WFR 1989/930
De BVP is verenigbaar met het Europese recht, althans voorlopig!
Servaas van Thiel (Prof. van Thiel is werkzaam bij het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen te Luxemburg en doceert Internationaal Belastingrecht aan het postdoctorale 'Program on International Legal Cooperation' van de Vrije Universiteit Brussel. Het artikel is geschreven op persoonlijke titel.), datum 01-01-1989
- Datum
01-01-1989
- Auteur
Servaas van Thiel (Prof. van Thiel is werkzaam bij het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen te Luxemburg en doceert Internationaal Belastingrecht aan het postdoctorale 'Program on International Legal Cooperation' van de Vrije Universiteit Brussel. Het artikel is geschreven op persoonlijke titel.)
- JCDI
JCDI:ADS724407:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Europees belastingrecht / Algemeen
1 Inleiding
In 1988 stelde de Hoge Raad enkele prejudiciele vragen aan het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen (HvJ EG) omtrent de verenigbaarheid van de Nederlandse Bijzondere Verbruiksbelasting van Personenauto's (BVP) met de op Europees niveau geharmoniseerde Belasting op Toegevoegde Waarde (BTW) en omtrent de rechtsgevolgen van een eventuele onverenigbaarheid van beide belastingen. (Arresten van de Hoge Raad van 9 maart 1988, nr. 23 985, gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wisselink en Co BV te Amsterdam tegen de uitspraak van Hof Amsterdam van 25 augustus 1985 en nr. 24 318 gewezen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.