Wordt de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, niet of niet-geheel betaald dan kan de te weinig betaalde belasting door het opleggen van een naheffingsaanslag worden nageheven. Hoewel de gedachte achter naheffing gelijkluidend is aan de gedachte achter navordering, bestaan er enkele verschillen.
Zo is bij naheffing de eis van het nieuwe feit en daar in het verlengde van, de jurisprudentie over het ambtelijk verzuim, niet van toepassing. Dit mede vanwege het ontbreken van de aanslagfase. De voornaamste termijn bij naheffing is, overeenkomstig navordering, ook vijf jaar, zie artikel 20, derde lid, van de AWR. Het startpunt van deze termijn wijkt echter wel enigzins af van de startperiode bij navordering. Verder is het mogelijk dat de Inspecteur meerdere naheffingsaanslagen oplegt aan de belastingplichtige.
De bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van een naheffingsaanslag wordt beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (aant. 1.11) en mogelijkerwijs de communautaire beginselen (aant. 1.10).
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 20 (aant. 1)
2. De voorwaarden voor naheffing (aant. 2)
Naheffing is mogelijk indien:
a.
de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen geheel of gedeeltelijk niet is betaald, dan wel naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek ten onrechte of tot een te hoog bedrag vrijstelling, vermindering van inhouding of teruggaaf is verleend (aant. 2.1 en 2.2);
b.
na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan dan wel ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf is verleend nog geen vijf jaren zijn verlopen (aant. 2.3);
c.
het opleggen van de naheffingsaanslag niet in strijd is met de Europese rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur (aant. 1.10 en 1.11).
De eis van de aanwezigheid van een nieuw feit wordt met betrekking tot de naheffing niet gesteld. Deze eis geldt wel voor navordering.
3. Wat kan worden nageheven? (aant. 3)
De te weinig geheven belasting omvat ook de niet geheven belasting. Voor zover de te weinig betaalde dividendbelasting en loonbelasting voorheffing is, zal in de regel geen naheffing daarvan plaatsvinden indien aan de belastingplichtige (degene van wie de belasting had moeten worden ingehouden) reeds een aanslag in de inkomstenbelasting c.q. de vennootschapsbelasting voor het desbetreffende jaar is opgelegd. Op grond van goed koopmansgebruik kan een naheffingsaanslag niet in mindering worden gebracht op de fiscale winst wanneer deze aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. In dit verband is de verhouding tussen naheffing en navordering in de uitvoeringssfeer van belang.
4. Het tijdvak van naheffing (aant. 4)
Een naheffingsaanslag kan betrekking hebben op meer dan één tijdvak. Wel is van belang dat de aangifte- en betalingstermijn moeten zijn verstreken wil de belasting over een tijdvak in de naheffingsaanslag kunnen worden begrepen.
5. De onderzoeksplicht (aant. 5)
De onderzoeksplicht van de inspecteur staat voorop ingeval hij wil naheffen. De belastingplichtige en de belastingrechter spelen evenwel een rol.
6. Bezwaar en beroep (aant. 6)
Tegen een naheffingsaanslag kan een bezwaarschrift worden ingediend. Met toestemming van de inspecteur kan de bezwaarfase evenwel worden overgeslagen en kan direct beroep worden ingesteld bij de Rechtbank.
7. Bij wie wordt nageheven? (aant. 7)
De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen of aan degene die ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding of teruggaaf is verleend. Onder omstandigheden kan een naheffingsaanslag echter ook aan een ander worden opgelegd.
8. De naheffingstermijn (aant. 8)
Naheffing kan niet meer plaatsvinden na verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Wat betreft het tijdstip waarop de naheffing plaatsvindt is beslissend de dagtekening van het aanslagbiljet.
9. Belastingrente (aant. 10)
Bij het opleggen van een naheffingsaanslag wordt in beginsel belastingrente in rekening gebracht.
10. Invorderingskwesties (aant.11)
In aantekening 11 wordt ingegaan op enkele aspecten van de invordering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Algemeen Deel, art. 20 AWR, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 01-04-2026
01-04-2026
01-01-1985 tot: -
Vakstudie Algemeen Deel, art. 20 AWR, aant. 1.1
Fiscaal bestuursrecht / Aangifte
Loonbelasting / Algemeen
naheffingsaanslag loonbelasting
naheffing
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 20
Beschouwing
Wordt de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, niet of niet-geheel betaald dan kan de te weinig betaalde belasting door het opleggen van een naheffingsaanslag worden nageheven. Hoewel de gedachte achter naheffing gelijkluidend is aan de gedachte achter navordering, bestaan er enkele verschillen.
Zo is bij naheffing de eis van het nieuwe feit en daar in het verlengde van, de jurisprudentie over het ambtelijk verzuim, niet van toepassing. Dit mede vanwege het ontbreken van de aanslagfase. De voornaamste termijn bij naheffing is, overeenkomstig navordering, ook vijf jaar, zie artikel 20, derde lid, van de AWR. Het startpunt van deze termijn wijkt echter wel enigzins af van de startperiode bij navordering. Verder is het mogelijk dat de Inspecteur meerdere naheffingsaanslagen oplegt aan de belastingplichtige.
De bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van een naheffingsaanslag wordt beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (aant. 1.11) en mogelijkerwijs de communautaire beginselen (aant. 1.10).
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 20 (aant. 1)
2. De voorwaarden voor naheffing (aant. 2)
Naheffing is mogelijk indien:
de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen geheel of gedeeltelijk niet is betaald, dan wel naar aanleiding van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek ten onrechte of tot een te hoog bedrag vrijstelling, vermindering van inhouding of teruggaaf is verleend (aant. 2.1 en 2.2);
na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan dan wel ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf is verleend nog geen vijf jaren zijn verlopen (aant. 2.3);
het opleggen van de naheffingsaanslag niet in strijd is met de Europese rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur (aant. 1.10 en 1.11).
De eis van de aanwezigheid van een nieuw feit wordt met betrekking tot de naheffing niet gesteld. Deze eis geldt wel voor navordering.
3. Wat kan worden nageheven? (aant. 3)
De te weinig geheven belasting omvat ook de niet geheven belasting. Voor zover de te weinig betaalde dividendbelasting en loonbelasting voorheffing is, zal in de regel geen naheffing daarvan plaatsvinden indien aan de belastingplichtige (degene van wie de belasting had moeten worden ingehouden) reeds een aanslag in de inkomstenbelasting c.q. de vennootschapsbelasting voor het desbetreffende jaar is opgelegd. Op grond van goed koopmansgebruik kan een naheffingsaanslag niet in mindering worden gebracht op de fiscale winst wanneer deze aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat. In dit verband is de verhouding tussen naheffing en navordering in de uitvoeringssfeer van belang.
4. Het tijdvak van naheffing (aant. 4)
Een naheffingsaanslag kan betrekking hebben op meer dan één tijdvak. Wel is van belang dat de aangifte- en betalingstermijn moeten zijn verstreken wil de belasting over een tijdvak in de naheffingsaanslag kunnen worden begrepen.
5. De onderzoeksplicht (aant. 5)
De onderzoeksplicht van de inspecteur staat voorop ingeval hij wil naheffen. De belastingplichtige en de belastingrechter spelen evenwel een rol.
6. Bezwaar en beroep (aant. 6)
Tegen een naheffingsaanslag kan een bezwaarschrift worden ingediend. Met toestemming van de inspecteur kan de bezwaarfase evenwel worden overgeslagen en kan direct beroep worden ingesteld bij de Rechtbank.
7. Bij wie wordt nageheven? (aant. 7)
De naheffingsaanslag wordt opgelegd aan degene die de belasting had behoren te betalen of aan degene die ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding of teruggaaf is verleend. Onder omstandigheden kan een naheffingsaanslag echter ook aan een ander worden opgelegd.
8. De naheffingstermijn (aant. 8)
Naheffing kan niet meer plaatsvinden na verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. Wat betreft het tijdstip waarop de naheffing plaatsvindt is beslissend de dagtekening van het aanslagbiljet.
9. Belastingrente (aant. 10)
Bij het opleggen van een naheffingsaanslag wordt in beginsel belastingrente in rekening gebracht.
10. Invorderingskwesties (aant.11)
In aantekening 11 wordt ingegaan op enkele aspecten van de invordering.