FED 1996/289:Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de opbrengst van het raadslidmaatschap betreffende het jaar 1990 toegerekend dient te worden aan de winst uit onderneming op grond van de nota van toelichting bij het Koninklijk Besluit van 1 november 1993, Stb. 584. De toelichting vermeldt o.a. dat de vergoeding voor het raadslidmaatschap beoogt compensatie te bieden voor mogelijk gederfde inkomsten elders. Niet is geschil is dat belanghebbende als therapeute in 1990 buiten haar raadslidmaatschap een zelfstandig beroep uitoefende in de zin van art. 6, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Hoge Raad: Een vergoeding voor een raadslidmaatschap is niet een uitvloeisel van de beroepsactiviteit als therapeute.