FED 1994/579:Holdingconstructie. Belanghebbende en zijn broer zijn de enige aandeelhouders van A BV. Zij zijn tevens aandeelhouders van B BV. A BV is de derde aandeelhouder in B BV. De twee broers verkopen hun aandelen B BV aan A BV. Hierbij stijgt het belang van belanghebbende in B BV met 11,6%; het belang van zijn broer daalt met dat zelfde percentage. Fraus legis is van toepassing. De in de verkoopprijs van de aandelen begrepen vergoeding voor de reserves is terecht aangemerkt als inkomsten uit vermogen. Het is niet relevant of de binnen de vennootschap gevormde reserves in liquide vorm aanwezig zijn. Bij belanghebbendes broer is geen fraus legis toegepast (arrest 28 408 (hierna opgenomen)). Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen, omdat zijn belang is gestegen, terwijl dat van zijn broer (met meer dan 10%) is gedaald. Inkomsten uit arbeid. Belanghebbende heeft een bedrag ontvangen van een Panamese vennootschap, welk bedrag hij beweert te zijn een (renteloze) lening, doch welk bedrag de inspecteur aanmerkt als arbeidsinkomsten. Het hof oordeelt dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende het bewijs levert dat het een geldlening betreft. Bij dit oordeel is het hof kennelijk ervan uitgegaan dat het onder de gegeven omstandigheden het minst bezwaarlijk was voor de belanghebbende om te worden belast met het bewijs van die stelling. Dit uitgangspunt geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de verdeling van de bewijslast en is voor het overige zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aarde dat het in cassatie niet verder op zijn juistheid kan worden onderzocht.