FED 1990/738
Art. 15, aanhef en onder 4, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat als leveringen van goederen bestemd voor de bevoorrading van schepen slechts kunnen worden aangemerkt de leveringen aan de ondernemer die de goederen als scheepsvoorraad zal bezigen, waarbij het aan boord brengen van de goederen materieel niet behoeft samen te vallen met de levering aan de ondernemer.
HvJ EG 26-06-1990, ECLI:EU:C:1990:262, m.nt. D.B. Bijl
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
26 juni 1990
- Magistraten
Velker; Lenz
- Zaaknummer
C-185/89
- Noot
D.B. Bijl
- LJN
AW6581
- JCDI
JCDI:ADS207842:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:1990:262, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 26‑06‑1990
ECLI:EU:C:1990:181, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 02‑05‑1990
- Wetingang
art. 15 onder 4 Zesde BTW-Richtlijn
Essentie
Art. 15, aanhef en onder 4, van de Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat als leveringen van goederen bestemd voor de bevoorrading van schepen slechts kunnen worden aangemerkt de leveringen aan de ondernemer die de goederen als scheepsvoorraad zal bezigen, waarbij het aan boord brengen van de goederen materieel niet behoeft samen te vallen met de levering aan de ondernemer.
Uitspraak
1. Bij arrest van 24 mei 1989, ingekomen bij het Hof op 29 mei daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens art. 177 EEG-Verdrag twee prejudiciele vragen gesteld over de uitlegging van art. 15 van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.