FED 1991/817
De omstandigheid dat ter zake van de aanschaffing en voortbrenging van het onroerend goed ten onrechte investeringsbijdragen in aanmerking zijn genomen, kan, indien ook overigens aan de daarvoor te stellen voorwaarden is voldaan, grond bieden voor het opleggen van een navorderingsaanslag, doch brengt niet mee dat dit goed als een bedrijfsmiddel moet worden beschouwd en vormt op zichzelf geen reden voor de heffing van desinvesteringsbetalingen. Daaraan doet niet af, dat de inspecteur toen hij de investeringsbijdragen in aanmerking nam, niet aan de door belanghebbende gegeven - onvolledige - voorstelling van zaken behoefde te twijfelen, en evenmin dat belanghebbende ten onrechte meende dat het onroerend goed tot het ondernemingsvermogen van zijn administratie- en assurantiekantoor kon worden gerekend.
HR 05-06-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4609, m.nt. P.M. Verhagen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
5 juni 1991
- Magistraten
Jansen; Linde, Van Der; Baardman; Bellaart; Korthals Altes; Verburg
- Zaaknummer
26 333
- Noot
P.M. Verhagen
- LJN
ZC4609
- JCDI
JCDI:ADS208727:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1991:ZC4609, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑06‑1991
- Wetingang
Essentie
De omstandigheid dat ter zake van de aanschaffing en voortbrenging van het onroerend goed ten onrechte investeringsbijdragen in aanmerking zijn genomen, kan, indien ook overigens aan de daarvoor te stellen voorwaarden is voldaan, grond bieden voor het opleggen van een navorderingsaanslag, doch brengt niet mee dat dit goed als een bedrijfsmiddel moet worden beschouwd en vormt op zichzelf geen reden voor de heffing van desinvesteringsbetalingen. Daaraan doet niet af, dat de inspecteur toen hij de investeringsbijdragen in aanmerking nam, niet aan de door belanghebbende gegeven - onvolledige - voorstelling van zaken behoefde te twijfelen, en evenmin dat belanghebbende ten ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.