FED 1992/461:De vestiging van een erfpachtsrecht wordt aangemerkt als de levering van een goed. Dit houdt in dat voor de toepassing van de Wet OB 1968 en de daarop steunende uitvoeringsvoorschriften het erfpachtsrecht als een goed moet worden beschouwd en wel een onroerend goed. Belanghebbende heeft op de desbetreffende grond een opstal gebouwd en in gebruik genomen. Het erfpachtsrecht en de opstal vormen een bedrijfsmiddel waarop voor de inkomstenbelasting/vennootschapsbelasting wordt afgeschreven. Belanghebbende heeft het bedrijfsmiddel voor 1 januari 1979 in gebruik genomen, zodat op grond van de Overgangsbeschikking OB 1978 ten aanzien van dat bedrijfsmiddel de herzieningsbepalingen van toepassing zijn zoals die t/m 1978 golden. Ingevolge die bepalingen werd de aftrek van voorbelasting gedurende vijf jaren herzien ten aanzien van goederen waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting/vennootschapsbelasting afschrijft. Belanghebbende kan op het tegen de betaling van een jaarlijkse canon gehouden erfpachtsrecht niet afschrijven. De herzieningsregeling kan derhalve geen toepassing vinden. Alsdan is voor herziening van de aftrek van voorbelasting na afloop van het boekjaar waarin het erfpachtsrecht is verkregen, geen plaats omdat met de herrekening genoemd in art. 12, tweede lid, van de Uitv.besch. OB 1968 de aftrek definitief is geworden.