FED 1996/219
Belanghebbende is aandeelhouder van BV B. BV B heeft haar onderneming overgedragen aan een dochter-BV, BV A, en daar tegenover een vordering gekregen op BV A. Vervolgens verkoopt BV B de aandelen BV A aan de door belanghebbende opgerichte BV C. Ten slotte vervreemdt belanghebbende de aandelen BV B aan een bank. Hoge Raad: de leer van de kasgeldarresten kent een uitzondering indien het ondernemingsvermogen waarin de verkopende aandeelhouder (belanghebbende) zijn belang heeft behouden in het totale vermogen van de vennootschap wier aandelen worden verkocht slechts van bijkomstige betekenis was. Indien de verkopende aandeelhouder (de belanghebbende) niet alleen zijn belang behoudt bij de in de verkochte vennootschap uitgeoefende ondernemingsactiviteiten maar ook bij niet aan die ondernemingsactiviteiten gebonden vermogensbestanddelen, doordat ook die vermogensbestanddelen naar de 'nieuwe' vennootschap worden overgebracht of naar het privé-vermogen van de aandeelhouder overgaan, is zulks een bijkomstige betekenis slechts aanwezig indien de totale gezamenlijke waarde van de overgebrachte vermogensbestanddelen minder beloopt dan tien percent van het totale vermogen van de kasgeldvennootschap onmiddellijk voor de overbrenging. Het hof heeft terecht bij de berekening van het overgebrachte vermogen rekening gehouden met de bij oprichting van BV A ontstane vordering, maar nu het hof niet heeft vastgesteld wat er in samenhang met het samenstel van transacties met die vordering is gebeurd, is niet duidelijk hoe het hof hieraan de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat het overgebrachte vermogen meer beloopt dan bedoelde tien percent. De waarde-aangroei van de aandelen BV B (de kasgeldvennootschap) na de 'verhanging' moet niet worden begrepen in het bedrag dat met toepassing van fraus legis als inkomsten uit vermogen kan worden aangemerkt. (Volgt vernietiging en verwijzing.)
HR 01-11-1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3170, m.nt. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 november 1995
- Magistraten
Stoffer; Urlings; Zuurmond; Herrmann; Fleers
- Zaaknummer
30026
- Noot
W.E.M. van Nispen tot Sevenaer
- LJN
AA3170
- JCDI
JCDI:ADS225389:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1995:AA3170, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑11‑1995
- Wetingang
Essentie
Belanghebbende is aandeelhouder van BV B. BV B heeft haar onderneming overgedragen aan een dochter-BV, BV A, en daar tegenover een vordering gekregen op BV A. Vervolgens verkoopt BV B de aandelen BV A aan de door belanghebbende opgerichte BV C. Ten slotte vervreemdt belanghebbende de aandelen BV B aan een bank. Hoge Raad: de leer van de kasgeldarresten kent een uitzondering indien het ondernemingsvermogen waarin de verkopende aandeelhouder (belanghebbende) zijn belang heeft behouden in het totale vermogen van de vennootschap wier aandelen worden verkocht slechts van bijkomstige betekenis was. Indien de verkopende aandeelhouder (de belanghebbende) niet alleen zijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.