Bij en door het verlenen van uitstel van betaling wordt de belastingschuldige toegestaan een aanslag buiten de wettelijke betalingstermijnen van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 te voldoen. Bij overschrijding van die termijnen wordt overeenkomstig artikel 28 van de Invorderingswet1990 invorderingsrente in rekening gebracht.
Artikel 28, derde lid, bevat een aantal uitzonderingen, namelijk dat invorderingsrente niet in rekening wordt gebracht, voor zover daarvan niet wordt afgeweken ingevolge bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, over de tijd dat krachtens artikel 25, derde, vijfde, achtste, negende, elfde of zeventiende t/m negentiende lid, uitstel van betaling is verleend. Tot 1 mei 2016 verwees artikel 28, derde lid, van de Invorderingswet 1990 naar artikel 224 van het CDW. Volgens deze bepaling werd aan de schuldenaar onder voorwaarden renteloos uitstel van betaling verleend van het op maandaangifte verschuldigde bedrag. Vanaf 1 mei 2016 geldt dat hfdst. V van de Invorderingswet 1990 is uitgezonderd voor douaneschuld. Zie in dat kader artikel 27quater van de Invorderingswet 1990. Daarom is de verwijzing in artikel 28, derde lid, van de Invorderingswet 1990 naar artikel 224 van het CDW vervallen. Het Douanewetboek van de Unie (DWU) regelt vanaf 1 mei 2016 zelf wanneer rente wel of niet in rekening wordt gebracht.
Bij de hiervoor genoemde bijzondere vormen van uitstel wordt derhalve geen invorderingsrente berekend. In een zeer beperkt aantal gevallen wordt bij een regulier verleend uitstel geen invorderingsrente in rekening gebracht. Zie in dat kader aant. 2.21.9.
Zie voor een geval waarin door de rechter geoordeeld is dat hoewel geen invorderingsrente verschuldigd is gedurende uitstel van betaling wel belastingrente verschuldigd is, bij het onderdeel Jurisprudentie. Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2019 oordeelt dat het niet meedelen van het vervallen uitstel van betaling, het in rekening brengen van invorderingsrente verhindert, nu niet conform het beleid van artikel 25.1.6 van de Leidraad Invordering 2008, dat bepaalt dat een belastingschuldige schriftelijk op de hoogte wordt gesteld van het vervallen van uitstel van betaling, is gehandeld. Dit is volgens de rechtbank bedoeld om hem te informeren van het vervallen van uitstel van betaling en hem te attenderen op een openstaande belastingverplichting. Zie het onderdeel Jurisprudentie. In verband met de versoepeling van het bijzonder uitstel van betaling voor ondernemers vanwege het coronaviraus (bij kamerbrieven van 12, 17, 19 maart en 2 april 2020) deelt staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst bij kamerbrief van 14 april 2020 mede dat de invorderingsrente gedurende het drie maanden durende versoepelde uitstel van betaling de invorderingsrente wordt verlaagd van 4% naar 0,1%. Zie het onderdeel Parlementaire behandeling.
Zie tevens het (inmiddels vervallen) besluit van 14 april 2020 (Besluit noodmaatregelen coronacrisis, V-N 2020/19.3, waarin is geregeld dat het percentage van de invorderingsrente dat ingevolge artikel 29 van de Invorderingswet 1990 4% bedraagt, in het kader van uitstel van betaling voor ondernemers, wordt verlaagd naar een percentage van 0,01, gedurende drie maanden. Het percentage van 0,01% geldt uitsluitend voor invorderingsrente die ingevolge artikel 28, eerste lid, Invorderingswet 1990 in rekening wordt gebracht. Voor wat betreft te vergoeden invorderingsrente (op grond van de artikelen 28a, 28b en 28c Invorderingswet 1990) blijft het wettelijke percentage van de invorderingsrente onverminderd van kracht. Zie het onderdeel Parlementaire behandeling. Op 23 juni 2020 is de Verzamelspoedwet COVID-19 aangenomen (Stb. 2020, nr. 195 en 196). Deze wet bevat diverse tijdelijke spoedvoorzieningen met onder meer een wijziging van de AWR, de
Invorderingswet 1990 en de Awir. In de wet wordt de tijdelijke verlaging van de belasting- en invorderingsrente tot 1 oktober 2020 naar 0,01% in verband met de coronacrisis formeel vastgelegd. Dit houdt verband met het feit dat gebleken is dat de verlaging van de rente naar 0,0% uitvoeringstechnisch niet mogelijk is. Deze verlagingen zijn van tijdelijke aard en hangen samen met de uitbraak van het coronavirus. De wijziging van de invorderingsrente is in werking getreden met terugwerkende kracht tot en met 1 juni 2020 (zie Stb. 2020, 196). Bij de wet Verzamelspoedwet COVID-19 is bepaald dat het fiscale rentepercentage telkens bij besluit (amvb) kan worden aangepast. Het eerste besluit in dat verband is dat van 17 juni 2020 (Besluit belasting- en invorderingsrente, Stb. 2020, 200). Daarbij is geregeld dat het percentage van de in rekening te brengen invorderingsrente ex artikel 29 Invorderingswet 1990 0,01 % bedraagt en dat van de te vergoeden invorderingsrente ex artikel 29 Invorderingsrente 4% bedraagt. Zie V-N 2020/35.32. Per 1 juli 2021 is als beleid opgenomen in de Leidraad Invordering 2008 dat tijdelijk uitstel van betaling kan worden verleend voor schrijnende gevallen in de erfbelasting (zie aant. 23.11). In dat kader is geregeld dat in rekening gebrachte invorderingsrente kan worden verminderd. Zie het onderdeel Beleid.
Beleid
Geldend beleid. Leidraad Invordering 2008
'De ontvanger vermindert in rekening gebrachte invorderingsrente tot nihil, voor zover deze in rekening is gebracht over de periode dat de belastingschuldige uitstel van betaling heeft genoten op grond van artikel 25.4.6.'
Artikel 28.3.a Invorderingsrente. Vermindering in rekening gebrachte invorderingsrente bij uitstel van betaling op grond van artikel 25.4.6 Leidraad Invordering 2008.
Vervallen beleid. Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020
'(...)
3.Invorderingsrente
Ik acht het onwenselijk dat belastingschuldigen waaraan uitstel van betaling vanwege betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis is verleend, worden geconfronteerd met het huidige percentage van 4% invorderingsrente (op grond van de artikelen 28, eerste lid, en 29 IW). Daarom keur ik het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat het percentage van de invorderingsrente dat momenteel ingevolge artikel 29 van de IW ten minste 4 bedraagt, wordt verlaagd naar een percentage van 0,01. Deze tijdelijke verlaging geldt gedurende drie maanden. Het percentage van 0,01 geldt uitsluitend voor invorderingsrente die ingevolge artikel 28, eerste lid, IW in rekening wordt gebracht. Voor wat betreft te vergoeden invorderingsrente (op grond van de artikelen 28a, 28b en 28c IW) blijft het wettelijke percentage van de invorderingsrente onverminderd van kracht.
Het kabinet heeft in de brief van 17 maart als maatregel om ondernemers van meer liquiditeit te voorzien aangekondigd dat de percentages voor de invorderingsrente en belastingrente gedurende 3 maanden worden verlaagd naar 0,01%.
Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend voor ondernemers. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat ondernemers nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op betalingskorting. Ondernemers die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast is de mogelijkheid gevonden om bij de tijdelijke verlaging van de invorderingsrente om de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% te houden. Dit leidt wel tot hogere dan de bij de incidentele suppletoire begroting geraamde uitgaven (ca. € 5 mln.). Dit zal bij een eerstvolgend budgettair moment verwerkt worden.'
Brief van 14 april 2020 van de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, nr. 2020-0000071409, V-N 2020/19.3.
Geldend beleid. Nationale ombudsman
'Verzoeker beklaagt zich bij de Nationale ombudsman dat de Belastingdienst na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en de daaruit voortkomende vermindering van de naheffingsaanslag loonheffingen zorgverzekeringswet, rauwelijks tot dwanginvordering is overgegaan en hem geen redelijke termijn heeft gegeven om de aanslag te voldoen. Daarnaast klaagt verzoeker erover dat de Belastingdienst hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de verschuldigdheid van invorderingsrente. De Nationale ombudsman komt tot de conclusie dat het verzoeker in redelijkheid duidelijk had kunnen zijn dat hij bovenop het bedrag van de verminderingsbeschikking invorderingsrente verschuldigd was, aangezien hij na de vervaldatum van de aanslag betaalde. Op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk.'
Nationale ombudsman 18 juli 2016, nr. 2016/063, V-N 2016/40.17.
Jurisprudentie
Casuïstische jurisprudentie. Gerechtshoven
Volgens het hof is door de ontvanger terecht invorderingsrente in rekening gebracht gedurende de periode dat uitstel van betaling is verleend voor de IB-aanslagen van X. Het hof wijst daarbij op de wetsgeschiedenis van art. 28 IW.
X beroept zich namelijk op art. 25.1.7 LI 2008 en voert aan dat tijdens uitstel geen invorderingsmaatregelen mogen worden getroffen. Het hof oordeelt echter dat het in rekening brengen van invorderingsrente geen invorderingsmaatregel is. Het in rekening brengen van invorderingsrente kan volgens het hof niet worden aangemerkt als een maatregel die is bedoeld om een belastingschuld te innen als deze niet of niet op tijd wordt betaald. Het middel van het in rekening brengen van invorderingsrente is enkel geïntroduceerd om het rentenadeel te compenseren dat de staat lijdt als gevolg van te late betaling van een belastingaanslag, aldus het hof.
Aan X zijn in het verleden diverse navorderingsaanslagen met boetes opgelegd in verband met verzwegen buitenlandse bankrekeningen. Inmiddels staan deze aanslagen (inclusief heffingsrente en boetes) onherroepelijk vast (zie HR 6 december 2013, 12/00442, V-N 2013/61.4) en eind 2013 voldoet X alle openstaande bedragen. Na betaling is bij beschikking invorderingsrente van € 633.519 opgelegd aan X opgelegd. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de rente niet te hoog, omdat X zelf de keuze heeft gemaakt om de verschuldigde bedragen niet (tijdig) te betalen en erover te gaan procederen. In hoger beroep overlegt X één nieuw stuk. Het hof verklaart het stuk tardief, nu het stuk in een eerder stadium in geding had kunnen brengen en X heeft geen redenen aangevoerd waarom dat niet is gebeurd.
Deze zaak betreft een verwijzing van HR 8 december 2017 (BNB 2018/30, V-N 2017/61.5). Het geschil gaat over het volgende. De Ontvanger heeft belastingschuldige uitstel van betaling verleend ter zake van een navorderingsaanslag met de mededeling dat bij betaling na afloop van de enige dan wel laatste betaaltermijn invorderingsrente verschuldigd is. Belastingschuldige betaalt in gedeelten. De Ontvanger heeft belastingschuldige regelmatig brieven gezonden waarin is vermeld hoe betalingen zijn verwerkt en welke invorderingsrente is verschuldigd. Deze brieven bevatten echter geen rechtsmiddelverwijzing. De HR overwoog dat de brief (over invorderingsrente) van de ontvanger van 6 juli 2012 een beschikking is in de zin van art. 30 lid 1 Inv. 1990 jo art. 1:3 Awb. Elke schriftelijke kennisgeving waarin is vermeld welk bedrag van die betaling aan invorderingsrente is toegerekend, is namelijk een voor bezwaar vatbare beschikking. Het verwijzingshof overweegt vervolgens dat de invorderingsrente ten bedrage van € 1564 juist is berekend. De inspecteur heeft de teveel in rekening gebrachte invorderingsrente inmiddels terugbetaald. X heeft geen recht op een hogere teruggaaf aan teveel betaalde invorderingsrente, aldus het hof.
Belastingschuldige komt een betalingsregeling overeen voor de naheffingsaanslag omzetbelasting. Nadat deze betalingsregeling niet wordt nagekomen trekt de ontvanger het uitstel in en stuurt hij belastingschuldige een beschikking invorderingsrente. Belastingschuldige stelt dat de civielrechtelijke regels met betrekking tot het betalen van rente dienen te worden toegepast en dat pas rente verschuldigd is na afloop van de afgesproken betaaldata. Het Hof is het daarmee niet eens en geeft aan dat het invorderingsregime van de Invorderingswet van toepassing is en dat de ontvanger terecht invorderingsrente in rekening heeft gebracht. Nu belastingschuldige niet het vereiste bedrag heeft betaald en het verleende uitstel van betaling daarna is ingetrokken, is terecht door de ontvanger op grond van artikel 28 van de Invorderingswet 1990 invorderingsrente in rekening gebracht.
Bij betaling van een aanslag na de laatste vervaldatum is invorderingsrente verschuldigd. De strekking van de invorderingsrente is nu eenmaal elk voor- of nadeel met betrekking tot het tijdstip van betalen weg te nemen. De enkele overschrijding van de betalingstermijn leidt ertoe dat invorderingsrente verschuldigd wordt. Daaraan doet niet af dat — ongevraagd en ten onrechte — uitstel van betaling is verleend.
Na ongegrondverklaring van zijn cassatieberoep inzake de aanslag IB/PVV verzoekt X om herziening van de voorlopige aanslag. De ontvanger verleent uitstel van betaling aan X. Nadat het het verzoek van X om vermindering van de voorlopige aanslag is afgewezen start de ontvanger de invordering weer op, en wordt invorderingsrente in rekening gebracht. De Rb. overweegt dat op grond van art. 25.2.2. van de Leidraad Invordering 2008 een bezwaarschrift aangemerkt wordt als een verzoek om uitstel en een beroepschrift niet. Het enkele feit dat X cassatieberoep heeft ingesteld tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden geeft volgens de Rb. daarom geen aanleiding voor het vermoeden dat er sprake was van een lopend uitstel. Voorts brengt artikel 28, derde lid, IW 1990 aldus de Rb. mee dat ook gedurende de periode van uitstel van betaling de invorderingsrente in de meeste gevallen doorloopt. Het is dus niet zo dat bij uitstel van betaling geen invorderingsrente verschuldigd is, aldus de Rb.
De ontvanger verleent aan de erven X uitstel van betaling voor een periode van 10 jaar op grond van artikel 25 lid 17 IW 1990 voor de verschuldigde IB.
Ruim 4 jaar na het van rechtswege vervallen van het uitstel stuurt de ontvanger een kennisgeving aan X dat het uitstel is vervallen en dat rente in rekening wordt gebracht na afloop van de enige of laatste betaaltermijn van de aanslag. Direct daarna wordt de belastingschuld voldaan door X. De ontvanger brengt vervolgens invorderingsrente in rekening. Volgens de Rb. is de invorderingsrente ten onrechte in rekening heeft gebracht vanwege strijdigheid met art. 25.1.6. LI 2008. Naar de mening van de Rb. is X niet op de hoogte gesteld van het vervallen van het uitstel. Nu het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, had de ontvanger X van het vervallen van het uitstel, conform de beleidsregels van de Belastingdienst, schriftelijk, onder opgaaf van redenen, op de hoogte moeten stellen. Artikel 25.1.6. leidraad is bedoeld om belastingschuldige te informeren van het vervallen van uitstel van betaling en hem te attenderen op een openstaande belastingverplichting. Hiermee wordt bevorderd dat de belastingschuldige tijdig aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen zodat wordt voorkomen dat dwanginvorderingsmaatregelen worden genomen en invorderingsrente wordt belopen, aldus de Rb. Nu deze beleidsregel niet is nageleefd verzetten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich ertegen dat belanghebbende invorderingsrente in rekening wordt gebracht.
X heeft uitstel van betaling gevraagd en verkregen voor de definitieve aanslag inkomstenbelasting. De laatste vervaldag van de aanslag is 3 januari 2013. Er wordt een betalingsregeling verleend door de ontvanger waarbij X een vast bedrag per maand mag aflossen. Nadat X een deel aflost op 3 maart 2017 wordt invorderingsrente in rekening gebracht. De Rb. oordeelt dat bij betaling van een belastingaanslag na de laatste vervaldag invorderingsrente verschuldigd is, ook al is uitstel van betaling verleend. Dit volgt uit art. 28 IW 1990. Daarnaast overweegt de Rb. dat alhoewel voldoende duidelijk kenbaar is gemaakt dat bij betaling na de betalingstermijn invorderingsrente verschuldigd is, belastingschuldigen in het ongewisse blijven omtrent de hoogte van de door hen verschuldigde invorderingsrente. Uit het oogpunt van transparantie richting de burger zou de fiscus ervoor kunnen kiezen in een eerder stadium daarover reeds duidelijkheid kunnen bieden, volgens de Rb. Volgens de Rb zou in ieder geval in de brief met de betalingsregeling de hoogte van de tot dan toe verschuldigde invorderingsrente afzonderlijk vermeld kunnen worden. Dit verschaft volgens de Rb. de belastingschuldige meer inzicht in de hoogte van de verschuldigde invorderingsrente en daarmee ook in de hoogte van zijn totale verplichtingen jegens de ontvanger.
Op grond van een tijdelijke regeling krijgt iedereen voor de betaling van de aanslagen IB/PVV 2014 (generiek) uitstel van betaling voor een periode van vier maanden. De bewuste aanslagen moeten uiterlijk op 26 juli 2016 op de rekening van de Belastingdienst staan. Van X c.s. is de betaling pas op 10 augustus 2016 ontvangen. De ontvanger brengt invorderingsrente in rekening vanaf 26 maart 2016, dus ook over de periode waarvoor extra uitstel is verleend. X c.s. komen hiertegen in bezwaar. De rechtbank overweegt dat het in rekening brengen van invorderingsrente overeenkomt met de Regeling van de staatssecretaris van Financiën van 30 december 2014, nr. IZV2014/715M, Stcrt. 2014, 36880. De rechtbank overweegt dat X erop mocht vertrouwen dat geen invorderingsrente berekend zou worden over de periode waarvoor extra uitstel van betaling was verleend. De brieven waarin het uitstel wordt medegedeeld merkt de rechtbank aan als individuele toezeggingen en niet als algemene toelichting. Redelijkerwijs kan volgens de rechtbank uit de brieven worden opgemaakt dat de invorderingsrente alleen berekend zou worden vanaf het verstrijken van de verlengde betalingstermijn, dus vanaf 26 juni 2016. Daarbij is van belang dat de in de brief opgenomen verwijzing naar de website van de Belastingdienst naar informatie ingeval na 26 juni 2016 betaald zou worden, een onjuist zoekpad bevat. De onduidelijkheid over de vindplaats van de berekening van de invorderingsrente bij gebruikmaking van het generieke uitstel mag niet voor rekening en risico van X c.s. komen, aldus de rechtbank, omdat het hier gaat om een van de wet afwijkende, begunstigende regeling met als uitgangspunt dat over de vier maanden verleend generiek uitstel geen invorderingsrente wordt berekend.
Nadat X een IB-aanslag krijgt opgelegd maakt hij daartegen bezwaar en vraagt uitstel van betaling aan. Vervolgens betaalt X een deel van de belastingaanslag. Daarbij wordt invorderingsrente in rekening gebracht vanwege te late betaling. De rechtbank oordeelt dat X de in rekening gebrachte invorderingsrente had kunnen voorkomen door voor het einde van de betalingstermijn te betalen. Volgens de rechtbank doet een verleend uitstel van betaling behoudens de bijzondere gevallen van art. 28 lid 3 IW 1990 jo art. 224 CDW niet af aan de wettelijke verschuldigdheid van invorderingsrente.
In een geval waarbij door de ontvanger aan een belastingschuldige uitstel van betaling op grond van art. 25, negende lid, IW 1990 is verleend stelt de belastingschuldige dat ten onrechte heffingsrente in rekening is gebracht. De rechtbank stelt evenwel voorop dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen heffings- en invorderingsrente. Op grond van art. 30f, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot onder meer de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Art. 30f, derde lid, AWR bepaalt dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van dagtekening van het aanslagbiljet. Invorderingsrente daarentegen heeft betrekking op de periode vanaf het moment dat deze aanslag had moeten worden betaald. In het onderhavige geval is daarbij van belang dat art. 28, tweede lid, IW 1990 bepaalt dat geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht over de tijd waarvoor op basis van (onder meer) art. 25, negende lid, IW 1990 uitstel van betaling is verleend. Uit het vorenstaande volgt dat heffings- en invorderingsrente twee verschillende soorten renten zijn met ieder hun eigen toepassingsregels. De rechtbank is dan ook van oordeel dat art. 28, tweede lid, IW 1990 niet uitsluit dat heffingsrente in rekening wordt gebracht. Daaraan doet niet af dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat het op laatstgenoemd artikel gebaseerde renteloze uitstel van betaling, ook zag op de periode waarover heffingsrente in rekening is gebracht. De strekking van de regeling van de heffingsrente is blijkens de wetsgeschiedenis immers dat het moment van de vaststelling van de belastingschuld zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij het moment van ontstaan van de belastingschuld. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft een belastingplichtige gedurende de periode waarover heffingsrente is berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Ter compensatie aan het tijdelijk gemis van rente door de schatkist wordt heffingsrente in rekening gebracht aan de belastingplichtige. Het in rekening brengen van heffingsrente is uitdrukkelijk niet bedoeld als sanctie, aldus de rechtbank.
R.M. Bos-Schepers, 'Bijzondere wetgeving', TFB 2020/38, bespreekt de beleidsregels met betrekking tot het bijzonder uitstel van betaling in verband met de coronacrisis en de tijdelijke verlaging van de fiscale rente alsmede de bijzondere wetgeving over deze fiscale rente per 1 oktober 2020.
A. van Eijsden, 'Wat een virus vermag', Het Register 2020/3.
Redactie Vakstudie Nieuws merkt in haar aantekening bij het besluit van 14 april 2020 (V-N 2020/19.3) op dat de tijdelijke verlaging van de invorderingsrente van 4% naar 0,01% geldt voor de periode vanaf 23 maart tot en met 22 juni 2020. Hoewel de samenhang met de verruiming van het uitstelbeleid ten behoeve van ondernemers (in verband met de coronacrisis) onmiskenbaar is, geldt de maatregel voor iedereen, dus ook voor ondernemers die geen gebruikmaken van het verruimde uitstelbeleid, en ook voor particulieren, aldus de redactie. De redactie noemt het opmerkelijk dat de tijdelijke renteverlaging door middel van een beleidsmaatregel wordt geregeld zonder dat opvolgende wetgeving wordt aangekondigd. Tot voor kort werd aangenomen dat de rente uit de wet wordt belopen en de hoogte van het rentepercentage niet ter beschikking staat aan de uitvoerende macht, aldus de redactie Kennelijk leeft binnen het Ministerie van Financiën toch de gedachte dat afwijkingen in begunstigende zin onder instandhouding van de wettelijke regeling mogelijk zijn. Dat bleek recent ook in de toeslagenaffaire, waarbij belanghebbenden die mogelijk zijn benadeeld, de toezegging kregen van een invorderingspauze, waarin ook de renteteller wordt stopgezet, zo merkt de redactie op.
Redactie FutD bespreekt Hof Den Bosch van 6 februari 2020 (FutD 2020/0789).
N. van den Hoek, 'Is de tijd rijp voor blauwe hesjes?', TFB 2019/22, bespreekt de renteregeling zoals geldend vanaf 2013. De auteur komt tot de conclusie dat een invorderingsrentevergoeding in een aantal situaties plaats vindt: 1)als om uitstel van betaling uitdrukkelijk is verzocht doch afgewezen en de bewuste aanslag daarna lager wordt vastgesteld en 2) als de ontvanger treuzelt met uitbetaling van een teruggaaf of verrekening en die vertraging is niet aan de belastingplichtige te wijten.
Raaijmakers, Cursus Belastingrecht FBR.10.5.1 (Invorderingsrente) merkt op dat de invorderingsrenteregeling ertoe strekt rente in rekening te brengen bij een te late betaling en om een rente te vergoeden over een te late betaling door de ontvanger van een door hem terug te betalen bedrag. De periode waarover invorderingsrente wordt berekend, loopt vanaf de eerste dag na de vervaldag tot de dag van betaling. Daarbij is de ontvanger uitsluitend bevoegd volgens de auteur om op grond van art. 30 lid 1 IW 1990 bij beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter toekomen aan de beoordeling van de beschikking inzake de invorderingsrente, aldus de auteur.
P. Koedood, Belastingblad 2018/43, bespreekt de uitspraak van Rb. Noord-Nederland 14 november 2017 en merkt op dat de rechtbank terecht opmerkt dat het voor belastingschuldigen vaak moeilijk te bepalen is hoeveel invorderingsrente verschuldigd is, omdat de renteteller doorloopt tot aan de dag van betaling. Het zou volgens de auteur mooi zijn (zoals ook A-G Wattel opmerkt in zijn conclusie van 31 augustus 2017, 17/00447, ECLI:NL:PHR:2017:908) als de ontvanger elke vaststelling van een bedrag aan verschuldigde invorderingsrente voorziet van een schriftelijk genomen beschikking, met een inzichtelijke specificatie van de berekening van de hoogte van de invorderingsrente en een rechtsmiddelverwijzing.
S.A. Verhage en R.M. Bos-Schepers, 'Belasting- en invorderingsrente - de hoogste tijd voor aanpassing van de regeling!', WFR 2017/213.
Redactie Vakstudie NIeuws merkt in haar aantekening bij het oordeel van de Nationale ombudsman 18 juli 2016 (V-N 2016/40.17) op dat de vraag is of belanghebbende wist of had kunnen weten dat invorderingsrente was verschuldigd. De ombudsman meent dat op de oorspronkelijke aanslag, op de betalingsherinnering, op de aanmaning en op het dwangbevel is gewezen op de verschuldigdheid van de invorderingsrente bij betaling na 7 augustus 2015. Ook is daarin opgemerkt dat voor het precieze bedrag aan invorderingsrente contact kan worden opgenomen met de BelastingTelefoon. Hiermee is belanghebbende voldoende geattendeerd op de noodzaak van tijdige betaling. De ingewikkeldheid van de invorderingsrentesystematiek maakt het er niet gemakkelijker op, aldus de redactie. Pas na een betaling krijgt men een beschikking, waaruit blijkt welk deel van de betaling is aangemerkt als invorderingsrente. Uit het feit dat belanghebbende direct op 11 augustus 2015 de hoofdsom heeft betaald, blijkt dat hij te goeder trouw is en niet besefte dat er nog invorderingsrente moest worden betaald. Kortom, iets meer begrip had volgens de redactie in casu niet misstaan. Invorderingsrente blijkt voor velen een lastig en onbegrijpelijk issue. Ook de exacte berekening van het bedrag is geen sinecure.
Redactie Vakstudie Nieuws merkt in haar aantekening bij Hof Den Bosch 15 april 2016 (V-N 2016/40.16), op dat de HR 2 september 2005 (BNB 2006/77, V-N 2005/43.7) oordeelde dat de fiscale invorderingsrenteregeling een exclusieve regeling behelst die andere renteregelingen uitsluit. De invorderingsrenteregeling betreft dan ook een (in afwijking van artikel 4:124 van de Awb) 'gesloten systeem'. In de gesloten vaststellingsovereenkomst had volgens de redactie beter het woord invorderingsrente in plaats van rente kunnen worden vermeld, zodat elk debat over toepassing van invorderingsrente had kunnen worden vermeden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Invorderingswet, art. 25 Invorderingswet 1990, aant. 2.21.8
Aant. 2.21.8 Invorderingsrente en uitstel van betaling
Actueel t/m 16-03-2026
16-03-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/33 en V-N 2026/10.26.
01-01-2002 tot: -
Vakstudie Invorderingswet, art. 25 Invorderingswet 1990, aant. 2.21.8
Corona (V)
Invordering / Uitstel van betaling, kwijtschelding en verjaring
uitstel van betaling
invorderingsrente
corona
Invorderingswet 1990 artikel 25
Beschouwing
Bij en door het verlenen van uitstel van betaling wordt de belastingschuldige toegestaan een aanslag buiten de wettelijke betalingstermijnen van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 te voldoen. Bij overschrijding van die termijnen wordt overeenkomstig artikel 28 van de Invorderingswet1990 invorderingsrente in rekening gebracht.
Artikel 28, derde lid, bevat een aantal uitzonderingen, namelijk dat invorderingsrente niet in rekening wordt gebracht, voor zover daarvan niet wordt afgeweken ingevolge bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, over de tijd dat krachtens artikel 25, derde, vijfde, achtste, negende, elfde of zeventiende t/m negentiende lid, uitstel van betaling is verleend. Tot 1 mei 2016 verwees artikel 28, derde lid, van de Invorderingswet 1990 naar artikel 224 van het CDW. Volgens deze bepaling werd aan de schuldenaar onder voorwaarden renteloos uitstel van betaling verleend van het op maandaangifte verschuldigde bedrag. Vanaf 1 mei 2016 geldt dat hfdst. V van de Invorderingswet 1990 is uitgezonderd voor douaneschuld. Zie in dat kader artikel 27quater van de Invorderingswet 1990. Daarom is de verwijzing in artikel 28, derde lid, van de Invorderingswet 1990 naar artikel 224 van het CDW vervallen. Het Douanewetboek van de Unie (DWU) regelt vanaf 1 mei 2016 zelf wanneer rente wel of niet in rekening wordt gebracht.
Bij de hiervoor genoemde bijzondere vormen van uitstel wordt derhalve geen invorderingsrente berekend. In een zeer beperkt aantal gevallen wordt bij een regulier verleend uitstel geen invorderingsrente in rekening gebracht. Zie in dat kader aant. 2.21.9.
Zie voor een geval waarin door de rechter geoordeeld is dat hoewel geen invorderingsrente verschuldigd is gedurende uitstel van betaling wel belastingrente verschuldigd is, bij het onderdeel Jurisprudentie. Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2019 oordeelt dat het niet meedelen van het vervallen uitstel van betaling, het in rekening brengen van invorderingsrente verhindert, nu niet conform het beleid van artikel 25.1.6 van de Leidraad Invordering 2008, dat bepaalt dat een belastingschuldige schriftelijk op de hoogte wordt gesteld van het vervallen van uitstel van betaling, is gehandeld. Dit is volgens de rechtbank bedoeld om hem te informeren van het vervallen van uitstel van betaling en hem te attenderen op een openstaande belastingverplichting. Zie het onderdeel Jurisprudentie. In verband met de versoepeling van het bijzonder uitstel van betaling voor ondernemers vanwege het coronaviraus (bij kamerbrieven van 12, 17, 19 maart en 2 april 2020) deelt staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst bij kamerbrief van 14 april 2020 mede dat de invorderingsrente gedurende het drie maanden durende versoepelde uitstel van betaling de invorderingsrente wordt verlaagd van 4% naar 0,1%. Zie het onderdeel Parlementaire behandeling.
Zie tevens het (inmiddels vervallen) besluit van 14 april 2020 (Besluit noodmaatregelen coronacrisis, V-N 2020/19.3, waarin is geregeld dat het percentage van de invorderingsrente dat ingevolge artikel 29 van de Invorderingswet 1990 4% bedraagt, in het kader van uitstel van betaling voor ondernemers, wordt verlaagd naar een percentage van 0,01, gedurende drie maanden. Het percentage van 0,01% geldt uitsluitend voor invorderingsrente die ingevolge artikel 28, eerste lid, Invorderingswet 1990 in rekening wordt gebracht. Voor wat betreft te vergoeden invorderingsrente (op grond van de artikelen 28a, 28b en 28c Invorderingswet 1990) blijft het wettelijke percentage van de invorderingsrente onverminderd van kracht. Zie het onderdeel Parlementaire behandeling. Op 23 juni 2020 is de Verzamelspoedwet COVID-19 aangenomen (Stb. 2020, nr. 195 en 196). Deze wet bevat diverse tijdelijke spoedvoorzieningen met onder meer een wijziging van de AWR, de
Invorderingswet 1990 en de Awir. In de wet wordt de tijdelijke verlaging van de belasting- en invorderingsrente tot 1 oktober 2020 naar 0,01% in verband met de coronacrisis formeel vastgelegd. Dit houdt verband met het feit dat gebleken is dat de verlaging van de rente naar 0,0% uitvoeringstechnisch niet mogelijk is. Deze verlagingen zijn van tijdelijke aard en hangen samen met de uitbraak van het coronavirus. De wijziging van de invorderingsrente is in werking getreden met terugwerkende kracht tot en met 1 juni 2020 (zie Stb. 2020, 196). Bij de wet Verzamelspoedwet COVID-19 is bepaald dat het fiscale rentepercentage telkens bij besluit (amvb) kan worden aangepast. Het eerste besluit in dat verband is dat van 17 juni 2020 (Besluit belasting- en invorderingsrente, Stb. 2020, 200). Daarbij is geregeld dat het percentage van de in rekening te brengen invorderingsrente ex artikel 29 Invorderingswet 1990 0,01 % bedraagt en dat van de te vergoeden invorderingsrente ex artikel 29 Invorderingsrente 4% bedraagt. Zie V-N 2020/35.32. Per 1 juli 2021 is als beleid opgenomen in de Leidraad Invordering 2008 dat tijdelijk uitstel van betaling kan worden verleend voor schrijnende gevallen in de erfbelasting (zie aant. 23.11). In dat kader is geregeld dat in rekening gebrachte invorderingsrente kan worden verminderd. Zie het onderdeel Beleid.
Geldend beleid. Leidraad Invordering 2008
'De ontvanger vermindert in rekening gebrachte invorderingsrente tot nihil, voor zover deze in rekening is gebracht over de periode dat de belastingschuldige uitstel van betaling heeft genoten op grond van artikel 25.4.6.'
Artikel 28.3.a Invorderingsrente. Vermindering in rekening gebrachte invorderingsrente bij uitstel van betaling op grond van artikel 25.4.6 Leidraad Invordering 2008.
Vervallen beleid. Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020
'(...)
3.Invorderingsrente
Ik acht het onwenselijk dat belastingschuldigen waaraan uitstel van betaling vanwege betalingsproblemen als gevolg van de coronacrisis is verleend, worden geconfronteerd met het huidige percentage van 4% invorderingsrente (op grond van de artikelen 28, eerste lid, en 29 IW). Daarom keur ik het volgende goed.
Goedkeuring
Ik keur goed dat het percentage van de invorderingsrente dat momenteel ingevolge artikel 29 van de IW ten minste 4 bedraagt, wordt verlaagd naar een percentage van 0,01. Deze tijdelijke verlaging geldt gedurende drie maanden. Het percentage van 0,01 geldt uitsluitend voor invorderingsrente die ingevolge artikel 28, eerste lid, IW in rekening wordt gebracht. Voor wat betreft te vergoeden invorderingsrente (op grond van de artikelen 28a, 28b en 28c IW) blijft het wettelijke percentage van de invorderingsrente onverminderd van kracht.
(...).'
Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020, Stcrt. 2020, 22293, V-N 2020/19.3.
'(...)
Invorderingsrente en belastingrente
Het kabinet heeft in de brief van 17 maart als maatregel om ondernemers van meer liquiditeit te voorzien aangekondigd dat de percentages voor de invorderingsrente en belastingrente gedurende 3 maanden worden verlaagd naar 0,01%.
Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend voor ondernemers. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat ondernemers nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op betalingskorting. Ondernemers die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast is de mogelijkheid gevonden om bij de tijdelijke verlaging van de invorderingsrente om de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% te houden. Dit leidt wel tot hogere dan de bij de incidentele suppletoire begroting geraamde uitgaven (ca. € 5 mln.). Dit zal bij een eerstvolgend budgettair moment verwerkt worden.'
Brief van 14 april 2020 van de staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, nr. 2020-0000071409, V-N 2020/19.3.
Geldend beleid. Nationale ombudsman
'Verzoeker beklaagt zich bij de Nationale ombudsman dat de Belastingdienst na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en de daaruit voortkomende vermindering van de naheffingsaanslag loonheffingen zorgverzekeringswet, rauwelijks tot dwanginvordering is overgegaan en hem geen redelijke termijn heeft gegeven om de aanslag te voldoen. Daarnaast klaagt verzoeker erover dat de Belastingdienst hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de verschuldigdheid van invorderingsrente. De Nationale ombudsman komt tot de conclusie dat het verzoeker in redelijkheid duidelijk had kunnen zijn dat hij bovenop het bedrag van de verminderingsbeschikking invorderingsrente verschuldigd was, aangezien hij na de vervaldatum van de aanslag betaalde. Op dit onderdeel is de onderzochte gedraging behoorlijk.'
Nationale ombudsman 18 juli 2016, nr. 2016/063, V-N 2016/40.17.
Casuïstische jurisprudentie. Gerechtshoven
Volgens het hof is door de ontvanger terecht invorderingsrente in rekening gebracht gedurende de periode dat uitstel van betaling is verleend voor de IB-aanslagen van X. Het hof wijst daarbij op de wetsgeschiedenis van art. 28 IW.
X beroept zich namelijk op art. 25.1.7 LI 2008 en voert aan dat tijdens uitstel geen invorderingsmaatregelen mogen worden getroffen. Het hof oordeelt echter dat het in rekening brengen van invorderingsrente geen invorderingsmaatregel is. Het in rekening brengen van invorderingsrente kan volgens het hof niet worden aangemerkt als een maatregel die is bedoeld om een belastingschuld te innen als deze niet of niet op tijd wordt betaald. Het middel van het in rekening brengen van invorderingsrente is enkel geïntroduceerd om het rentenadeel te compenseren dat de staat lijdt als gevolg van te late betaling van een belastingaanslag, aldus het hof.
Hof's-Hertogenbosch 2 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3635, V-N Vandaag 2021/3157.
Aan X zijn in het verleden diverse navorderingsaanslagen met boetes opgelegd in verband met verzwegen buitenlandse bankrekeningen. Inmiddels staan deze aanslagen (inclusief heffingsrente en boetes) onherroepelijk vast (zie HR 6 december 2013, 12/00442, V-N 2013/61.4) en eind 2013 voldoet X alle openstaande bedragen. Na betaling is bij beschikking invorderingsrente van € 633.519 opgelegd aan X opgelegd. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de rente niet te hoog, omdat X zelf de keuze heeft gemaakt om de verschuldigde bedragen niet (tijdig) te betalen en erover te gaan procederen. In hoger beroep overlegt X één nieuw stuk. Het hof verklaart het stuk tardief, nu het stuk in een eerder stadium in geding had kunnen brengen en X heeft geen redenen aangevoerd waarom dat niet is gebeurd.
Hof's-Hertogenbosch 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4060,V-N Vandaag 2021/329.
Deze zaak betreft een verwijzing van HR 8 december 2017 (BNB 2018/30, V-N 2017/61.5). Het geschil gaat over het volgende. De Ontvanger heeft belastingschuldige uitstel van betaling verleend ter zake van een navorderingsaanslag met de mededeling dat bij betaling na afloop van de enige dan wel laatste betaaltermijn invorderingsrente verschuldigd is. Belastingschuldige betaalt in gedeelten. De Ontvanger heeft belastingschuldige regelmatig brieven gezonden waarin is vermeld hoe betalingen zijn verwerkt en welke invorderingsrente is verschuldigd. Deze brieven bevatten echter geen rechtsmiddelverwijzing. De HR overwoog dat de brief (over invorderingsrente) van de ontvanger van 6 juli 2012 een beschikking is in de zin van art. 30 lid 1 Inv. 1990 jo art. 1:3 Awb. Elke schriftelijke kennisgeving waarin is vermeld welk bedrag van die betaling aan invorderingsrente is toegerekend, is namelijk een voor bezwaar vatbare beschikking. Het verwijzingshof overweegt vervolgens dat de invorderingsrente ten bedrage van € 1564 juist is berekend. De inspecteur heeft de teveel in rekening gebrachte invorderingsrente inmiddels terugbetaald. X heeft geen recht op een hogere teruggaaf aan teveel betaalde invorderingsrente, aldus het hof.
Hof 's-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:385, V-N Vandaag 2020/599.
Belastingschuldige komt een betalingsregeling overeen voor de naheffingsaanslag omzetbelasting. Nadat deze betalingsregeling niet wordt nagekomen trekt de ontvanger het uitstel in en stuurt hij belastingschuldige een beschikking invorderingsrente. Belastingschuldige stelt dat de civielrechtelijke regels met betrekking tot het betalen van rente dienen te worden toegepast en dat pas rente verschuldigd is na afloop van de afgesproken betaaldata. Het Hof is het daarmee niet eens en geeft aan dat het invorderingsregime van de Invorderingswet van toepassing is en dat de ontvanger terecht invorderingsrente in rekening heeft gebracht. Nu belastingschuldige niet het vereiste bedrag heeft betaald en het verleende uitstel van betaling daarna is ingetrokken, is terecht door de ontvanger op grond van artikel 28 van de Invorderingswet 1990 invorderingsrente in rekening gebracht.
Hof 's-Hertogenbosch 15 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1480,V-N 2016/40.16.
Bij betaling van een aanslag na de laatste vervaldatum is invorderingsrente verschuldigd. De strekking van de invorderingsrente is nu eenmaal elk voor- of nadeel met betrekking tot het tijdstip van betalen weg te nemen. De enkele overschrijding van de betalingstermijn leidt ertoe dat invorderingsrente verschuldigd wordt. Daaraan doet niet af dat — ongevraagd en ten onrechte — uitstel van betaling is verleend.
Hof Arnhem 23 mei 2000, ECLI:NL:GHARN:2000:AA6962, V-N 2000/44.26.
Casuïstische jurisprudentie. Rechtbanken
Na ongegrondverklaring van zijn cassatieberoep inzake de aanslag IB/PVV verzoekt X om herziening van de voorlopige aanslag. De ontvanger verleent uitstel van betaling aan X. Nadat het het verzoek van X om vermindering van de voorlopige aanslag is afgewezen start de ontvanger de invordering weer op, en wordt invorderingsrente in rekening gebracht. De Rb. overweegt dat op grond van art. 25.2.2. van de Leidraad Invordering 2008 een bezwaarschrift aangemerkt wordt als een verzoek om uitstel en een beroepschrift niet. Het enkele feit dat X cassatieberoep heeft ingesteld tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden geeft volgens de Rb. daarom geen aanleiding voor het vermoeden dat er sprake was van een lopend uitstel. Voorts brengt artikel 28, derde lid, IW 1990 aldus de Rb. mee dat ook gedurende de periode van uitstel van betaling de invorderingsrente in de meeste gevallen doorloopt. Het is dus niet zo dat bij uitstel van betaling geen invorderingsrente verschuldigd is, aldus de Rb.
Rb. Gelderland 18 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1048,V-N Vandaag 2020/749.
De ontvanger verleent aan de erven X uitstel van betaling voor een periode van 10 jaar op grond van artikel 25 lid 17 IW 1990 voor de verschuldigde IB.
Ruim 4 jaar na het van rechtswege vervallen van het uitstel stuurt de ontvanger een kennisgeving aan X dat het uitstel is vervallen en dat rente in rekening wordt gebracht na afloop van de enige of laatste betaaltermijn van de aanslag. Direct daarna wordt de belastingschuld voldaan door X. De ontvanger brengt vervolgens invorderingsrente in rekening. Volgens de Rb. is de invorderingsrente ten onrechte in rekening heeft gebracht vanwege strijdigheid met art. 25.1.6. LI 2008. Naar de mening van de Rb. is X niet op de hoogte gesteld van het vervallen van het uitstel. Nu het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, had de ontvanger X van het vervallen van het uitstel, conform de beleidsregels van de Belastingdienst, schriftelijk, onder opgaaf van redenen, op de hoogte moeten stellen. Artikel 25.1.6. leidraad is bedoeld om belastingschuldige te informeren van het vervallen van uitstel van betaling en hem te attenderen op een openstaande belastingverplichting. Hiermee wordt bevorderd dat de belastingschuldige tijdig aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen zodat wordt voorkomen dat dwanginvorderingsmaatregelen worden genomen en invorderingsrente wordt belopen, aldus de Rb. Nu deze beleidsregel niet is nageleefd verzetten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich ertegen dat belanghebbende invorderingsrente in rekening wordt gebracht.
Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2019,ECLI:NL:RBZWB:2019:1835, V-N 2019/36.30.33.
X heeft uitstel van betaling gevraagd en verkregen voor de definitieve aanslag inkomstenbelasting. De laatste vervaldag van de aanslag is 3 januari 2013. Er wordt een betalingsregeling verleend door de ontvanger waarbij X een vast bedrag per maand mag aflossen. Nadat X een deel aflost op 3 maart 2017 wordt invorderingsrente in rekening gebracht. De Rb. oordeelt dat bij betaling van een belastingaanslag na de laatste vervaldag invorderingsrente verschuldigd is, ook al is uitstel van betaling verleend. Dit volgt uit art. 28 IW 1990. Daarnaast overweegt de Rb. dat alhoewel voldoende duidelijk kenbaar is gemaakt dat bij betaling na de betalingstermijn invorderingsrente verschuldigd is, belastingschuldigen in het ongewisse blijven omtrent de hoogte van de door hen verschuldigde invorderingsrente. Uit het oogpunt van transparantie richting de burger zou de fiscus ervoor kunnen kiezen in een eerder stadium daarover reeds duidelijkheid kunnen bieden, volgens de Rb. Volgens de Rb zou in ieder geval in de brief met de betalingsregeling de hoogte van de tot dan toe verschuldigde invorderingsrente afzonderlijk vermeld kunnen worden. Dit verschaft volgens de Rb. de belastingschuldige meer inzicht in de hoogte van de verschuldigde invorderingsrente en daarmee ook in de hoogte van zijn totale verplichtingen jegens de ontvanger.
Rb. Noord-Nederland 14 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4327,V-N 2018/10.19.11.
Op grond van een tijdelijke regeling krijgt iedereen voor de betaling van de aanslagen IB/PVV 2014 (generiek) uitstel van betaling voor een periode van vier maanden. De bewuste aanslagen moeten uiterlijk op 26 juli 2016 op de rekening van de Belastingdienst staan. Van X c.s. is de betaling pas op 10 augustus 2016 ontvangen. De ontvanger brengt invorderingsrente in rekening vanaf 26 maart 2016, dus ook over de periode waarvoor extra uitstel is verleend. X c.s. komen hiertegen in bezwaar. De rechtbank overweegt dat het in rekening brengen van invorderingsrente overeenkomt met de Regeling van de staatssecretaris van Financiën van 30 december 2014, nr. IZV2014/715M, Stcrt. 2014, 36880. De rechtbank overweegt dat X erop mocht vertrouwen dat geen invorderingsrente berekend zou worden over de periode waarvoor extra uitstel van betaling was verleend. De brieven waarin het uitstel wordt medegedeeld merkt de rechtbank aan als individuele toezeggingen en niet als algemene toelichting. Redelijkerwijs kan volgens de rechtbank uit de brieven worden opgemaakt dat de invorderingsrente alleen berekend zou worden vanaf het verstrijken van de verlengde betalingstermijn, dus vanaf 26 juni 2016. Daarbij is van belang dat de in de brief opgenomen verwijzing naar de website van de Belastingdienst naar informatie ingeval na 26 juni 2016 betaald zou worden, een onjuist zoekpad bevat. De onduidelijkheid over de vindplaats van de berekening van de invorderingsrente bij gebruikmaking van het generieke uitstel mag niet voor rekening en risico van X c.s. komen, aldus de rechtbank, omdat het hier gaat om een van de wet afwijkende, begunstigende regeling met als uitgangspunt dat over de vier maanden verleend generiek uitstel geen invorderingsrente wordt berekend.
Rb. Noord Nederland 27 juli 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2975,V-N 2017/60.19.8.
Nadat X een IB-aanslag krijgt opgelegd maakt hij daartegen bezwaar en vraagt uitstel van betaling aan. Vervolgens betaalt X een deel van de belastingaanslag. Daarbij wordt invorderingsrente in rekening gebracht vanwege te late betaling. De rechtbank oordeelt dat X de in rekening gebrachte invorderingsrente had kunnen voorkomen door voor het einde van de betalingstermijn te betalen. Volgens de rechtbank doet een verleend uitstel van betaling behoudens de bijzondere gevallen van art. 28 lid 3 IW 1990 jo art. 224 CDW niet af aan de wettelijke verschuldigdheid van invorderingsrente.
Rb. Zeeland-West-Brabant 10 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5584.
In een geval waarbij door de ontvanger aan een belastingschuldige uitstel van betaling op grond van art. 25, negende lid, IW 1990 is verleend stelt de belastingschuldige dat ten onrechte heffingsrente in rekening is gebracht. De rechtbank stelt evenwel voorop dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen heffings- en invorderingsrente. Op grond van art. 30f, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot onder meer de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. Art. 30f, derde lid, AWR bepaalt dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van dagtekening van het aanslagbiljet. Invorderingsrente daarentegen heeft betrekking op de periode vanaf het moment dat deze aanslag had moeten worden betaald. In het onderhavige geval is daarbij van belang dat art. 28, tweede lid, IW 1990 bepaalt dat geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht over de tijd waarvoor op basis van (onder meer) art. 25, negende lid, IW 1990 uitstel van betaling is verleend. Uit het vorenstaande volgt dat heffings- en invorderingsrente twee verschillende soorten renten zijn met ieder hun eigen toepassingsregels. De rechtbank is dan ook van oordeel dat art. 28, tweede lid, IW 1990 niet uitsluit dat heffingsrente in rekening wordt gebracht. Daaraan doet niet af dat eiser in de veronderstelling verkeerde dat het op laatstgenoemd artikel gebaseerde renteloze uitstel van betaling, ook zag op de periode waarover heffingsrente in rekening is gebracht. De strekking van de regeling van de heffingsrente is blijkens de wetsgeschiedenis immers dat het moment van de vaststelling van de belastingschuld zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij het moment van ontstaan van de belastingschuld. Wanneer heffingsrente in rekening wordt gebracht heeft een belastingplichtige gedurende de periode waarover heffingsrente is berekend de mogelijkheid gehad om over dat geld rente te ontvangen bij een bank. Ter compensatie aan het tijdelijk gemis van rente door de schatkist wordt heffingsrente in rekening gebracht aan de belastingplichtige. Het in rekening brengen van heffingsrente is uitdrukkelijk niet bedoeld als sanctie, aldus de rechtbank.
Rb. Arnhem 9 april 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BI9873.
R.M. Bos-Schepers, 'Bijzondere wetgeving', TFB 2020/38, bespreekt de beleidsregels met betrekking tot het bijzonder uitstel van betaling in verband met de coronacrisis en de tijdelijke verlaging van de fiscale rente alsmede de bijzondere wetgeving over deze fiscale rente per 1 oktober 2020.
A. van Eijsden, 'Wat een virus vermag', Het Register 2020/3.
Redactie Vakstudie Nieuws merkt in haar aantekening bij het besluit van 14 april 2020 (V-N 2020/19.3) op dat de tijdelijke verlaging van de invorderingsrente van 4% naar 0,01% geldt voor de periode vanaf 23 maart tot en met 22 juni 2020. Hoewel de samenhang met de verruiming van het uitstelbeleid ten behoeve van ondernemers (in verband met de coronacrisis) onmiskenbaar is, geldt de maatregel voor iedereen, dus ook voor ondernemers die geen gebruikmaken van het verruimde uitstelbeleid, en ook voor particulieren, aldus de redactie. De redactie noemt het opmerkelijk dat de tijdelijke renteverlaging door middel van een beleidsmaatregel wordt geregeld zonder dat opvolgende wetgeving wordt aangekondigd. Tot voor kort werd aangenomen dat de rente uit de wet wordt belopen en de hoogte van het rentepercentage niet ter beschikking staat aan de uitvoerende macht, aldus de redactie Kennelijk leeft binnen het Ministerie van Financiën toch de gedachte dat afwijkingen in begunstigende zin onder instandhouding van de wettelijke regeling mogelijk zijn. Dat bleek recent ook in de toeslagenaffaire, waarbij belanghebbenden die mogelijk zijn benadeeld, de toezegging kregen van een invorderingspauze, waarin ook de renteteller wordt stopgezet, zo merkt de redactie op.
Redactie FutD bespreekt Hof Den Bosch van 6 februari 2020 (FutD 2020/0789).
S.C.W. Douma e.a. (red.), Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2025, hfdst. 9.
N. van den Hoek, 'Is de tijd rijp voor blauwe hesjes?', TFB 2019/22, bespreekt de renteregeling zoals geldend vanaf 2013. De auteur komt tot de conclusie dat een invorderingsrentevergoeding in een aantal situaties plaats vindt: 1)als om uitstel van betaling uitdrukkelijk is verzocht doch afgewezen en de bewuste aanslag daarna lager wordt vastgesteld en 2) als de ontvanger treuzelt met uitbetaling van een teruggaaf of verrekening en die vertraging is niet aan de belastingplichtige te wijten.
Raaijmakers, Cursus Belastingrecht FBR.10.5.1 (Invorderingsrente) merkt op dat de invorderingsrenteregeling ertoe strekt rente in rekening te brengen bij een te late betaling en om een rente te vergoeden over een te late betaling door de ontvanger van een door hem terug te betalen bedrag. De periode waarover invorderingsrente wordt berekend, loopt vanaf de eerste dag na de vervaldag tot de dag van betaling. Daarbij is de ontvanger uitsluitend bevoegd volgens de auteur om op grond van art. 30 lid 1 IW 1990 bij beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter toekomen aan de beoordeling van de beschikking inzake de invorderingsrente, aldus de auteur.
P. Koedood, Belastingblad 2018/43, bespreekt de uitspraak van Rb. Noord-Nederland 14 november 2017 en merkt op dat de rechtbank terecht opmerkt dat het voor belastingschuldigen vaak moeilijk te bepalen is hoeveel invorderingsrente verschuldigd is, omdat de renteteller doorloopt tot aan de dag van betaling. Het zou volgens de auteur mooi zijn (zoals ook A-G Wattel opmerkt in zijn conclusie van 31 augustus 2017, 17/00447, ECLI:NL:PHR:2017:908) als de ontvanger elke vaststelling van een bedrag aan verschuldigde invorderingsrente voorziet van een schriftelijk genomen beschikking, met een inzichtelijke specificatie van de berekening van de hoogte van de invorderingsrente en een rechtsmiddelverwijzing.
S.A. Verhage en R.M. Bos-Schepers, 'Belasting- en invorderingsrente - de hoogste tijd voor aanpassing van de regeling!', WFR 2017/213.
Redactie Vakstudie NIeuws merkt in haar aantekening bij het oordeel van de Nationale ombudsman 18 juli 2016 (V-N 2016/40.17) op dat de vraag is of belanghebbende wist of had kunnen weten dat invorderingsrente was verschuldigd. De ombudsman meent dat op de oorspronkelijke aanslag, op de betalingsherinnering, op de aanmaning en op het dwangbevel is gewezen op de verschuldigdheid van de invorderingsrente bij betaling na 7 augustus 2015. Ook is daarin opgemerkt dat voor het precieze bedrag aan invorderingsrente contact kan worden opgenomen met de BelastingTelefoon. Hiermee is belanghebbende voldoende geattendeerd op de noodzaak van tijdige betaling. De ingewikkeldheid van de invorderingsrentesystematiek maakt het er niet gemakkelijker op, aldus de redactie. Pas na een betaling krijgt men een beschikking, waaruit blijkt welk deel van de betaling is aangemerkt als invorderingsrente. Uit het feit dat belanghebbende direct op 11 augustus 2015 de hoofdsom heeft betaald, blijkt dat hij te goeder trouw is en niet besefte dat er nog invorderingsrente moest worden betaald. Kortom, iets meer begrip had volgens de redactie in casu niet misstaan. Invorderingsrente blijkt voor velen een lastig en onbegrijpelijk issue. Ook de exacte berekening van het bedrag is geen sinecure.
Redactie Vakstudie Nieuws merkt in haar aantekening bij Hof Den Bosch 15 april 2016 (V-N 2016/40.16), op dat de HR 2 september 2005 (BNB 2006/77, V-N 2005/43.7) oordeelde dat de fiscale invorderingsrenteregeling een exclusieve regeling behelst die andere renteregelingen uitsluit. De invorderingsrenteregeling betreft dan ook een (in afwijking van artikel 4:124 van de Awb) 'gesloten systeem'. In de gesloten vaststellingsovereenkomst had volgens de redactie beter het woord invorderingsrente in plaats van rente kunnen worden vermeld, zodat elk debat over toepassing van invorderingsrente had kunnen worden vermeden.