arm’s-lengthbeginsel houdt in dat de voorwaarden waaronder gelieerde lichamen transacties met elkaar sluiten, worden vergeleken met de voorwaarden die onafhankelijke derden in vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden met elkaar zouden overeenkomen. Indien de daadwerkelijk overgekomen voorwaarden hiervan afwijken dan wordt de winst vastgesteld alsof de zakelijke voorwaarden zijn overeengekomen.
4. Wat houdt de bewijslast en administratieverplichting in?
Artikel 8b, derde lid bevat een administratieverplichting. Deze houdt in dat de gelieerde lichamen in hun administratie gegevens opnemen waaruit blijkt op welke wijze de verrekenprijzen tot stand zijn gekomen. Ook moet uit de administratie kunnen worden opgemaakt of er sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. De bewijslast dat sprake is van niet-zakelijke voorwaarden berust bij de inspecteur. Als de gelieerde lichamen niet aan de administratieverplichting voldoen, keert de bewijslast om. Per 1 januari 2016 zijn tevens de aanvullende documentatieverplichtingen verrekenprijzen, welke ziet op het landenrapport, groepsdossier en lokaal dossier, ingegaan.
5. Hoe werkt het arm's-lengthbeginsel?
Om te beoordelen of de voorwaarden van een concerntransactie in overeenstemming zijn met het arm's-lengthbeginsel dienen deze voorwaarden te worden vergeleken met de voorwaarden van een transactie tussen onafhankelijke ondernemingen (vrijemarkttransactie). Een concerntransactie is vergelijkbaar met een vrijemarkttransactie als geen van de verschillen tussen de transacties de factor (bijvoorbeeld de prijs of de marge), die met de verrekenprijsmethode wordt onderzocht, materieel beïnvloedt, of als er redelijke accurate correcties kunnen worden aangebracht om de materiële effecten van dergelijke verschillen ongedaan te maken. Dit onderzoek naar vergelijkbaarheid wordt de vergelijkbaarheidsanalyse genoemd. De vergelijkbaarheidsanalyse is van belang voor alle verrekenprijsmethoden die gebruikt worden om te beoordelen of de concerntransactie in overeenstemming is met het arm's-lengthbeginsel. In de OESO-richtlijnen worden de volgende factoren genoemd die bepalend zijn voor de vergelijkbaarheid: de kenmerken van goederen en diensten, de functionele analyse, de contractuele voorwaarden, de economische omstandigheden en de ondernemingsstrategieën.
6. Welke methoden kennen de OESO-richtlijnen voor het bepalen van de arm’s-lengthprijzen?
De OESO-richtlijnen kennen vijf verrekenprijsmethoden, onderverdeeld in twee categorieën:
de traditionele-transactiemethoden, waaronder:
de comparable-uncontrolled-pricemethode (CUP);
de resale-pricemethode; en
de cost-plusmethode.
de transactional-profitmethoden, waaronder:
de profit-splitmethode; en
de transactional-net-margin-methode (TNMM).
De OESO-richtlijnen bepalen dat multinationals ook andere methoden mogen hanteren, mits dit leidt tot prijzen die in lijn zijn met het arm's-lengthbeginsel en één van de vijf erkende OESO-methoden niet meer geschikt is.