Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet VPB 1969 wordt de winst onder meer bepaald op de voet van artikel 3.8 van de Wet IB 2001. Artikel 3.8 van de Wet IB 2001 vormt de basis voor de bepaling van de ‘totale winst’ ofwel ‘totaalwinst’. Deze 'winst' is het bedrag 'van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming'. In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 8, eerste lid, Wet VPB 1969 jo. artikel 3.8 Wet IB 2001 is met betrekking tot een aantal specifieke kostenposten in artikel 9 Wet VPB 1969 expliciet gemaakt dat deze posten in aftrek van de winst kunnen komen. Langs deze weg heeft de wetgever beoogd twijfel uit te sluiten omtrent de aftrekbaarheid van de in artikel 9 genoemde kostenposten. Voor dit uitsluiten van twijfel bestaat aanleiding met betrekking tot kosten die geheel of ten dele een winstafhankelijk karakter hebben. Zo zien de onderdelen a, b en c (tekst vanaf 1 januari 2002) van artikel 9 Wet VPB 1969 op diverse soorten 'aandelen in de winst'.
Voor het uitsluiten van twijfel omtrent de aftrekbaarheid van bepaalde kosten was in het bijzonder aanleiding bij uitgaven die samenhangen met de specifieke rechtsvorm van lichamen die belastingplichtig zijn voor de heffing van vennootschapsbelasting. Dit houdt verband met de uitzondering in artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Wet VPB 1969, op hetgeen in het eerste lid van dat artikel is bepaald: 'Het eerste lid is niet van toepassing voorzover (…) uit het verschil in wezen tussen de belastingplichtige en een natuurlijk persoon het tegendeel voortvloeit'. De praktische betekenis van deze uitzondering, die ook voorkwam in het vóór 2001 geldende artikel 8, eerste lid, Wet VPB 1969, is beperkt gebleven. Niettemin voorkomt artikel 9 Wet VPB 1969 met betrekking tot de in die bepaling genoemde posten dat de uitzondering van (thans) artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Wet VPB 1969 een te groot bereik zou krijgen.
Artikel 9, onderdeel a, b en c, hebben betrekking op aandelen in de winst. Het gaat hier — kort gezegd — om de volgende categorieën aandelen in de winst:
—
aandelen in de winst aan bestuurders en verder personeel ter zake van in de onderneming verrichte arbeid (onderdeel a; aant. 6);
—
aandelen in de winst die de tegenprestatie vormen voor het verlenen van een concessie of een licentie op een octrooi (onderdeel b; aant. 16 en aant. 40);
—
aandelen in de winst van een verzekeringsonderneming welke aan verzekerden krachtens hun verzekering toekomen (onderdeel c; aant. 61).
In de van 1 januari 1969 tot 1 januari 2002 geldende tekst van artikel 9 van de Wet VPB 1969 waren de hiervoor genoemde onderdelen a, b en c aangeduid als onderdeel a, c respectievelijk d. In evengenoemde periode volgde op artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, een onderdeel b, inzake de aftrekbaarheid van aandelen in de winst die toekomen aan de gerechtigden tot schuldvorderingen welke niet aan oprichters, aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden als zodanig zijn opgekomen. Zie hiervoor aant. 16 en aant. 25. Dit onderdeel van artikel 9 Wet VPB 1969 is met ingang van 1 januari 2002 komen te vervallen, wet van 14 december 2001, Stb. 2001, 641 (Belastingplan 2002-II Economische infrastructuur). Deze wijziging is voor het eerst van toepassing op leningen die zijn aangegaan na 31 december 2001.
In de plaats van het tot 1 januari 2002 geldende artikel 9, eerste lid, onderdeel b, geldt met ingang van 1 januari 2002 een in artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, alsmede het tweede, derde en vierde lid, opgenomen regeling inzake de niet-aftrekbaarheid van vergoedingen op en waardemutaties van een geldlening die feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 10 Wet VPB 1969 aant. 32 en volgende. Met ingang van 1 januari 2007 zijn de tweede volzin van artikel 10, alsmede het tweede tot en met vierde lid van artikel 10 Wet VPB 1969 komen te vervallen, wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631 (Wet werken aan winst). De bedoeling hiervan is om voor de vraag of een hybride geldverstrekking hetzij als een lening, hetzij als kapitaal moet worden aangemerkt, (weer) aan te knopen bij de criteria die door de Hoge Raad zijn ontwikkeld. Zie hiervoor aant. 16.5.
Onderdeel d van artikel 9 Wet VPB 1969 heeft betrekking op de aftrekbaarheid van oprichtingskosten alsmede kosten van wijziging van het kapitaal. Zie aant. 66.
Tot 1 januari 2025 bevatte onderdeel e een bepaling geldend voor open commanditaire vennootschappen, die bepaalde dat het gedeelte van de winst dat toekomt aan de voor het geheel aansprakelijke vennoten als zodanig aftrekbaar was van de winst. Zie aant. 75. Deze bepaling is met het verdwijnen van de open commanditaire vennootschap als belastingplichtige in artikel 2, lid 1, onderdeel a, Wet VPB 1969 niet langer relevant en is daarom vervallen.
Voor de zogenoemde directe overheidsbedrijven zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, Wet VPB 1969 (tot 1 januari 2025 onderdeel f) voorzag onderdeel f in een — door de minister te bepalen — renteaftrek over het vermogen bij het begin van het jaar (zie aant. 81). Deze bepaling is met ingang van 12 juni 2015 komen te vervallen, wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 207 (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen).
Met ingang van 1 januari 2022 is in artikel 9, eerste lid, Wet VPB 1969 een nieuw onderdeel f (vanaf 1 januari 2025 herletterd naar e) ingevoegd, dat betrekking heeft op de aftrek van de winst ten gunste van aan een heffing naar de winst onderworpen gerechtigden tot een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid, Wet VPB 1969; zie nader aant. 78.
Artikel 9, eerste lid, onderdeel f, en artikel 9, tweede lid, nemen een bijzondere plaats in. Deze bepalingen zijn uitsluitend van toepassing bij de winstbepaling van coöperatieve verenigingen. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel g, staat onder bepaalde voorwaarden een aftrek toe van de aan de leden uitgekeerde winst, voorzover behaald met werkzaamheden die in het verlengde liggen van de onderneming(en) van de leden (de 'verlengstukwinst'; aant. 301–334). Artikel 9, tweede lid, heeft betrekking op de wijze waarop deze 'verlengstukwinst' wordt vastgesteld (aant. 309–310).
De hiervoor vermelde onderdelen van artikel 9 van de Wet VPB 1969 kwamen ook reeds voor in de voorloper van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 13 Besluit VPB 1942. Met artikel 9 VPB 1969 is voorzover dat met artikel 13 Besluit VPB 1942 overeenkomt, zoals ook valt af te leiden uit de toelichting op beide bepalingen, geen wijziging ten opzichte van het besluit beoogd. Dit houdt in dat de jurisprudentie die inzake deze onderdelen gewezen is onder het regiem van het Besluit VPB 1942 ook van belang kan zijn voor de toepassing van artikel 9 Wet VPB 1969. Voor de tekst en de toelichting op artikel 13 Besluit VPB 1942 wordt verwezen naar aant. 1.6.
Het thans vervallen onderdeel h van artikel 9 had betrekking op de gevolgen voor de winstbepaling van het toekennen van nieuwe aandelen, rechten om aandelen te verwerven (werknemersopties) en winstbewijzen aan werknemers; aant. 91.
Met ingang van 26 juni 1998 is de formulering van artikel 9, eerste lid, onderdeel h (Bew.: destijds onderdeel i) ook gaan gelden voor de toekenning aan werknemers van opties op bestaande aandelen. Deze aanpassing heeft tevens geleid tot de uitbreiding van artikel 9 met een derde lid, betreffende de omvang van het ter zake van de toepassing van werknemersaandelen in aftrek te brengen bedrag. Zie aant. 91.41.
Met ingang van 1 januari 2007 zijn onderdeel h en — in verband daarmee — het derde lid van artikel 9 komen te vervallen, wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631 (Wet werken aan winst). Dit heeft overigens niet tot gevolg dat met betrekking tot de aftrekbaarheid van werknemersaandelen en opties op dergelijke aandelen wordt teruggekeerd naar het jurisprudentierecht van vóór 1 januari 1994 toen artikel 9, onderdeel h (destijds onderdeel i) werd ingevoerd, omdat — eveneens bij de Wet werken aan winst — aan artikel 10, eerste lid, Wet VPB 1969 een nieuw onderdeel j is toegevoegd op grond waarvan — kort gezegd — kosten ter zake van de uitreiking of toekenning van aandelen dan wel rechten om dergelijke aandelen te verwerven van aftrek van de winst zijn uitgesloten. Zie hierover nader het commentaar op artikel 10 Wet VPB 1969. Met betrekking tot vóór 24 mei 2006 aan werknemers toegekende rechten om aandelen of winstbewijzen te verwerven (en daarmee gelijk te stellen rechten) blijven artikel 9, eerste lid, onderdeel h, en artikel 9, derde lid, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 2006, nog tot en met 31 december 2009 van toepassing (Wet werken aan winst, artikel VIIIa ).
Naast het doen vervallen van het tot 1 januari 2002 geldende artikel 9, eerste lid, onderdeel b, heeft de wet van 14 december 2001, Stb. 2001, 641, geleid tot een uitbreiding met onderdeel h van het eerste lid (tot 1 januari 2007: onderdeel i). Deze bepaling voorziet in een aftrek van uitgaven door en uitkeringen aan goed-doellichamen. Met ingang van 1 januari 2012 is deze bepaling komen te vervallen. Zie aant. 100.
In artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel g (tot 1 januari 2012: onderdeel i; tot 1 januari 2007: onderdeel j en tot 1 januari 2025: onderdeel h), is een aftrekmogelijkheid opgenomen ter zake van de (fictieve) kosten van vrijwilligers die werkzaam zijn bij een lichaam dat een algemeen maatschappelijk belang behartigt. Zie aant. 110.
Artikel 9, derde lid (tot 1 januari 2007: vierde lid), bevat een nadere regeling van de hoogte van de ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel g, in aanmerking te nemen aftrek. Zie aant. 114.
Artikel 9, vierde lid, bevat nadere voorwaarden voor de aftrek van kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g. Zie aant. 117.
In een mogelijke cumulatie van de aftrek van het eerste lid, onderdeel h, en die van artikel 9a Wet VPB 1969, voorziet artikel 9, vijfde lid (tot 1 januari 2012: vierde lid; tot 1 januari 2007: vijfde lid). Zie aant. 121.
In het tot 2012 geldende artikel 9, vijfde lid (tot 1 januari 2007: zesde lid), was de bevoegdheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur nadere voorwaarden te stellen aan de toepassing van – destijds – artikel 9, eerste lid, onderdeel h en onderdeel i. Zie aant. 125.
Met ingang van 1 januari 2012 is aan artikel 9 Wet VPB 1969 een (nieuw) zesde lid toegevoegd. In deze bepaling is de bevoegdheid vastgelegd om, ter voorkoming van concurrentieverstoring, bij ministeriële regeling lichamen, groepen lichamen of activiteiten uit te zonderen van de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet VPB 1969. Zie aant. 128.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 9 Wet VPB 1969, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 16-02-2026
16-02-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/33 en V-N 2026/8.30
30-10-1969 tot: -
Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 9 Wet VPB 1969, aant. 1.1
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
winst aftrekbare uitgaven
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 9
Beschouwing
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet VPB 1969 wordt de winst onder meer bepaald op de voet van artikel 3.8 van de Wet IB 2001. Artikel 3.8 van de Wet IB 2001 vormt de basis voor de bepaling van de ‘totale winst’ ofwel ‘totaalwinst’. Deze 'winst' is het bedrag 'van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming'. In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 8, eerste lid, Wet VPB 1969 jo. artikel 3.8 Wet IB 2001 is met betrekking tot een aantal specifieke kostenposten in artikel 9 Wet VPB 1969 expliciet gemaakt dat deze posten in aftrek van de winst kunnen komen. Langs deze weg heeft de wetgever beoogd twijfel uit te sluiten omtrent de aftrekbaarheid van de in artikel 9 genoemde kostenposten. Voor dit uitsluiten van twijfel bestaat aanleiding met betrekking tot kosten die geheel of ten dele een winstafhankelijk karakter hebben. Zo zien de onderdelen a, b en c (tekst vanaf 1 januari 2002) van artikel 9 Wet VPB 1969 op diverse soorten 'aandelen in de winst'.
Voor het uitsluiten van twijfel omtrent de aftrekbaarheid van bepaalde kosten was in het bijzonder aanleiding bij uitgaven die samenhangen met de specifieke rechtsvorm van lichamen die belastingplichtig zijn voor de heffing van vennootschapsbelasting. Dit houdt verband met de uitzondering in artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Wet VPB 1969, op hetgeen in het eerste lid van dat artikel is bepaald: 'Het eerste lid is niet van toepassing voorzover (…) uit het verschil in wezen tussen de belastingplichtige en een natuurlijk persoon het tegendeel voortvloeit'. De praktische betekenis van deze uitzondering, die ook voorkwam in het vóór 2001 geldende artikel 8, eerste lid, Wet VPB 1969, is beperkt gebleven. Niettemin voorkomt artikel 9 Wet VPB 1969 met betrekking tot de in die bepaling genoemde posten dat de uitzondering van (thans) artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel c, Wet VPB 1969 een te groot bereik zou krijgen.
Artikel 9, onderdeel a, b en c, hebben betrekking op aandelen in de winst. Het gaat hier — kort gezegd — om de volgende categorieën aandelen in de winst:
aandelen in de winst aan bestuurders en verder personeel ter zake van in de onderneming verrichte arbeid (onderdeel a; aant. 6);
aandelen in de winst die de tegenprestatie vormen voor het verlenen van een concessie of een licentie op een octrooi (onderdeel b; aant. 16 en aant. 40);
aandelen in de winst van een verzekeringsonderneming welke aan verzekerden krachtens hun verzekering toekomen (onderdeel c; aant. 61).
In de van 1 januari 1969 tot 1 januari 2002 geldende tekst van artikel 9 van de Wet VPB 1969 waren de hiervoor genoemde onderdelen a, b en c aangeduid als onderdeel a, c respectievelijk d. In evengenoemde periode volgde op artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, een onderdeel b, inzake de aftrekbaarheid van aandelen in de winst die toekomen aan de gerechtigden tot schuldvorderingen welke niet aan oprichters, aandeelhouders, leden, deelnemers of deelgerechtigden als zodanig zijn opgekomen. Zie hiervoor aant. 16 en aant. 25. Dit onderdeel van artikel 9 Wet VPB 1969 is met ingang van 1 januari 2002 komen te vervallen, wet van 14 december 2001, Stb. 2001, 641 (Belastingplan 2002-II Economische infrastructuur). Deze wijziging is voor het eerst van toepassing op leningen die zijn aangegaan na 31 december 2001.
In de plaats van het tot 1 januari 2002 geldende artikel 9, eerste lid, onderdeel b, geldt met ingang van 1 januari 2002 een in artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdeel d, alsmede het tweede, derde en vierde lid, opgenomen regeling inzake de niet-aftrekbaarheid van vergoedingen op en waardemutaties van een geldlening die feitelijk functioneert als eigen vermogen van de belastingplichtige. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 10 Wet VPB 1969 aant. 32 en volgende. Met ingang van 1 januari 2007 zijn de tweede volzin van artikel 10, alsmede het tweede tot en met vierde lid van artikel 10 Wet VPB 1969 komen te vervallen, wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631 (Wet werken aan winst). De bedoeling hiervan is om voor de vraag of een hybride geldverstrekking hetzij als een lening, hetzij als kapitaal moet worden aangemerkt, (weer) aan te knopen bij de criteria die door de Hoge Raad zijn ontwikkeld. Zie hiervoor aant. 16.5.
Onderdeel d van artikel 9 Wet VPB 1969 heeft betrekking op de aftrekbaarheid van oprichtingskosten alsmede kosten van wijziging van het kapitaal. Zie aant. 66.
Tot 1 januari 2025 bevatte onderdeel e een bepaling geldend voor open commanditaire vennootschappen, die bepaalde dat het gedeelte van de winst dat toekomt aan de voor het geheel aansprakelijke vennoten als zodanig aftrekbaar was van de winst. Zie aant. 75. Deze bepaling is met het verdwijnen van de open commanditaire vennootschap als belastingplichtige in artikel 2, lid 1, onderdeel a, Wet VPB 1969 niet langer relevant en is daarom vervallen.
Voor de zogenoemde directe overheidsbedrijven zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, Wet VPB 1969 (tot 1 januari 2025 onderdeel f) voorzag onderdeel f in een — door de minister te bepalen — renteaftrek over het vermogen bij het begin van het jaar (zie aant. 81). Deze bepaling is met ingang van 12 juni 2015 komen te vervallen, wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 207 (Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen).
Met ingang van 1 januari 2022 is in artikel 9, eerste lid, Wet VPB 1969 een nieuw onderdeel f (vanaf 1 januari 2025 herletterd naar e) ingevoegd, dat betrekking heeft op de aftrek van de winst ten gunste van aan een heffing naar de winst onderworpen gerechtigden tot een omgekeerd hybride lichaam als bedoeld in artikel 2, elfde lid, Wet VPB 1969; zie nader aant. 78.
Artikel 9, eerste lid, onderdeel f, en artikel 9, tweede lid, nemen een bijzondere plaats in. Deze bepalingen zijn uitsluitend van toepassing bij de winstbepaling van coöperatieve verenigingen. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel g, staat onder bepaalde voorwaarden een aftrek toe van de aan de leden uitgekeerde winst, voorzover behaald met werkzaamheden die in het verlengde liggen van de onderneming(en) van de leden (de 'verlengstukwinst'; aant. 301–334). Artikel 9, tweede lid, heeft betrekking op de wijze waarop deze 'verlengstukwinst' wordt vastgesteld (aant. 309–310).
De hiervoor vermelde onderdelen van artikel 9 van de Wet VPB 1969 kwamen ook reeds voor in de voorloper van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 13 Besluit VPB 1942. Met artikel 9 VPB 1969 is voorzover dat met artikel 13 Besluit VPB 1942 overeenkomt, zoals ook valt af te leiden uit de toelichting op beide bepalingen, geen wijziging ten opzichte van het besluit beoogd. Dit houdt in dat de jurisprudentie die inzake deze onderdelen gewezen is onder het regiem van het Besluit VPB 1942 ook van belang kan zijn voor de toepassing van artikel 9 Wet VPB 1969. Voor de tekst en de toelichting op artikel 13 Besluit VPB 1942 wordt verwezen naar aant. 1.6.
Het thans vervallen onderdeel h van artikel 9 had betrekking op de gevolgen voor de winstbepaling van het toekennen van nieuwe aandelen, rechten om aandelen te verwerven (werknemersopties) en winstbewijzen aan werknemers; aant. 91.
Met ingang van 26 juni 1998 is de formulering van artikel 9, eerste lid, onderdeel h (Bew.: destijds onderdeel i) ook gaan gelden voor de toekenning aan werknemers van opties op bestaande aandelen. Deze aanpassing heeft tevens geleid tot de uitbreiding van artikel 9 met een derde lid, betreffende de omvang van het ter zake van de toepassing van werknemersaandelen in aftrek te brengen bedrag. Zie aant. 91.41.
Met ingang van 1 januari 2007 zijn onderdeel h en — in verband daarmee — het derde lid van artikel 9 komen te vervallen, wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631 (Wet werken aan winst). Dit heeft overigens niet tot gevolg dat met betrekking tot de aftrekbaarheid van werknemersaandelen en opties op dergelijke aandelen wordt teruggekeerd naar het jurisprudentierecht van vóór 1 januari 1994 toen artikel 9, onderdeel h (destijds onderdeel i) werd ingevoerd, omdat — eveneens bij de Wet werken aan winst — aan artikel 10, eerste lid, Wet VPB 1969 een nieuw onderdeel j is toegevoegd op grond waarvan — kort gezegd — kosten ter zake van de uitreiking of toekenning van aandelen dan wel rechten om dergelijke aandelen te verwerven van aftrek van de winst zijn uitgesloten. Zie hierover nader het commentaar op artikel 10 Wet VPB 1969. Met betrekking tot vóór 24 mei 2006 aan werknemers toegekende rechten om aandelen of winstbewijzen te verwerven (en daarmee gelijk te stellen rechten) blijven artikel 9, eerste lid, onderdeel h, en artikel 9, derde lid, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 2006, nog tot en met 31 december 2009 van toepassing (Wet werken aan winst, artikel VIIIa ).
Naast het doen vervallen van het tot 1 januari 2002 geldende artikel 9, eerste lid, onderdeel b, heeft de wet van 14 december 2001, Stb. 2001, 641, geleid tot een uitbreiding met onderdeel h van het eerste lid (tot 1 januari 2007: onderdeel i). Deze bepaling voorziet in een aftrek van uitgaven door en uitkeringen aan goed-doellichamen. Met ingang van 1 januari 2012 is deze bepaling komen te vervallen. Zie aant. 100.
In artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel g (tot 1 januari 2012: onderdeel i; tot 1 januari 2007: onderdeel j en tot 1 januari 2025: onderdeel h), is een aftrekmogelijkheid opgenomen ter zake van de (fictieve) kosten van vrijwilligers die werkzaam zijn bij een lichaam dat een algemeen maatschappelijk belang behartigt. Zie aant. 110.
Artikel 9, derde lid (tot 1 januari 2007: vierde lid), bevat een nadere regeling van de hoogte van de ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel g, in aanmerking te nemen aftrek. Zie aant. 114.
Artikel 9, vierde lid, bevat nadere voorwaarden voor de aftrek van kosten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g. Zie aant. 117.
In een mogelijke cumulatie van de aftrek van het eerste lid, onderdeel h, en die van artikel 9a Wet VPB 1969, voorziet artikel 9, vijfde lid (tot 1 januari 2012: vierde lid; tot 1 januari 2007: vijfde lid). Zie aant. 121.
In het tot 2012 geldende artikel 9, vijfde lid (tot 1 januari 2007: zesde lid), was de bevoegdheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur nadere voorwaarden te stellen aan de toepassing van – destijds – artikel 9, eerste lid, onderdeel h en onderdeel i. Zie aant. 125.
Met ingang van 1 januari 2012 is aan artikel 9 Wet VPB 1969 een (nieuw) zesde lid toegevoegd. In deze bepaling is de bevoegdheid vastgelegd om, ter voorkoming van concurrentieverstoring, bij ministeriële regeling lichamen, groepen lichamen of activiteiten uit te zonderen van de toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel g, Wet VPB 1969. Zie aant. 128.