Met toepassing van art. 3.129Wet IB 2001 kan ter grootte van de stakingswinst een van het inkomen aftrekbare lijfrente worden bedongen. Wetstechnisch houdt dit in dat de stakingswinst aan de heffing in box 1 is onderworpen en dat daartegenover premies voor lijfrenten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. In aant. 1 gaan wij in op de ontstaansgeschiedenis (aant. 1.2), doel en strekking (aant. 1.4) en de context (aant. 1.5) van de bepaling. In aant. 2 gaan wij in op het lid 1 van de bepaling. Naast de staking van de gehele onderneming, kan ook bij de staking van een gedeelte van een onderneming voor de stakingswinst een van het inkomen aftrekbare lijfrente worden bedongen (aant. 2.2). Stakingswinst is de met of bij de staking van (een gedeelte van) een onderneming behaalde winst (aant. 2.3). De lijfrente moet een lijfrente betreffen die is opgenomen in de in art. 3.125 Wet IB 2001 opgenomen limitatieve opsomming (aant. 2.4). Zie tevens het in die aantekening opgenomen beleid van de Staatssecretaris van Financiën inzake omzetting van stakingswinst in een lijfrente bij staking na 70-jarige leeftijd. De lijfrente moet worden bedongen bij een van de in art. 3.126 genoemde verzekeraars (aant. 2.5). De premie wordt in aanmerking genomen op het moment waarop deze is betaald of verrekend (art. 3.130 lid 1 ). De Staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit voor bepaalde situaties goedgekeurd dat de in art. 3.130 lid 2 genoemde termijn wordt verlengd (aant. 2.6). Indien de onderneming is gestaakt door overlijden van de ondernemer, kunnen de erfgenamen een van het inkomen van de overleden ondernemer aftrekbare lijfrente bedingen (aant. 2.7). In aant. 3 gaan wij in op de begrenzingen zoals deze zijn opgenomen in het lid 2 van de bepaling. De in lid 2 opgenomen begrenzingen worden verminderd met het bedrag van de in het lid 3 genoemde, reeds opgebouwde voorzieningen (aant. 4). Voor de toepassing van de bepaling kan tevens als ondernemer worden aangemerkt, de medegerechtigde als bedoeld in art. 3.3 lid 1 onderdeel a (aant. 5). Voor de overdrachtsbelasting geldt, onder voorwaarden, een inbrengvrijstelling bij de inbreng (overdracht) van een onderneming in (aan) een vennootschap. Een van de voorwaarden betreft de zogenoemde maximale creditering. Het is toegestaan dat de creditering in feite plaatsvindt in de vorm van een met toepassing van art. 3.129 bedongen lijfrente (aant. 6).
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 Wet IB 2001 en lijfrentesparen via een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht, aant. 8.
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 Wet IB 2001 en de het aftrekmoment (art. 3.130), aant. 9.
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 en de sanctiebepalingen van art. 3.133, aant. 10.
Op de regeling van de stakingslijfrente zoals deze gold van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 (de zogenoemde vijfde tranche) gaan wij in bij aant. 11. De hieraan voorafgaande regeling van art. 19 (oud) Wet IB 1964 bespreken wij in aant. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.129 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 15-04-2026
15-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30.
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.129 Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Inkomstenbelasting / Winst
lijfrente
uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.129
Beschouwing
Met toepassing van art. 3.129Wet IB 2001 kan ter grootte van de stakingswinst een van het inkomen aftrekbare lijfrente worden bedongen. Wetstechnisch houdt dit in dat de stakingswinst aan de heffing in box 1 is onderworpen en dat daartegenover premies voor lijfrenten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen. In aant. 1 gaan wij in op de ontstaansgeschiedenis (aant. 1.2), doel en strekking (aant. 1.4) en de context (aant. 1.5) van de bepaling. In aant. 2 gaan wij in op het lid 1 van de bepaling. Naast de staking van de gehele onderneming, kan ook bij de staking van een gedeelte van een onderneming voor de stakingswinst een van het inkomen aftrekbare lijfrente worden bedongen (aant. 2.2). Stakingswinst is de met of bij de staking van (een gedeelte van) een onderneming behaalde winst (aant. 2.3). De lijfrente moet een lijfrente betreffen die is opgenomen in de in art. 3.125 Wet IB 2001 opgenomen limitatieve opsomming (aant. 2.4). Zie tevens het in die aantekening opgenomen beleid van de Staatssecretaris van Financiën inzake omzetting van stakingswinst in een lijfrente bij staking na 70-jarige leeftijd. De lijfrente moet worden bedongen bij een van de in art. 3.126 genoemde verzekeraars (aant. 2.5). De premie wordt in aanmerking genomen op het moment waarop deze is betaald of verrekend (art. 3.130 lid 1 ). De Staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit voor bepaalde situaties goedgekeurd dat de in art. 3.130 lid 2 genoemde termijn wordt verlengd (aant. 2.6). Indien de onderneming is gestaakt door overlijden van de ondernemer, kunnen de erfgenamen een van het inkomen van de overleden ondernemer aftrekbare lijfrente bedingen (aant. 2.7). In aant. 3 gaan wij in op de begrenzingen zoals deze zijn opgenomen in het lid 2 van de bepaling. De in lid 2 opgenomen begrenzingen worden verminderd met het bedrag van de in het lid 3 genoemde, reeds opgebouwde voorzieningen (aant. 4). Voor de toepassing van de bepaling kan tevens als ondernemer worden aangemerkt, de medegerechtigde als bedoeld in art. 3.3 lid 1 onderdeel a (aant. 5). Voor de overdrachtsbelasting geldt, onder voorwaarden, een inbrengvrijstelling bij de inbreng (overdracht) van een onderneming in (aan) een vennootschap. Een van de voorwaarden betreft de zogenoemde maximale creditering. Het is toegestaan dat de creditering in feite plaatsvindt in de vorm van een met toepassing van art. 3.129 bedongen lijfrente (aant. 6).
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 Wet IB 2001 en de toegelaten verzekeraar in de zin van art. 3.126, aant. 7.
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 Wet IB 2001 en lijfrentesparen via een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht, aant. 8.
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 Wet IB 2001 en de het aftrekmoment (art. 3.130), aant. 9.
Zie voor de relatie tussen art. 3.129 en de sanctiebepalingen van art. 3.133, aant. 10.
Op de regeling van de stakingslijfrente zoals deze gold van 1 januari 1992 tot 1 januari 2001 (de zogenoemde vijfde tranche) gaan wij in bij aant. 11. De hieraan voorafgaande regeling van art. 19 (oud) Wet IB 1964 bespreken wij in aant. 12.