De handel in lichamen met een herinvesteringsreserve moet worden tegengegaan. De wetgever vindt het niet wenselijk dat aandeelhouder B profiteert van de herinvesteringsreserve zoals gevormd tijdens het bezit van aandeelhouder A. Daartoe is in artikel 12a van de Wet VPB 1969 een antimisbruikbepaling opgenomen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 12a
Artikel 12a van de Wet VPB 1969 bevat een antimisbruikbepaling ter voorkoming van handel in lichamen met een herinvesteringsreserve. Deze regeling was tot 1 januari 2007 opgenomen in artikel 15e van de Wet VPB 1969. Op grond van de Wet wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota 'Werken aan winst' (Wet Werken aan winst)' van 30 november 2006 (Stb. 2006, 631) is artikel 15e van de Wet VPB 1969 vernummerd tot artikel 12a (artikel II, onderdeel L). Inhoudelijk heeft er geen wijziging plaatsgevonden. Uit artikel XIII, eerste en derde lid, van de Wet werken aan winst blijkt dat de wijziging in werking treedt met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2007. Met ingang van 1 maart 2005 en per 1 januari 2013 zijn een aantal aanpassingen doorgevoerd.
2. De hoofdregel van de antimisbruikbepaling
De hoofdregel van de antimisbruikbepaling zoals neergelegd in het eerste lid van artikel 12a van de Wet VPB 1969 luidde tot 2012 als volgt. Aanvankelijk gold dat een herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd als nadien sprake is van een belangrijke wijziging (30% of meer) van de aandeelhouders. Tevens hebben de bezittingen van het lichaam grotendeels (meer dan 50%) de laatste drie maanden voor deze aandeelhouderswisseling bestaan uit beleggingen. Zie hierover aant. 2.5. De herinvesteringsreserve wordt gevormd op de voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001.
3. Wat zijn de voorwaarden voor de toepassing?
Het gaat in het eerste lid om twee, cumulatief geldende, voorwaarden:
•
het uiteindelijke belang in het lichaam is in belangrijke mate (30%) gewijzigd (aandeelhouderstoets; aant. 2.3);
•
de bezittingen van het lichaam hebben de laatste drie maanden voor de aandeelhouderswisseling grotendeels (meer dan 50%) bestaan uit beleggingen (beleggingstoets; aant. 2.4).
4. Zijn er uitzonderingen op de hoofdregel?
In het tweede en derde lid is een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel genoemd:
•
overgang aandelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht;
•
uitbreiding van belang door zittende aandeelhouders;
5. Werking bepaling tijdens bestaand herinvesteringsvoornemen
De bepaling is ook van toepassing indien moet worden aangenomen dat nog wel een herinvesteringsvoornemen bestaat.
6. Uitbreiding van de regeling per 1 maart 2005
Met ingang van 1 maart 2005 geldt dat na een belangrijke aandeelhouderswisseling, geen herinvesteringsreserve meer kan worden gevormd. Dat geldt ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen als het besluit tot vervreemding vóór die wijziging is genomen. Uitzondering hierop is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat voorafgaande aan die belangrijke aandeelhouderswijziging zijn bezittingen voor minder dan de helft hebben bestaan uit beleggingen. En dit dient te gelden gedurende de laatste drie maanden daaraan voorafgaand. Zie aant. 2.4.
7. Verduidelijking van de regeling per 1 januari 2013
De bepaling is per 1 januari 2013 verduidelijkt. Als de verwerving van een bedrijfsmiddel verband houdt met de wijziging van het uiteindelijke belang in de vennootschap, dan wordt de aanwending van de herinvesteringsreserve ongedaan gemaakt. Zie hierover aant. 2.6.
8. Uitbreiding en inperking van het begrip belegging
In een passage uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet ondernemerspakket 2001 wordt nog gesproken van ‘in belangrijke mate bestaan uit beleggingen’. In de loop van de parlementaire behandeling is het beleggingscriterium verscherpt tot ‘grotendeels bestaan uit beleggingen’. Zie hierover nader aant. 2.4.
In het vierde lid is voor de toepassing van artikel 12a (voorheen artikel 15e) een uitbreiding (onderdeel a) en tevens een inperking (onderdeel b) van het begrip belegging opgenomen. Zie aant. 4.
9. Inbreuk op de wettelijke volgorde
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een inbreuk op de wettelijke volgorde van de wet, toch aanleiding geeft om de HIR aan de winst toe te voegen. In bepaalde omstandigheden is volgens de Hoge Raad sprake van fraus legis. Het moet gaan om de volgende omstandigheden:
•
het belang in een belastingplichtige met een herinvesteringsreserve is gewijzigd, voorafgaande aan die wijziging de aanwending van de herinvesteringsreserve vanuit materieel oogpunt heeft plaatsgevonden door de nieuwe houder van dat belang,
•
er sprake is van een samenstel van rechtshandelingen waarbij de tijdsvolgorde van die rechtshandelingen zo is ingericht dat het herinvesteringstijdstip juist voor de wijziging in het belang in die belastingplichtige heeft plaatsgevonden, en
•
het doorslaggevende oogmerk van dit samenstel van (rechts)handelingen is de wettelijke regeling van artikel 12a van de Wet te ontgaan.
In die situatie worden doel en strekking van artikel 12a van de Wet op onaanvaardbare wijze doorkruist. Door dat samenstel van handelingen mag de vrijval van de herinvesteringsreserve niet worden voorkomen (HR 23 mei 2014, nr. 13/02154). De betreffende jurisprudentie is opgenomen onder Jurisprudentie bij aant. 2.2.1.
Parlementaire behandeling
Wet ondernemerspakket 2001
'In dit artikel is bepaald dat de herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd ingeval er sprake is van een belangrijke wijziging in de uiteindelijke zeggenschap dan wel de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van de belastingplichtige, tenzij de activa van de belastingplichtige voor minder dan in belangrijke mate bestaan uit beleggingen.'
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 12a Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 02-02-2026
02-02-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/21 en V-N 2026/3.26
01-01-2007 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 12a Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
handel herinvesteringslichamen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 12a
Beschouwing
Inleiding
De handel in lichamen met een herinvesteringsreserve moet worden tegengegaan. De wetgever vindt het niet wenselijk dat aandeelhouder B profiteert van de herinvesteringsreserve zoals gevormd tijdens het bezit van aandeelhouder A. Daartoe is in artikel 12a van de Wet VPB 1969 een antimisbruikbepaling opgenomen.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 12a
Artikel 12a van de Wet VPB 1969 bevat een antimisbruikbepaling ter voorkoming van handel in lichamen met een herinvesteringsreserve. Deze regeling was tot 1 januari 2007 opgenomen in artikel 15e van de Wet VPB 1969. Op grond van de Wet wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota 'Werken aan winst' (Wet Werken aan winst)' van 30 november 2006 (Stb. 2006, 631) is artikel 15e van de Wet VPB 1969 vernummerd tot artikel 12a (artikel II, onderdeel L). Inhoudelijk heeft er geen wijziging plaatsgevonden. Uit artikel XIII, eerste en derde lid, van de Wet werken aan winst blijkt dat de wijziging in werking treedt met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2007. Met ingang van 1 maart 2005 en per 1 januari 2013 zijn een aantal aanpassingen doorgevoerd.
2. De hoofdregel van de antimisbruikbepaling
De hoofdregel van de antimisbruikbepaling zoals neergelegd in het eerste lid van artikel 12a van de Wet VPB 1969 luidde tot 2012 als volgt. Aanvankelijk gold dat een herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd als nadien sprake is van een belangrijke wijziging (30% of meer) van de aandeelhouders. Tevens hebben de bezittingen van het lichaam grotendeels (meer dan 50%) de laatste drie maanden voor deze aandeelhouderswisseling bestaan uit beleggingen. Zie hierover aant. 2.5. De herinvesteringsreserve wordt gevormd op de voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001.
3. Wat zijn de voorwaarden voor de toepassing?
Het gaat in het eerste lid om twee, cumulatief geldende, voorwaarden:
het uiteindelijke belang in het lichaam is in belangrijke mate (30%) gewijzigd (aandeelhouderstoets; aant. 2.3);
de bezittingen van het lichaam hebben de laatste drie maanden voor de aandeelhouderswisseling grotendeels (meer dan 50%) bestaan uit beleggingen (beleggingstoets; aant. 2.4).
4. Zijn er uitzonderingen op de hoofdregel?
In het tweede en derde lid is een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel genoemd:
overgang aandelen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht;
uitbreiding van belang door zittende aandeelhouders;
gebruikelijke aandelentransacties via de beurs.
Deze uitzonderingen worden behandeld in aant. 3.
5. Werking bepaling tijdens bestaand herinvesteringsvoornemen
De bepaling is ook van toepassing indien moet worden aangenomen dat nog wel een herinvesteringsvoornemen bestaat.
6. Uitbreiding van de regeling per 1 maart 2005
Met ingang van 1 maart 2005 geldt dat na een belangrijke aandeelhouderswisseling, geen herinvesteringsreserve meer kan worden gevormd. Dat geldt ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen als het besluit tot vervreemding vóór die wijziging is genomen. Uitzondering hierop is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat voorafgaande aan die belangrijke aandeelhouderswijziging zijn bezittingen voor minder dan de helft hebben bestaan uit beleggingen. En dit dient te gelden gedurende de laatste drie maanden daaraan voorafgaand. Zie aant. 2.4.
7. Verduidelijking van de regeling per 1 januari 2013
De bepaling is per 1 januari 2013 verduidelijkt. Als de verwerving van een bedrijfsmiddel verband houdt met de wijziging van het uiteindelijke belang in de vennootschap, dan wordt de aanwending van de herinvesteringsreserve ongedaan gemaakt. Zie hierover aant. 2.6.
8. Uitbreiding en inperking van het begrip belegging
In een passage uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet ondernemerspakket 2001 wordt nog gesproken van ‘in belangrijke mate bestaan uit beleggingen’. In de loop van de parlementaire behandeling is het beleggingscriterium verscherpt tot ‘grotendeels bestaan uit beleggingen’. Zie hierover nader aant. 2.4.
In het vierde lid is voor de toepassing van artikel 12a (voorheen artikel 15e) een uitbreiding (onderdeel a) en tevens een inperking (onderdeel b) van het begrip belegging opgenomen. Zie aant. 4.
9. Inbreuk op de wettelijke volgorde
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een inbreuk op de wettelijke volgorde van de wet, toch aanleiding geeft om de HIR aan de winst toe te voegen. In bepaalde omstandigheden is volgens de Hoge Raad sprake van fraus legis. Het moet gaan om de volgende omstandigheden:
het belang in een belastingplichtige met een herinvesteringsreserve is gewijzigd, voorafgaande aan die wijziging de aanwending van de herinvesteringsreserve vanuit materieel oogpunt heeft plaatsgevonden door de nieuwe houder van dat belang,
er sprake is van een samenstel van rechtshandelingen waarbij de tijdsvolgorde van die rechtshandelingen zo is ingericht dat het herinvesteringstijdstip juist voor de wijziging in het belang in die belastingplichtige heeft plaatsgevonden, en
het doorslaggevende oogmerk van dit samenstel van (rechts)handelingen is de wettelijke regeling van artikel 12a van de Wet te ontgaan.
In die situatie worden doel en strekking van artikel 12a van de Wet op onaanvaardbare wijze doorkruist. Door dat samenstel van handelingen mag de vrijval van de herinvesteringsreserve niet worden voorkomen (HR 23 mei 2014, nr. 13/02154). De betreffende jurisprudentie is opgenomen onder Jurisprudentie bij aant. 2.2.1.
Wet ondernemerspakket 2001
'In dit artikel is bepaald dat de herinvesteringsreserve aan de winst moet worden toegevoegd ingeval er sprake is van een belangrijke wijziging in de uiteindelijke zeggenschap dan wel de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van de belastingplichtige, tenzij de activa van de belastingplichtige voor minder dan in belangrijke mate bestaan uit beleggingen.'
MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27 209, nr. 3, p. 54