HR, 27-05-1959, nr. 13 952
ECLI:NL:HR:1959:AY0863
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-1959
- Zaaknummer
13 952
- LJN
AY0863
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1959:AY0863, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑1959; (Cassatie)
- Vindplaatsen
BNB 1959/239 met annotatie van J. Hollander, T. P. de Vries, Mr. J. J. v. d. Vlugt
Uitspraak 27‑05‑1959
Inhoudsindicatie
Verkoop certificaten, opbrengst.
27 Mei 1959.
No. 13.952.
VB.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 November 1958, betreffende den aan hem opgelegden aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1955;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, aan wien voor het jaar 1955 werd opgelegd een aanslag tot navordering van inkomstenbelasting naar een inkomen van f. 5.170,-, zich heeft gewend tot het Hof;
Overwegende dat het Hof, na te hebben vastgesteld, dat het verschil tussen den primitieven en den navorderingsaanslag betreft een naar het oordeel van den Inspecteur belastbare opbrengst door belanghebbende verkregen bij den verkoop van een certificaat van 10 gewone aandelen à $10 .- [A] , met betrekking tot de vraag, of in het onderhavige geval aanwezig is een "feit" als bedoeld in artikel 1 van de zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941, heeft overwogen:
"dat belanghebbende bij de behandeling van het beroep heeft aangevoerd, dat een aanslag tot navordering reeds hierom niet had mogen worden opgelegd, wijl geen nieuw feit, dat tot navordering aanleiding zou vermogen te geven, aanwezig is; dat de Inspecteur hierop onweersproken heeft geantwoord, dat vermelde verkoop aan het licht is gebracht bij een onderzoek ingesteld door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, die hem, Inspecteur, op 6 Maart 1957 schriftelijk van die verkoop mededeling heeft gedaan;
dat de tengevolge van dat onderzoek door de Inspecteur verkregen wetenschap, nu niet is beweerd of gebleken dat de Inspecteur bij de regeling van de oorspronkelijke aanslag met de verkoop bekend was of bekend had behoren te zijn, enig feit oplevert als bedoeld in artikel 1 van de Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941, weshalve belanghebbende's grief ongegrond is; "
dat het Hof vervolgens feitelijk heeft vastgesteld:
"dat begin December 1954 de raad van commissarissen van [A] besloot tot uitkering van een stock-dividend van 2%; dat de ter uitkering van dit stock-dividend uit te geven nieuwe aandelen op 17 Januari 1955 werden uitgereikt aan de op 10 December 1954 in de boeken der maatschappij ingeschreven aandeelhouders; dat op 25 Januari 1955 door de algemene vergadering van aandeelhouders werd besloten tot een zogenaamde splitsing van de aandelen, in dier voege, dat aan elk uitstaand aandeel 1% bonus aandeel zou worden toegevoegd; dat als rechthebbenden op deze bonusaandelen werden aangewezen de aandeelhouders die op 11 Februari 1955 als zodanig in de boeken der maatschappij waren ingeschreven; dat de uitreiking van deze bonusaandelen plaats vond op 7 Maart 1955;
dat door [B] N. V., verder te noemen het administratiekantoor, tegen inlevering van gewone aandelen [A] certificaten aan toonder, voorzien van dividendbewijzen en talon, zijn afgegeven; dat in de te dezen geldende bij notariële akte vastgestelde administratievoorwaarden onder meer is bepaald, dat de incassering der dividenden op de oorspronkelijke aandelen en van de remise daartegen voor rekening en risico van de houders der certificaten geschiedt; dat zodra de gelden voor het dividend of andere uitkeringen op de oorspronkelijke aandelen bij het administratiekantoor zijn ontvangen, de dividendbewijzen der certificaten na voorafgaande aankondigingen in een of meer dagbladen betaalbaar worden gesteld ter plaatse bij de aankondiging aan te wijzen; dat, indien door [A] het dividend geheel of gedeeltelijk in andere vorm dan geld wordt uitgekeerd, het administratiekantoor het recht zal hebben dit op zodanige wijze te verantwoorden als hem het meest geschikt zal voorkomen; dat van het netto bedrag der ontvangen dividenden, gerealiseerde voorkeursrechten of andere uitkeringen 1% afgetrokken wordt ten behoeve van het administratiekantoor; dat, indien door [A] uitkeringen worden gedaan in andere vorm dan geld, 1% administratieloon over de reëele waarde der uitkering, berekend naar de koers ten tijde van het beschikbaar stellen van deze uitkering, in rekening zal worden gebracht; dat houders van certificaten op schriftelijke aanvrage en tegen overgifte der certificaten, met de onverschenen dividendbewijzen en talon, mits in bedragen van tien aandelen of veelvouden daarvan, een gelijk aantal oorspronkelijke aandelen kunnen terugvorderen en dat, door verwisseling van oorspronkelijke aandelen tegen certificaten, de houders van laatstgenoemde stukken zijn toegetreden tot deze bepalingen en de daarin eventueel aan te brengen wijzigingen en zij geacht worden het administratiekantoor de last te hebben gegeven met het recht van substitutie om ten aanzien der ingeleverde oorspronkelijke aandelen alles te doen wat het in het belang van houders van daartegen afgegeven certificaten dienstig of nodig acht;
dat het administratiekantoor per 1 April 1955 certificaten, vertegenwoordigende het in aandelen uitgekeerde dividend, alsmede de uitgereikte bonusaandelen ter beschikking van de certificaathouders heeft gesteld, dat belanghebbende inmiddels op 3 Februari 1955 zijn certificaat van 10 aandelen à $10 .- ter beurze had verkocht;
dat de Inspecteur, naar aanleiding van deze verkoop, bij de bestreden aanslag tot navordering in belanghebbende's zuiver inkomen heeft begrepen een bedrag van f.517, 33 volgens onderstaande berekening:
nominale waarde van uit te reiken bonusaandelen (12 certificaat à 10 shares van 10 .- ) is $150 .- of | f.570, -- |
22 maal 2% stock-dividend over 10 shares à $10 .- is $5 .- of | f. 19, -- |
f.1.589, -- | |
af: (11 x 1/20) x f.46,24 (kosten van aanmaak van 1 nieuw certificaat) is | f. 71,67 |
f.517,33; |
dat het partijen verdeeld houdende geschil de vraag betreft, of belanghebbende bij de verkoop van zijn certificaat op 3 Februari 1955 een als opbrengst van roerend kapitaal te beschouwen en als zodanig belastbare tegenwaarde heeft genoten van het op de door dat certificaat vertegenwoordigde aandelen gedeclareerd stock-dividend en van de ingevolge het besluit der algemene vergadering van aandeelhouders aan deze uit te reiken bonusaandelen; dat de Inspecteur bevestigende beantwoording van deze vraag heeft bepleit op grond van de stelling dat bij vervreemding van een certificaat van aandelen, nadat van aandeelhouders een van het oorspronkelijk aandeel te onderscheiden recht op een uitkering is toegekend, in het certificaat het recht op deze uitkering is begrepen als een zelfstandig recht dat afzonderlijk is te denken van de oorspronkelijke uit het certificaat voortvloeiende rechten, ten aanzien van welk zelfstandig recht bij vervreemding van het certificaat artikel 36, lid I, sub 1º, letter a, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 moet worden toegepast; "
dat het Hof daarna heeft overwogen:
"dat aan evengenoemde bepaling het beginsel ten grondslag ligt, dat een lopende termijn van inkomsten bij vervreemding als inkomen wordt genoten;
dat uit artikel 31, lid 4, van het Besluit blijkt, dat de besluitgever ervan is uitgegaan, dat dit beginsel ten aanzien van aandelen alleen kan worden toegepast bij hetgeen in laatstgenoemde bepaling wordt omschreven als de vervreemding van afzonderlijke dividendbewijzen, terwijl uit de toelichting op artikel 36 in de Leidraad blijkt, dat dit uitgangspunt berust op de veronderstelling, dat bij verkoop van aandelen - anders dan bij obligaties - een lopende termijn van inkomsten alleen in dat geval kan worden "onderkend";
dat, al moge de besluitgever bij de vervreemding van dividendbewijzen meer in het bijzonder hebben gedacht aan het geval, waarin het dividendbewijs zonder het aandeel wordt vervreemd, de strekking van artikel 31, lid 4, en de veronderstelling waarop deze bepaling berust, medebrengen daaronder te begrijpen niet alleen - gelijk reeds uit de tekst der bepaling valt af te leiden - de afzonderlijke vervreemding van dividendbewijzen van certificaten van aandelen, doch ook het geval, waarin het met het aandeel of certificaat vervreemde dividendbewijs een zelfstandig en van het aandeel of certificaat los te denken vorderingsrecht vertegenwoordigt, waarvan de tegenwaarde in de voor aandeel of certificaat èn dividendbewijs bedongen verkoopprijs als een duidelijk te onderkennen en te berekenen deel is begrepen;
dat dit geval zich bij verkoop van aandelen voordoet nadat daarop een dividend in geld is gedeclareerd, omdat dan het voor de inning van het dividend aangewezen dividendbewijs reeds voor de datum van betaalbaarstelling een zelfstandig en van het aandeel los te denken vorderingsrecht vertegenwoordigt, waarvan de tegenwaarde bij vervreemding met het aandeel duidelijk te onderkennen en te berekenen is; dat hetzelfde geldt bij verkoop van aandelen nadat daarop een dividend in aandelen is gedeclareerd of nadat tot uitreiking van bonusaandelen is besloten, vermits deze aan aandeelhouders toegekende rechten ingevolge het bepaalde in artikel 32, lid I, voor de nominale waarde der dividend- of bonusaandelen als dividend in geld worden beschouwd;
dat voor het antwoord op de vraag, in welk stadium dividendbewijzen van certificaten, afgegeven tegen aandelen waarop dividend in geld of in aandelen dan wel uitreiking van bonusaandelen is gedeclareerd, zelfstandige en van het certificaat los te denken vorderingsrechten als vorenbedoeld vertegenwoordigen, de ter zake geldende administratievoorwaarden in aanmerking genomen zullen moeten worden;
dat de vorenaangehaalde administratievoorwaarden, welke de rechtsverhouding tussen houders van certificaten van aandelen [A] en het administratiekantoor, dat houder is van de aandelen, welke het tegen de afgifte van certificaten in administratie heeft genomen beheersen, onder meer inhouden, dat het administratiekantoor de dividenden op de aandelen voor rekening en risico van de houders van certificaten incasseert, en dat het verplicht is om, zodra het de gelden voor het dividend of andere uitkeringen op de aandelen heeft ontvangen, de dividendbewijzen der certificaten betaalbaar te stellen, met dien verstande dat het administratiekantoor het recht heeft om dividend dat in andere vorm dan geld wordt uitgekeerd - waarbij dus met name aan dividend in aandelen valt te denken - op zodanige wijze te verantwoorden als hem het meest geschikt voorkomt;
dat in deze administratievoorwaarden de uitreiking van bonusaandelen niet met zoveel woorden wordt genoemd, doch uit het geheel dezer bepalingen blijkt, dat het administratiekantoor alle opbrengst der geadministreerde aandelen en bijgevolg behalve in geld of in aandelen uitgekeerde dividenden ook bonusaandelen voor rekening en risico van houders van certificaten ontvangt en dat het verplicht is al deze waarden aan hen te verantwoorden door ze op de dividendbewijzen der certificaten te hunner beschikking te stellen;
dat het administratiekantoor in het onderhavige geval aan zijn verplichting tot verantwoording van het stockdividend en van de bonusaandelen heeft voldaan door de afgifte per 1 April 1955 van deze dividend- en bonusaandelen vertegenwoordigende certificaten, doch de certificaathouders reeds vóórdien krachtens de administratievoorwaarden aanspraak op verantwoording dier dividend-bonusaandelen hadden verkregen en wel voor wat de dividend-aandelen betreft ten gevolge van de vaststelling van dit dividend in begin December 1954 en ten aanzien van de bonusaandelen ten gevolge van het op 25 Januari 1955 door de algemene vergadering van aandeelhouders genomen besluit tot uitreiking van die aandelen; dat deze aanspraken belichaamd waren in de bij de certificaten behorende dividendbewijzen, door inlevering waarvan die aanspraken te zijner tijd gerealiseerd zouden kunnen worden en deze dividendbewijzen derhalve vanaf de dividenddeclaratie respectievelijk vanaf het besluit tot uitreiking van bonusaandelen zelfstandige en van de certificaten los te denken vorderingsrechten vertegenwoordigden, waarvan de waarde bij verkoop duidelijk te onderkennen viel, immers door een eenvoudige becijfering uitgaande van de koers van de certificaten cum dividendbewijzen kon worden bepaald;
dat het vorenoverwogene tot de conclusie moet leiden, dat de Inspecteur de hierboven gespecificeerde opbrengst ten bedrage van f.517,33 over de berekening van welk bedrag geen verschil van mening bestaat, terecht in belanghebbende's belastbaar inkomen heeft begrepen; dat de belanghebbende subsidiair heeft verzocht op die opbrengst het bijzonder tarief van artikel 48 Van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 toe te passen; dat echter artikel 31, lid 4, welke bepaling blijkens het vorenstaande te dezen van toepassing is, de toepassing van dat bijzonder tarief verbiedt; "
dat het Hof dienvolgens den aanslag heeft gehandhaafd;
Overwegende dat belanghebbende tegen deze uitspraak heeft voorgesteld de navolgende middelen van cassatie:
primair: Schending van artikel 1 van de Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941, welk middel blijkens de daarop gegeven toelichting de navolgende klacht bevat:
dat de Inspecteur bij nauwkeurige vervulling van zijn taak had kunnen en moeten weten dat de opgave voorkomende op de bij het aangiftebiljet overgelegde specificatie van het effectenbezit niet in overeenstemming was met de bekende dividenden, zodat de hem verstrekte mededeling door de F.I.O.D. niet als een nieuw feit kan worden beschouwd, aangezien er slechts één fiscale instantie mogelijk behoort te zijn, belichaamd in den Inspecteur;
subsidiair: Verkeerde toepassing van de artikelen 31 en 36 van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941;
Overwegende ten aanzien van het primaire middel:
dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat niet is beweerd, dat de Inspecteur bij de regeling van den oorspronkelijken aanslag met den verkoop bekend was of bekend had behoren te zijn;
dat daaruit blijkt, dat de in de toelichting op het middel vervatte klacht voor het Hof niet is aangevoerd, en deze niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden te berde gebracht, wijl zij een onderzoek mede van feitelijken aard zou vergen;
dat derhalve dit middel faalt;
Overwegende dat het subsidiair voorgestelde middel geen bepaalde klacht bevat tegen 's Hofs beslissing, dat ter zake van den verkoop van het certificaat van 10 gewone aandelen van $10 .- [A] op 3 Februari 1955 een bedrag van f. 517,- in belanghebbendes inkomen voor het jaar 1955 moet worden begrepen, terwijl ook ambtshalve den Hogen Raad niet is gebleken, dat door die beslissing wettelijke voorschriften zijn geschonden of verkeerd toegepast;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Smits, Vice-President, Wiarda, v.d. Loos, Tekenbroek en Korthals Altes, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den zeven en twintigsten Mei 1900 negen en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Verstraaten.