FED 1985/460
Indien slechts voor een gedeelte van de geldlening aan de vereisten voor toepassing van art. 31 AWR wordt voldaan, zal de inspecteur richtige heffing op dat gedeelte van de geldlening moeten toepassen, dit ondanks een machtiging van het ministerie van Financien voor toepassing van richtige heffing op de gehele lening. De rechter zal zonodig de uitspraak gedeeltelijk moeten vernietigen.
HR 20-03-1985, ECLI:NL:HR:1985:BH3438, m.nt. C.B. Bavinck
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 maart 1985
- Magistraten
Dijk, Van; Vucht, Van; Vorm, Van Der; Baardman
- Zaaknummer
22 836
- Noot
C.B. Bavinck
- LJN
BH3438
- JCDI
JCDI:ADS204338:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1985:BH3438, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑03‑1985
- Wetingang
Art. 31 AWR
Essentie
Indien slechts voor een gedeelte van de geldlening aan de vereisten voor toepassing van art. 31 AWR wordt voldaan, zal de inspecteur richtige heffing op dat gedeelte van de geldlening moeten toepassen, dit ondanks een machtiging van het ministerie van Financien voor toepassing van richtige heffing op de gehele lening. De rechter zal zonodig de uitspraak gedeeltelijk moeten vernietigen.
Uitspraak
Inkomstenbelasting 1977.
De inspecteur heeft met machtiging van de staatssecretaris van Financien bij uitspraak van 17 december 1980 besloten voor de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 1977 ten laste van belanghebbende (X) geen rekening te houden met ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.