FED 1996/539
Belanghebbende verzocht wegens ziekte voor de vierde maal uitstel van de mondelinge behandeling, nadat het hof bij het verlenen van het derde uitstel had meegedeeld dat een nader uitstel niet zal worden verleend en dat belanghebbende een gemachtigde kan afvaardigen. HR: In de omstandigheden van het onderhavige geval zou dit een voldoende motivering kunnen zijn voor de beslissing geen nader uitstel van de behandeling toe te staan. Het hof dient dan wel bewijsstukken die bij het verzoek om uitstel zijn gevoegd, in zijn beoordeling van de zaak te betrekken.
HR 10-04-1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1903, m.nt. M.W.C. Feteris
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 april 1996
- Magistraten
Jansen, R.J.J.; Linde, van der; Bellaart; Moor, de; Putt-Lauwers, van der
- Zaaknummer
30899
- Noot
M.W.C. Feteris
- LJN
AA1903
- JCDI
JCDI:ADS225822:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1996:AA1903, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑1996
- Wetingang
Art. 6, eerste lid, EVRM; art. 11 en 17 Wet ARB
Essentie
Belanghebbende verzocht wegens ziekte voor de vierde maal uitstel van de mondelinge behandeling, nadat het hof bij het verlenen van het derde uitstel had meegedeeld dat een nader uitstel niet zal worden verleend en dat belanghebbende een gemachtigde kan afvaardigen. HR: In de omstandigheden van het onderhavige geval zou dit een voldoende motivering kunnen zijn voor de beslissing geen nader uitstel van de behandeling toe te staan. Het hof dient dan wel bewijsstukken die bij het verzoek om uitstel zijn gevoegd, in zijn beoordeling van de zaak te betrekken.
Uitspraak
Het geschil betrof de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting.
Hof Arnhem ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.