FED 1995/20:Kasgeldconstructie. X heeft alle aandelen Holding I, welke holding een 50%-deelneming bezit in een werk-BV. X richt op Holding II, waarna Holding I haar deelneming in de werk-BV verkoopt aan Holding II. Vervolgens verkoopt X zijn aandelen Holding I aan een bank. In een dergelijke situatie, waarin het samenstel van rechtshandelingen ermee aanvangt dat een vennootschap een zogenaamde kasgeldvennootschap wordt doordat uit die vennootschap een deelneming in een andere vennootschap wordt verkocht, is voor gelijkstelling van dat samenstel van rechtshandelingen met een zogenaamde holdingconstructie slechts plaats indien de kopende vennootschap (holding II) - eventueel doordat sprake is van een samenwerkende groep aandeelhouders - over het in de vennootschap (de deelneming) aanwezige vermogen en de daarin begrepen reserves en dus ter voldoening van de koopsom voor die deelneming belastingvrij kan putten uit het vermogen van de vennootschap wier aandelen zijn verkocht (de deelneming). In casu betreft het een 50%-deelneming, zodat niet aanstonds duidelijk is of de kopende vennootschap de vereiste beschikkingsmacht heeft, nu het hof niet heeft onderzocht of sprake was van een samenwerkende groep aandeelhouders. De zaak wordt voor nader onderzoek op dit punt verwezen. Voor de vraag of de kopende vennootschap de koopsom uit het vermogen van de gekochte vennootschap (de deelneming) kan putten is evenwel niet vereist dat dat vermogen in liquide vorm aanwezig is.