Artikel 15, eerste lid, onderdeel f, van de WBR kent een tweetal vrijstellingen die verband houden met de verdeling en of vereffening van het vermogen van een onderneming. De tekst van deze vrijstelling is in de loop van de jaren een aantal keren aangepast en was zowel van toepassing op rechtspersonen als niet-rechtspersonen. De toepassing van de vrijstelling is door de wijzigingen van 28 februari 2000 en 1 januari 2001 beperkter dan daarvoor.
In artikel 15. eerste lid, onderdeel f, onder 1°, van de WBR is de vrijstelling opgenomen ingeval het betreft de verdeling van de onderneming van een maatschap of een vennootschap die geen rechtspersoon is. Degene die de onroerende zaak oorspronkelijk met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR had ingebracht kan deze onroerende zaak ook weer zonder heffing van overdrachtsbelasting terug ontvangen. De vrijstelling is ook van toepassing op degene die als rechtverkrijgende onder algemene titel van de inbrenger een aandeel in het aan hem toegedeelde goed had. De vrijstelling geldt dus niet voor degene die krachtens een legaat een aandeel in de onroerende zaak heeft verkregen en aan wie later de onroerende zaak wordt toegedeeld. De vrijstelling is verder uitgewerkt in de aant. 2.
Deze vrijstelling is onder meer van belang bij het toe- en uittreden van leden van een maatschap en firmanten van een (commanditaire) vennootschap. Verwezen wordt naar hetgeen daarover is opgemerkt in aant. 2.4, en houdt verband met de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR.
Daarnaast is in art. 15 lid 1 onderdeel f onder 2° de vrijstelling geregeld ter zake van de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon op grond van art. 14c Wet VPB 1969. De voorwaarden van deze vrijstelling zijn uitgewerkt in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit BRV. Daarin is opgenomen dat de vrijstelling alleen geldt voor de vereffening van het vermogen in het kader van de voortzetting van een door een NV of BV gedreven onderneming , mits deze vennootschappen uitsluitend natuurlijk personen als aandeelhouders hebben. De vrijstelling wordt teruggenomen indien de onderneming niet gedurende een periode van tenminste drie jaar door de verkrijger wordt voortgezet of mede voortgezet. De inbreng of omzetting met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 1° en 2°, van de WBR is toegestaan. Deze vrijstelling is nader uitgewerkt in aant. 2.5.
Op de vrijstelling moet een beroep worden gedaan. Verwezen wordt naar aant. 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, art. 15 WBR, aant. 1.1 (lid 1 onderdeel f)
Aant. 1.1 (lid 1 onderdeel f) Inleiding
Actueel t/m 02-04-2026
02-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28
29-06-1971 tot: -
Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, art. 15 WBR, aant. 1.1 (lid 1 onderdeel f)
Belastingen van rechtsverkeer / Overdrachtsbelasting
vrijstelling overdrachtsbelasting
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15
Beschouwing
Artikel 15, eerste lid, onderdeel f, van de WBR kent een tweetal vrijstellingen die verband houden met de verdeling en of vereffening van het vermogen van een onderneming. De tekst van deze vrijstelling is in de loop van de jaren een aantal keren aangepast en was zowel van toepassing op rechtspersonen als niet-rechtspersonen. De toepassing van de vrijstelling is door de wijzigingen van 28 februari 2000 en 1 januari 2001 beperkter dan daarvoor.
In artikel 15. eerste lid, onderdeel f, onder 1°, van de WBR is de vrijstelling opgenomen ingeval het betreft de verdeling van de onderneming van een maatschap of een vennootschap die geen rechtspersoon is. Degene die de onroerende zaak oorspronkelijk met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR had ingebracht kan deze onroerende zaak ook weer zonder heffing van overdrachtsbelasting terug ontvangen. De vrijstelling is ook van toepassing op degene die als rechtverkrijgende onder algemene titel van de inbrenger een aandeel in het aan hem toegedeelde goed had. De vrijstelling geldt dus niet voor degene die krachtens een legaat een aandeel in de onroerende zaak heeft verkregen en aan wie later de onroerende zaak wordt toegedeeld. De vrijstelling is verder uitgewerkt in de aant. 2.
Deze vrijstelling is onder meer van belang bij het toe- en uittreden van leden van een maatschap en firmanten van een (commanditaire) vennootschap. Verwezen wordt naar hetgeen daarover is opgemerkt in aant. 2.4, en houdt verband met de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de WBR.
Daarnaast is in art. 15 lid 1 onderdeel f onder 2° de vrijstelling geregeld ter zake van de vereffening van het vermogen van een rechtspersoon op grond van art. 14c Wet VPB 1969. De voorwaarden van deze vrijstelling zijn uitgewerkt in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit BRV. Daarin is opgenomen dat de vrijstelling alleen geldt voor de vereffening van het vermogen in het kader van de voortzetting van een door een NV of BV gedreven onderneming , mits deze vennootschappen uitsluitend natuurlijk personen als aandeelhouders hebben. De vrijstelling wordt teruggenomen indien de onderneming niet gedurende een periode van tenminste drie jaar door de verkrijger wordt voortgezet of mede voortgezet. De inbreng of omzetting met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 1° en 2°, van de WBR is toegestaan. Deze vrijstelling is nader uitgewerkt in aant. 2.5.
Op de vrijstelling moet een beroep worden gedaan. Verwezen wordt naar aant. 3.