FED 1992/96
Voor de vraag of de levering van de blote eigendom van een onroerend goed is vrijgesteld van omzetbelasting moet gelet worden op het tijdstip waarop het desbetreffende goed in gebruik is genomen. Niet juist is de opvatting dat het onroerend goed door de vestiging van een zakelijk recht in twee goederen wordt gesplitst in die zin, dat de blote eigendom van het onroerend goed ongebruikt bij de blote eigenaar blijft.
HR 10-07-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4651, m.nt. D.B. Bijl
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 juli 1991
- Magistraten
Moltmaker; Stoffer; Mijnssen; Wildeboer; Urlings; Zuurmond
- Zaaknummer
26 330
- Noot
D.B. Bijl
- LJN
ZC4651
- JCDI
JCDI:ADS209824:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1991:ZC4651, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑07‑1991
- Wetingang
Art. 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV, art. 11, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968
Essentie
Voor de vraag of de levering van de blote eigendom van een onroerend goed is vrijgesteld van omzetbelasting moet gelet worden op het tijdstip waarop het desbetreffende goed in gebruik is genomen. Niet juist is de opvatting dat het onroerend goed door de vestiging van een zakelijk recht in twee goederen wordt gesplitst in die zin, dat de blote eigendom van het onroerend goed ongebruikt bij de blote eigenaar blijft.
Uitspraak
Het geschil betrof belastingheffing ingevolge Wet BRV.
Vaststaat:
Bij een op 17 december 1980 voor notaris A te P verleden akte verkreeg belanghebbende, de Cooperatieve vereniging X ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.