GS Vermogensrecht, art. 3:40 BW, aant. 9:9 Tijdstip van beoordeling van de geldigheid van een rechtshandeling
GS Vermogensrecht, art. 3:40 BW, aant. 9
9 Tijdstip van beoordeling van de geldigheid van een rechtshandeling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, voorheen bewerkt door mr. H.J. van Kooten, actueel t/m 23-01-2026
Actueel t/m
23-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. K.A.M. van Vught, voorheen bewerkt door mr. H.J. van Kooten
De geldigheid van een rechtshandeling die in strijd is met de wet, de goede zeden of de openbare orde, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die rechtshandeling werd verricht (c.q. de overeenkomst tot stand kwam). Zie HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3568, NJ 2017/59, r.o. 3.7, waarin de Hoge Raad overweegt dat 'de vraag of het beding nietig is, beantwoord moet worden naar de situatie op het tijdstip van het verrichten van de rechtshandeling'. Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/327 en GEA Curaçao 29 oktober 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:261.
Zie in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
GS Vermogensrecht, art. 3:40 BW, aant. 9
9 Tijdstip van beoordeling van de geldigheid van een rechtshandeling
mr. K.A.M. van Vught, voorheen bewerkt door mr. H.J. van Kooten, actueel t/m 23-01-2026
23-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. K.A.M. van Vught, voorheen bewerkt door mr. H.J. van Kooten
GS Vermogensrecht, art. 3:40 BW, aant. 9
Vermogensrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
nietigheid
goede zeden
strijd met openbare orde
strijd met wet
openbare orde
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 40
De geldigheid van een rechtshandeling die in strijd is met de wet, de goede zeden of de openbare orde, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die rechtshandeling werd verricht (c.q. de overeenkomst tot stand kwam). Zie HR 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3568, NJ 2017/59, r.o. 3.7, waarin de Hoge Raad overweegt dat 'de vraag of het beding nietig is, beantwoord moet worden naar de situatie op het tijdstip van het verrichten van de rechtshandeling'. Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2022/327 en GEA Curaçao 29 oktober 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:261.
Zie in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.