In artikel 3.20 van de Wet IB 2001 is de bijtelling voor privé gebruik auto voor een ondernemer of resultaatgenieter geregeld. De bijtelling geldt als een auto ter beschikking is gesteld en niet overtuigend kan worden aangetoond dat de auto minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. De hoogte van de bijtelling hangt af van de hoogte van de CO2-uitstoot van de auto. De normale bijtelling bedraagt vanaf 2017 nog 22% (tot 2017: 25%) van de catalogusprijs van de auto en de laagste bijtelling bedraagt vanaf 2025 17%. Vanaf 2019 is de lage bijtelling beperkt tot de eerste € 50.000 catalogusprijs. In 2020 is dat 8% over de eerste € 45.000 catalogusprijs. In 2021 geldt een verlaagde bijtelling van 12% over de eerste € 40.000 catalogusprijs. Voor waterstofauto's en zonnecelauto's geldt een uitzondering. Deze auto's krijgen de verlaagde bijtelling over de hele catalogusprijs. Voor auto’s van 15 jaar en ouder geldt een bijtelling van 35% van de waarde van de auto. Vanaf 2022 geldt een verlaagde bijtelling van 16% over de eerste € 35.000 catalogusprijs. In 2023 en 2024 is de verlaagde bijtelling 16% gebleven, maar wel van maximaal € 30.000. Vanaf 2025 bedraagt de verlaagde bijtelling 17% over de eerste € 30.000 catalogusprijs. In 2026 geldt een verlaagde bijtelling van 18% (4% korting) en in 2027 van 20% (korting 2%) voor auto’s zonder CO2-uitstoot over de eerste € 30.000 catalogusprijs. Voor waterstofauto's en zonnecelauto's geldt een uitzondering. Deze auto's krijgen de verlaagde bijtelling over de hele catalogusprijs. Vanaf 2028 geldt voor nieuwe auto's geen verlaagde bijtelling meer. Alle auto's vallen dan onder het normale forfait van 22%. Voor auto’s van 16 jaar en ouder geldt een bijtelling van 35% van de waarde van de auto. Vanaf 2027 schuift dit op naar auto's van 25 jaar en ouder.
Een overzicht van de diverse percentages per jaar is opgenomen in aant. 5.1.3.
De bijtelling wordt bij de winst of het resultaat opgeteld. De bijtelling kan niet hoger zijn dan de totaal voor de auto ten laste van de winst of het resultaat gekomen kosten, inclusief de afschrijvingskosten van de auto.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3.20 (aant. 1)
Ook onder de Wet IB 1964 bestond al een regeling voor privé gebruik auto. Toen bedroeg de bijtelling 20% van de catalogusprijs. Vanaf 2001 bedroeg de bijtelling 22%. Vanaf 2008 is daar bijgekomen dat de bijtelling wordt gedifferentieerd naar de mate van CO2-uitstoot van de auto (zie ook aant. 5). De normale bijtelling is vanaf 2008 25%. In 2010 is daar nog de nihil-bijtelling bijgekomen voor auto’s met een CO2-uitstoot van minder van 50gr/km. Vanaf 2014 is voor nieuwe auto’s de nihil-bijtelling weer afgeschaft en vervangen door een bijtelling van 7% bij een CO2-uitstoot van minder dan 50 gr/km en een bijtelling van 4% bij een CO-uitstoot van nihil.
Met ingang van 1 januari 2002 waren ook al belangrijke wijzigingen in artikel 3.20 van de Wet IB 2001 aangebracht. Enerzijds is toen het regime voor bestelauto's versoepeld. Anderzijds werd het regelmatige woon-werkverkeer soms gedeeltelijk als privégebruik aangemerkt.
Vanaf 2016 is begonnen met het terugbrengen van het aantal bijtellingspercentages. In 2016 is de 7% bijtelling voor de zogenoemde hybrids vervallen. De bijtellingen van 14% en 20% zijn verhoogd naar resp. 15% en 21%. Vanaf 2017 geldt voor nieuwe auto's de bijtelling van 4% voor 0-emissie auto's en een bijtelling 22% voor alle andere auto's. Vanaf 2019 is de lage bijtelling beperkt tot de eerste € 50.000 catalogusprijs. In 2020 is dat 8% over de eerste € 45.000 catalogusprijs. In 2021 is dat 12% van € 40.000 en in 2022 16% van € 35.000.
In 2023 en 2024 geldt een verlaagde bijtelling van 16% over de eerste € 30.000 catalogusprijs. In 2025 is de verlaagde bijtelling verder verhoogd naar 17% over de eerste € 30.000 catalogusprijs. In 2026 en 2027 geldt een verlaagde bijtelling van 18% (4% korting) voor auto’s zonder CO2-uitstoot over de eerste € 30.000 catalogusprijs.
Voor waterstofauto's en zonnecelauto's geldt een uitzondering. Deze auto's krijgen de verlaagde bijtelling over de hele catalogusprijs. vanaf 2026 geldt voor nieuwe auto's geen verlaagde bijtelling meer. Voor auto’s van 16 jaar en ouder geldt een bijtelling van 35% van de waarde van de auto. Vanaf 2027 schuift dit op naar auto's van 25 jaar en ouder.
In verband met deze ingrijpende wijzigingen is het commentaar op artikel 3.20 van de Wet IB 2001 in drie tijdvakken verdeeld. In deze aantekening en de volgende aantekeningen wordt ingegaan op de met ingang van 1 januari 2004 geldende wettekst. Voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 is een afzonderlijk tijdvak gecreëerd. In aant. 1 t/m 9 op dat tijdvak wordt de regeling voor de jaren 2002 en 2003 behandeld. In aant. 1 t/m 9 op tijdvak 1 januari 2001 t/m 31 december 2001 wordt ingegaan op de specifiek voor het jaar 2001 geldende bepalingen.
Doel van de bijtelling is de kosten van het privé gebruik van de auto van de zaak te corrigeren op de winst en daarnaast geldt van 2008 tot en met 2025 in meer of mindere mate als doel het stimuleren van het gebruik van minder vervuilende auto’s.
Verder wordt in aant. 1 nog ingegaan op de context van de bepaling waaronder de gevolgen van de autokostenfictie voor andere regelingen, zoals bij het gebruik van de auto voor reizen in verband met geneeskundige hulp (aant. 1.6). Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of de nieuwe regeling niet het gevaar van verboden discriminatie inhoudt (aant. 1.8). Ook wordt ingegaan op het beleid van de Belastingdienst, waaronder de mogelijkheid afspraken met de inspecteur te maken (aant. 1.9). Daarna wordt ingegaan op goedkeuringen (aant. 1.13) en het afwijzende hardheidsclausulebeleid (aant. 1.14). Tot slot wordt ingegaan op diverse parlementaire varia (aant. 1.20).
2. De inhoudelijke werking van de bijtelling (aant. 2 en 3)
In aant. 2 wordt ingegaan op de hoofdregel, namelijk dat op jaarbasis ten minste 22% van de catalogusprijs van de auto als onttrekking in aanmerking wordt genomen. De hoogte van de bijtelling hield tot en met 2025 af van de CO2-uitstoot.
Als de werkelijke kosten van het privégebruik van de auto hoger zijn dan het forfait, moet de onttrekking op de werkelijke kosten van het privégebruik worden gesteld. Voor auto's die langer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen bedraagt de bijtelling 35% van de waarde in het economische verkeer van de auto. De onttrekking is ook dan beperkt tot het bedrag van de werkelijke kosten.
Hoe een en ander werkt bij bestelauto’s komt aan de orde in aant. 3.
3. Geen bijtelling bij een privé gebruik van minder dan 500 kilometer (aant. 4 en aant. 7)
In aant. 4 wordt ingegaan op de regel dat de onttrekking wordt gesteld op nihil indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het woord blijken wijst op een strenge vorm van bewijs. De Hoge Raad heeft aangegeven dat dan sprake moet zijn van overtuigend aantonen. Veelal wordt dit bewijs geleverd via een kilometeradministratie. Daarvoor zijn ook regels gegevens in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling IB 2001 (zie aant. 7). Bewijs mag ook op andere wijzen worden geleverd, zoals bijvoorbeeld door verklaringen.
4. De begrippen auto en waarde van de auto (aant. 6 en aant. 8)
In aant. 6 wordt ingegaan op het voor de autokostenfictie geldende begrip 'auto'. Daaronder vallen ook bestelauto’s, behalve de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.
In aant. 8 komt het begrip 'waarde van de auto' aan de orde, te weten:
⁃
de waarde die in het algemeen geldt bij een personenauto (aant. 8.1);
⁃
de waarde die in het algemeen geldt bij een bestelauto (aant. 8.2);
⁃
de waarde die geldt bij auto's (zowel personenauto's als bestelauto's) die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen (aant. 8.3).
5. Eigen bijdrage komt in mindering op de bijtelling (aant. 9)
In aant. 9 wordt behandeld dat de bijtelling wordt verminderd met de door de ondernemer of resultaatgenieter betaalde eigen bijdrage. Dat kan naast een vast bedrag ook gaan over in privé betaalde kosten voor de auto.
6. Woon-werkverkeer is geen privé gebruik (aant. 10)
In aant. 10 wordt ingegaan op de met ingang van 1 januari 2004 geherintroduceerde regel dat woon-werkverkeer in zijn geheel als zakelijk wordt aangemerkt. Zie voor de periode (de jaren 2002 en 2003) waarin woon-werkverkeer gedeeltelijk als privé werd aangemerkt, tijdvak 2 januari 2002 t/m 31 december 2003, aant. 10.
7. Gevolgen aanpassing uitstootgrenzen CO2 (aant. 11)
In aant. 11 wordt ingegaan op de regels voor de bijtelling na aanpassing van de CO2-uitstootgrenzen, zoals tot en met 2011 geregeld in artikel 10.7a van de Wet IB 2001. In artikel 3.20, elfde lid, van de Wet IB 2001 wordt geregeld dat na zo'n periodieke aanpassing van de grenzen de voorheen geldende normen blijven gelden voor auto's waarvan uit het kentekenbewijs blijkt dat die de voor datum van aanpassing van de grenzen voor het eerst in het kentekenregister zijn opgenomen. Deze regeling is vervangen door de in aant. 17 e.v. opgenomen regels.
8. Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto (aant. 12 tot en met aant. 16)
Als een bestelauto niet zakelijk gebruikt wordt kan de ondernemer of resultaatgenieter een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik afgeven. Voordeel daarvan is dat geen kilometeradministratie bijgehouden hoeft te worden (aant. 12). In aant. 13 wordt beschreven hoe de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik kan worden ingetrokken. Intrekking moet men doen voordat de bestelauto privé gebruikt gaat worden. Vanaf dat moment weer de gewone tegenbewijsregeling. Controle van de verklaring doet de Belastingdienst op basis van allerlei waarnemingen. In aant. 14 gaan we in op de mogelijkheid van het leveren van tegenbewijs indien de inspecteur privégebruik vermoed op basis van gedane waarnemingen.
In aant. 15 wordt behandeld dat bij een tijdige intrekking van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik, over de periode voorafgaand aan de intrekking wordt aangenomen dat geen privégebruik heeft plaatsgevonden. Voor de periode na het intrekken kan dan op basis van een kilometeradminstratie bewijs worden geleverd dat het privégebruik minder bedraagt dan 500 kilometer op jaarbasis.
In aant. 16 wordt beschreven dat de verklaring van uitsluitend zakelijk gebruik wordt afgegeven en ingetrokken door middel van een op de website van de Belastingdienst ter beschikking gesteld formulier.
9. Overgangsregelingen na vervanging van CO2-uitstootgrenzen (aant. 17 tot en met aant. 21)
In aant. 17 wordt het algemene uitgangspunt van de overgangsregeling besproken na vervanging van CO2-uitstootgrenzen. In aant. 18 wordt behandeld dat de eigensdomsoverdracht van een auto geen gevolgen heeft voor de hoogte van de bijtelling als de auto aan dezelfde persoon ter beschikking blijft staan. In aant. 19 wordt ingegaan op auto's met een CO2-uitstoot van minder dan 50gr/km na aanpassing van de uitstootgrenzen.
In aant. 20 wordt ingegaan op auto's met een CO2-uitstoot van 0gr/km na aanpassing van de uitstootgrenzen.
In aant. 21 wordt ingegaan op auto's met een CO2-uitstoot tussen 0 en 50gr/km. Verduidelijkt wordt dat men recht heeft op 60 maanden bijtelling van 0% bij tenaamstelling van het kenteken voor 1 januari 2012. Ook wordt ingegaan op de hoogte van de bijtelling na de eerste 60 maanden.
10. Bijtelling bij verschil tussen datum tenaamstelling en eerste toelating tot de weg
In aant. 22 wordt behandeld dat er regels gesteld kunnen worden voor de bijtelling zijn bij een verschil tussen de datum van tenaamstelling en de eerste toelating tot de weg. Dit is met name van belang voor auto’s die vanuit het buitenland in Nederland geïmporteerd worden. Van deze mogelijkheid is nog geen gebruik gemaakt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.20 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 14-05-2026
14-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/70 en V-N 2026/20.19
01-01-2004 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.20 Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Winst
privégebruik auto ondernemer
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.20
Beschouwing
Inleiding
In artikel 3.20 van de Wet IB 2001 is de bijtelling voor privé gebruik auto voor een ondernemer of resultaatgenieter geregeld. De bijtelling geldt als een auto ter beschikking is gesteld en niet overtuigend kan worden aangetoond dat de auto minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. De hoogte van de bijtelling hangt af van de hoogte van de CO2-uitstoot van de auto. De normale bijtelling bedraagt vanaf 2017 nog 22% (tot 2017: 25%) van de catalogusprijs van de auto en de laagste bijtelling bedraagt vanaf 2025 17%. Vanaf 2019 is de lage bijtelling beperkt tot de eerste € 50.000 catalogusprijs. In 2020 is dat 8% over de eerste € 45.000 catalogusprijs. In 2021 geldt een verlaagde bijtelling van 12% over de eerste € 40.000 catalogusprijs. Voor waterstofauto's en zonnecelauto's geldt een uitzondering. Deze auto's krijgen de verlaagde bijtelling over de hele catalogusprijs. Voor auto’s van 15 jaar en ouder geldt een bijtelling van 35% van de waarde van de auto. Vanaf 2022 geldt een verlaagde bijtelling van 16% over de eerste € 35.000 catalogusprijs. In 2023 en 2024 is de verlaagde bijtelling 16% gebleven, maar wel van maximaal € 30.000. Vanaf 2025 bedraagt de verlaagde bijtelling 17% over de eerste € 30.000 catalogusprijs. In 2026 geldt een verlaagde bijtelling van 18% (4% korting) en in 2027 van 20% (korting 2%) voor auto’s zonder CO2-uitstoot over de eerste € 30.000 catalogusprijs. Voor waterstofauto's en zonnecelauto's geldt een uitzondering. Deze auto's krijgen de verlaagde bijtelling over de hele catalogusprijs. Vanaf 2028 geldt voor nieuwe auto's geen verlaagde bijtelling meer. Alle auto's vallen dan onder het normale forfait van 22%. Voor auto’s van 16 jaar en ouder geldt een bijtelling van 35% van de waarde van de auto. Vanaf 2027 schuift dit op naar auto's van 25 jaar en ouder.
Een overzicht van de diverse percentages per jaar is opgenomen in aant. 5.1.3.
De bijtelling wordt bij de winst of het resultaat opgeteld. De bijtelling kan niet hoger zijn dan de totaal voor de auto ten laste van de winst of het resultaat gekomen kosten, inclusief de afschrijvingskosten van de auto.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 3.20 (aant. 1)
Ook onder de Wet IB 1964 bestond al een regeling voor privé gebruik auto. Toen bedroeg de bijtelling 20% van de catalogusprijs. Vanaf 2001 bedroeg de bijtelling 22%. Vanaf 2008 is daar bijgekomen dat de bijtelling wordt gedifferentieerd naar de mate van CO2-uitstoot van de auto (zie ook aant. 5). De normale bijtelling is vanaf 2008 25%. In 2010 is daar nog de nihil-bijtelling bijgekomen voor auto’s met een CO2-uitstoot van minder van 50gr/km. Vanaf 2014 is voor nieuwe auto’s de nihil-bijtelling weer afgeschaft en vervangen door een bijtelling van 7% bij een CO2-uitstoot van minder dan 50 gr/km en een bijtelling van 4% bij een CO-uitstoot van nihil.
Met ingang van 1 januari 2002 waren ook al belangrijke wijzigingen in artikel 3.20 van de Wet IB 2001 aangebracht. Enerzijds is toen het regime voor bestelauto's versoepeld. Anderzijds werd het regelmatige woon-werkverkeer soms gedeeltelijk als privégebruik aangemerkt.
Vanaf 2016 is begonnen met het terugbrengen van het aantal bijtellingspercentages. In 2016 is de 7% bijtelling voor de zogenoemde hybrids vervallen. De bijtellingen van 14% en 20% zijn verhoogd naar resp. 15% en 21%. Vanaf 2017 geldt voor nieuwe auto's de bijtelling van 4% voor 0-emissie auto's en een bijtelling 22% voor alle andere auto's. Vanaf 2019 is de lage bijtelling beperkt tot de eerste € 50.000 catalogusprijs. In 2020 is dat 8% over de eerste € 45.000 catalogusprijs. In 2021 is dat 12% van € 40.000 en in 2022 16% van € 35.000.
In 2023 en 2024 geldt een verlaagde bijtelling van 16% over de eerste € 30.000 catalogusprijs. In 2025 is de verlaagde bijtelling verder verhoogd naar 17% over de eerste € 30.000 catalogusprijs. In 2026 en 2027 geldt een verlaagde bijtelling van 18% (4% korting) voor auto’s zonder CO2-uitstoot over de eerste € 30.000 catalogusprijs.
Voor waterstofauto's en zonnecelauto's geldt een uitzondering. Deze auto's krijgen de verlaagde bijtelling over de hele catalogusprijs. vanaf 2026 geldt voor nieuwe auto's geen verlaagde bijtelling meer. Voor auto’s van 16 jaar en ouder geldt een bijtelling van 35% van de waarde van de auto. Vanaf 2027 schuift dit op naar auto's van 25 jaar en ouder.
In verband met deze ingrijpende wijzigingen is het commentaar op artikel 3.20 van de Wet IB 2001 in drie tijdvakken verdeeld. In deze aantekening en de volgende aantekeningen wordt ingegaan op de met ingang van 1 januari 2004 geldende wettekst. Voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 is een afzonderlijk tijdvak gecreëerd. In aant. 1 t/m 9 op dat tijdvak wordt de regeling voor de jaren 2002 en 2003 behandeld. In aant. 1 t/m 9 op tijdvak 1 januari 2001 t/m 31 december 2001 wordt ingegaan op de specifiek voor het jaar 2001 geldende bepalingen.
Doel van de bijtelling is de kosten van het privé gebruik van de auto van de zaak te corrigeren op de winst en daarnaast geldt van 2008 tot en met 2025 in meer of mindere mate als doel het stimuleren van het gebruik van minder vervuilende auto’s.
Verder wordt in aant. 1 nog ingegaan op de context van de bepaling waaronder de gevolgen van de autokostenfictie voor andere regelingen, zoals bij het gebruik van de auto voor reizen in verband met geneeskundige hulp (aant. 1.6). Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of de nieuwe regeling niet het gevaar van verboden discriminatie inhoudt (aant. 1.8). Ook wordt ingegaan op het beleid van de Belastingdienst, waaronder de mogelijkheid afspraken met de inspecteur te maken (aant. 1.9). Daarna wordt ingegaan op goedkeuringen (aant. 1.13) en het afwijzende hardheidsclausulebeleid (aant. 1.14). Tot slot wordt ingegaan op diverse parlementaire varia (aant. 1.20).
2. De inhoudelijke werking van de bijtelling (aant. 2 en 3)
In aant. 2 wordt ingegaan op de hoofdregel, namelijk dat op jaarbasis ten minste 22% van de catalogusprijs van de auto als onttrekking in aanmerking wordt genomen. De hoogte van de bijtelling hield tot en met 2025 af van de CO2-uitstoot.
Als de werkelijke kosten van het privégebruik van de auto hoger zijn dan het forfait, moet de onttrekking op de werkelijke kosten van het privégebruik worden gesteld. Voor auto's die langer dan 16 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen bedraagt de bijtelling 35% van de waarde in het economische verkeer van de auto. De onttrekking is ook dan beperkt tot het bedrag van de werkelijke kosten.
Hoe een en ander werkt bij bestelauto’s komt aan de orde in aant. 3.
3. Geen bijtelling bij een privé gebruik van minder dan 500 kilometer (aant. 4 en aant. 7)
In aant. 4 wordt ingegaan op de regel dat de onttrekking wordt gesteld op nihil indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. Het woord blijken wijst op een strenge vorm van bewijs. De Hoge Raad heeft aangegeven dat dan sprake moet zijn van overtuigend aantonen. Veelal wordt dit bewijs geleverd via een kilometeradministratie. Daarvoor zijn ook regels gegevens in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling IB 2001 (zie aant. 7). Bewijs mag ook op andere wijzen worden geleverd, zoals bijvoorbeeld door verklaringen.
4. De begrippen auto en waarde van de auto (aant. 6 en aant. 8)
In aant. 6 wordt ingegaan op het voor de autokostenfictie geldende begrip 'auto'. Daaronder vallen ook bestelauto’s, behalve de bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen.
In aant. 8 komt het begrip 'waarde van de auto' aan de orde, te weten:
de waarde die in het algemeen geldt bij een personenauto (aant. 8.1);
de waarde die in het algemeen geldt bij een bestelauto (aant. 8.2);
de waarde die geldt bij auto's (zowel personenauto's als bestelauto's) die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen (aant. 8.3).
5. Eigen bijdrage komt in mindering op de bijtelling (aant. 9)
In aant. 9 wordt behandeld dat de bijtelling wordt verminderd met de door de ondernemer of resultaatgenieter betaalde eigen bijdrage. Dat kan naast een vast bedrag ook gaan over in privé betaalde kosten voor de auto.
6. Woon-werkverkeer is geen privé gebruik (aant. 10)
In aant. 10 wordt ingegaan op de met ingang van 1 januari 2004 geherintroduceerde regel dat woon-werkverkeer in zijn geheel als zakelijk wordt aangemerkt. Zie voor de periode (de jaren 2002 en 2003) waarin woon-werkverkeer gedeeltelijk als privé werd aangemerkt, tijdvak 2 januari 2002 t/m 31 december 2003, aant. 10.
7. Gevolgen aanpassing uitstootgrenzen CO2 (aant. 11)
In aant. 11 wordt ingegaan op de regels voor de bijtelling na aanpassing van de CO2-uitstootgrenzen, zoals tot en met 2011 geregeld in artikel 10.7a van de Wet IB 2001. In artikel 3.20, elfde lid, van de Wet IB 2001 wordt geregeld dat na zo'n periodieke aanpassing van de grenzen de voorheen geldende normen blijven gelden voor auto's waarvan uit het kentekenbewijs blijkt dat die de voor datum van aanpassing van de grenzen voor het eerst in het kentekenregister zijn opgenomen. Deze regeling is vervangen door de in aant. 17 e.v. opgenomen regels.
8. Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto (aant. 12 tot en met aant. 16)
Als een bestelauto niet zakelijk gebruikt wordt kan de ondernemer of resultaatgenieter een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik afgeven. Voordeel daarvan is dat geen kilometeradministratie bijgehouden hoeft te worden (aant. 12). In aant. 13 wordt beschreven hoe de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik kan worden ingetrokken. Intrekking moet men doen voordat de bestelauto privé gebruikt gaat worden. Vanaf dat moment weer de gewone tegenbewijsregeling. Controle van de verklaring doet de Belastingdienst op basis van allerlei waarnemingen. In aant. 14 gaan we in op de mogelijkheid van het leveren van tegenbewijs indien de inspecteur privégebruik vermoed op basis van gedane waarnemingen.
In aant. 15 wordt behandeld dat bij een tijdige intrekking van de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik, over de periode voorafgaand aan de intrekking wordt aangenomen dat geen privégebruik heeft plaatsgevonden. Voor de periode na het intrekken kan dan op basis van een kilometeradminstratie bewijs worden geleverd dat het privégebruik minder bedraagt dan 500 kilometer op jaarbasis.
In aant. 16 wordt beschreven dat de verklaring van uitsluitend zakelijk gebruik wordt afgegeven en ingetrokken door middel van een op de website van de Belastingdienst ter beschikking gesteld formulier.
9. Overgangsregelingen na vervanging van CO2-uitstootgrenzen (aant. 17 tot en met aant. 21)
In aant. 17 wordt het algemene uitgangspunt van de overgangsregeling besproken na vervanging van CO2-uitstootgrenzen. In aant. 18 wordt behandeld dat de eigensdomsoverdracht van een auto geen gevolgen heeft voor de hoogte van de bijtelling als de auto aan dezelfde persoon ter beschikking blijft staan. In aant. 19 wordt ingegaan op auto's met een CO2-uitstoot van minder dan 50gr/km na aanpassing van de uitstootgrenzen.
In aant. 20 wordt ingegaan op auto's met een CO2-uitstoot van 0gr/km na aanpassing van de uitstootgrenzen.
In aant. 21 wordt ingegaan op auto's met een CO2-uitstoot tussen 0 en 50gr/km. Verduidelijkt wordt dat men recht heeft op 60 maanden bijtelling van 0% bij tenaamstelling van het kenteken voor 1 januari 2012. Ook wordt ingegaan op de hoogte van de bijtelling na de eerste 60 maanden.
10. Bijtelling bij verschil tussen datum tenaamstelling en eerste toelating tot de weg
In aant. 22 wordt behandeld dat er regels gesteld kunnen worden voor de bijtelling zijn bij een verschil tussen de datum van tenaamstelling en de eerste toelating tot de weg. Dit is met name van belang voor auto’s die vanuit het buitenland in Nederland geïmporteerd worden. Van deze mogelijkheid is nog geen gebruik gemaakt.