FED 1995/833:Anders dan het hof heeft geoordeeld rechtvaardigt het bepaalde in art. 18 Invorderingswet 1845 (oud) niet de gevolgtrekking dat een verlies van een volgend jaar (waaronder is te verstaan een op het jaar van de aanslag volgend jaar) niet kan leiden tot een verlaging, overeenkomstig de Resolutie van 30 oktober 1967, nr. B7/14 925, zoals gewijzigd bij Resolutie van 8 januari 1979, nr. 278-24155, Vakstudie-Nieuws 1979, blz. 280, van de in rekening gebrachte invorderingsrente. Art. 18 belet weliswaar de vermindering van de invorderingsrente met betrekking tot de over enig jaar terecht opgelegde aanslag, indien die aanslag door verlies van een later jaar wordt verminderd, maar heeft geen betrekking op een teruggaaf van betaalde belasting ten gevolge van de terugwenteling van verliezen die reeds in eerdere jaren waren geleden. In een zodanig geval heeft van de aanvang af tegenover de vordering van de fiscus een vordering van de belastingschuldige gestaan, zodat de in de Resolutie vervatte tegemoetkoming, te weten het niet in rekening brengen van rente, gelet op haar strekking toepassing kan vinden.