Iedere belastingplichtige kan aanspraak maken op de algemene heffingskorting van artikel 8.10 van de Wet IB 2001. De algemene heffingskorting vermindert de verschuldigde inkomstenbelasting. Deze heffingskorting kan in beginsel dan niet hoger zijn dan de verschuldigde inkomstenbelasting. Binnen de systematiek van de heffingskorting kunnen niet of weinig verdienende belastingplichtigen de algemene heffingskorting niet of niet helemaal te gelde maken. In artikel 8.9 van de Wet IB 2001 was op dit systeem een uitzondering gemaakt voor niet of weinig verdienende partners voor zover hun partner voldoende inkomstenbelasting verschuldigd was. In dat geval werd de algemene heffingskorting uitbetaald aan de niet of weinig verdienende partner.
Het gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting was dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begaf of een kleine deeltijdbaan had nauwelijks een prikkel ervaarde om (meer) te gaan werken. Het kabinet vond het gewenst om in deze situaties de toetreding tot de arbeidsmarkt meer te stimuleren. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner werd daarom (stapsgewijs, in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) afgebouwd. Door de regeling af te bouwen zou de minstverdienende partner worden gestimuleerd om betaald werk te gaan verrichten. Alleen door zelf een inkomen te genereren kon men de algemene heffingskorting te gelde maken.
In 2009 vond een eerste vermindering van de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting plaats. Ingevolge het Belastingplan 2008 werd in artikel 8.9 van de Wet IB 2001, zoals dat tot en met 31 december 2022 luidde, bepaald dat de minstverdienende partner met ingang van 2009 nog slechts aanspraak kon maken op uitbetaling van 93⅓% van de algemene heffingskorting. Vanaf 2010 werd het percentage jaarlijks met 6 2/3%-punt verlaagd. Het lagere percentage werd aan het begin van het kalenderjaar vastgesteld bij ministeriële regeling. Bij aanvang van het kalenderjaar 2023 is de uitbetaalbaarheid nihil. Met ingang van 1 januari 2023 is dan ook artikel 10.6a van de Wet IB 2001, zoals dat tot en met 31 december 2022 luidde, komen te vervallen.
Eenzelfde systematiek gold vanaf 2019 voor de uitbetaling van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting aan de minstverdienende partner. De maatregel bewerkstelligde dat de kloof tussen een- en tweeverdieners werd verkleind. Eenverdieners konden immers geen gebruik maken van de regeling van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 en voor tweeverdieners werd deze regeling geleidelijk afgeschaft. Daarnaast bevorderde de geleidelijke afbouw van de uitbetaling de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner daarmee een groter deel van de inkomensafhankelijke combinatiekorting kon verzilveren. De keuze van de minstverdienende partner om een kleine baan te aanvaarden werd echter negatief beïnvloed, omdat deze partner niet meer in aanmerking kwam voor uitbetaling van de beide heffingskortingen. Uiteindelijk werd een licht positief effect op de werkgelegenheid beoogd.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 enkel een uitzondering blijft gelden voor belastingplichtigen die vóór 1 januari 1963 zijn geboren. Deze belastingplichtigen kunnen de algemene heffingskorting voor 100% laten uitbetalen aan de minstverdienende partner.
Parlementaire behandeling
Parlementaire behandeling. Belastingplan 2008
'Voor iedere belastingplichtige geldt de algemene heffingskorting. De algemene heffingskorting vermindert de verschuldigde inkomstenbelasting. De algemene heffingskorting is in beginsel dan ook niet hoger dan de verschuldigde inkomstenbelasting. Hierdoor kunnen niet of weinig verdienende belastingplichtigen de algemene heffingskorting niet of niet helemaal te gelde maken. Voor niet of weinig verdienende partners geldt hierop een uitzondering voor zover hun partner inkomstenbelasting verschuldigd is. In dat geval wordt de algemene heffingskorting uitbetaald aan de niet of weinig verdienende partner.
Het gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting is dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begeeft of een kleine deeltijdbaan heeft nauwelijks een prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner zal daarom (stapsgewijs, in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) worden afgebouwd. Het wordt dan steeds lonender om (meer) te gaan werken. (…)
De uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt veelal via de voorlopige teruggaaf (VT) ontvangen. Aangezien de afbouw niet meer verwerkt kan worden in de programmatuur voor de VT 2008 gaat deze maatregel niet in per 1 januari 2008 maar per 1 januari 2009.'
'Bij de vaststelling van de omvang van in aanmerking te nemen heffingskortingen geldt als hoofdregel dat deze in totaal niet op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan de inkomensheffing die zonder toepassing van de heffingskortingen verschuldigd zou zijn; de toepassing van een heffingskorting kan in zoverre derhalve nooit tot een uitbetaling via een negatieve aanslag leiden. Op die hoofdregel is in artikel 8.9 een uitzondering geformuleerd en wel voor het geval dat de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een partner heeft die zelf een 'overschot' heeft aan inkomensheffing. In dat geval kunnen bepaalde heffingskortingen wel leiden tot een negatieve aanslag en wel maximaal tot het overschot aan inkomensheffing van de partner. In het spraakgebruik wordt naar deze bepaling wel verwezen met de oneigenlijke (vermoedelijk uit het tot en met 2000 geldende regime voortkomende) term: de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting.
In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de 'overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting' geleidelijk in twintig jaar met 5%-punt per jaar wordt verminderd. In het kader van de houdbaarheid van de AOW wordt voorgesteld de afbouw te versnellen, zodat nu de uitbetaling van de heffingskorting in 15 jaar wordt afgebouwd met 6 2/3%-punt per jaar.
Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, is het technisch niet mogelijk deze geleidelijke vermindering al in 2008 te laten ingaan. Het eerste jaar waarin dit wel mogelijk is, is 2009. Om die reden wordt met ingang van 2009 de uitbetaling van de algemene heffingskorting verminderd met het eerder genoemde percentage. De jaren daarna groeit elk jaar de vermindering met 6 2/3%-punt, zodat met ingang van 2023 er geen 'overdraagbaarheid' meer is.
In 2009 kan volgens deze nieuwe regel nog maximaal 93 1/3% van de algemene heffingskorting via een negatieve aanslag worden uitbetaald. In 2010 en de jaren daarna neemt de vermindering elk jaar met 6 2/3%-punt toe, zodat in 2010 het percentage 86 2/3 wordt, in 2011 het percentage 80 wordt, enz. Deze aflopende reeks komt tot stand met behulp van een jaarlijkse bijstelling op de voet van het nieuwe artikel 10.6a ( artikel III , onderdeel D).'
'De hoofdregel is dat heffingskortingen niet worden uitbetaald, maar enkel verzilverd kunnen worden tegen de eigen inkomstenbelasting. Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor de algemene heffingskorting (AHK), de arbeidskorting en de IACK. Als de minstverdienende partner deze heffingskortingen niet (volledig) tegen de eigen inkomstenbelasting kan verzilveren, worden deze kortingen (deels) aan hem uitbetaald mits de meestverdienende partner voldoende belasting betaalt. Het percentage van de AHK dat voor deze uitbetaling in aanmerking komt, wordt sinds enige jaren afgebouwd. In 2017 bedraagt dit percentage 40% en het zal vanaf 2023 0% bedragen. Voorgesteld wordt met ingang van 1 januari 2019 ook de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en IACK te beperken tot het voor de AHK geldende percentage van de uitbetaalbaarheid en om deze beperking voor minstverdienende partners van alle leeftijden te laten gelden.
Deze maatregel leidt tot een verkleining van de inkomensverschillen tussen eenverdieners enerzijds en (kleine) tweeverdieners anderzijds. Eenverdieners kunnen namelijk niet in aanmerking komen voor de uitbetaling van de arbeidskorting en IACK. Voor tweeverdieners wordt deze mogelijkheid met onderhavige maatregel afgebouwd en uiteindelijk afgeschaft. De maatregel heeft twee effecten op de werkgelegenheid. Het beïnvloedt ten eerste de keuze om te gaan werken. Het financiële voordeel van een kleine baan wordt als gevolg van de maatregel kleiner omdat de minstverdienende partner uiteindelijk niet meer in aanmerking komt voor de uitbetaling van de arbeidskorting en IACK. Daarentegen vergroot de maatregel de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner dan een groter deel van de arbeidskorting en IACK kan verzilveren. Doordat de maatregel ook gaat gelden voor oudere werkenden, gaat er ook voor hen, in lijn met de doelstelling van de arbeidskorting en de IACK, een stimulans van uit om het aantal werkuren op peil te houden of eventueel uit te breiden. Per saldo heeft de maatregel volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau een licht positief effect op de werkgelegenheid. Ook leidt de maatregel na volledige afbouw tot een vereenvoudiging van de inkomstenbelasting.
De budgettaire opbrengst van deze maatregel wordt geraamd op € 78 miljoen in 2019 en € 56 miljoen structureel.'
'De hoofdregel is dat heffingskortingen niet worden uitbetaald, maar worden gemaximeerd op het bedrag dat vóór toepassing van de heffingskortingen aan inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen is verschuldigd. Indien een minstverdienende partner vóór toepassing van de AHK, arbeidskorting en IACK onvoldoende inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen verschuldigd is om die kortingen te kunnen verzilveren, worden deze heffingskortingen – als uitzondering op de genoemde hoofdregel – geheel of gedeeltelijk aan die minstverdienende partner uitbetaald, voor zover de meestverdienende partner voldoende inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen verschuldigd is. De uitbetaalbaarheid van de gecombineerde heffingskorting bij de minstverdienende partner die na 31 december 1962 geboren is, is in 2017 beperkt tot maximaal 40% van de AHK, vermeerderd met 100% van de arbeidskorting en IACK. Voorgesteld wordt om met ingang van 2019 voor de arbeidskorting en IACK dezelfde beperking te laten gelden als voor de AHK, met dien verstande dat voor de arbeidskorting en IACK die beperking ook gaat gelden voor de minstverdienende partner die voor 1 januari 1963 geboren is. Vanwege de verlaging van het eerstgenoemde percentage met 6 2/3%-punt per jaar op grond van artikel 10.6a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), zal genoemde verhoging met ingang van 1 januari 2019 beperkt worden tot 26 2/3% van het totaal van de voor de belastingplichtige geldende AHK, arbeidskorting en IACK. Met ingang van 1 januari 2023 zal genoemde uitbetaalbaarheid zijn afgebouwd tot nihil.'
'De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de nadelige gevolgen van de maatregel voor mensen met een kleine baan. Bij de beantwoording van deze vraag ga ik ervan uit dat mensen met een kleine baan een inkomen hebben groter dan € 0, maar niet groter dan € 10.000. Er zijn naar schatting circa 70.000 mensen met een dergelijke baan die er door deze maatregel op achteruit gaan. Gemiddeld gaat deze groep er door deze maatregel circa 0,7% van het huishoudinkomen op achteruit. Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks of mensen met kleine banen hierdoor verzilveringsproblemen krijgen en zich eerder terug zullen trekken van de arbeidsmarkt. Mensen met kleine banen zullen door deze maatregelen iets minder van hun heffingskorting kunnen verzilveren tegen partnerinkomen. Ik verwacht dat dit juist een prikkel geeft om meer te gaan werken, omdat bij extra inkomen (een deel van) deze heffingskorting weer kan worden verzilverd. Het CPB heeft aangegeven dat deze maatregel een licht positief effect heeft op de structurele werkgelegenheid.
De leden van de fracties van de VVD, GroenLinks en de SP vragen naar de arbeidsmarkteffecten van de afbouw van de uitbetaalbaarheid van de IACK, zoals deze door het CPB zijn berekend. De leden van de fractie van de SP vragen waarom heffingskortingen in beginsel niet worden uitbetaald en waarom daar voor de AHK, de arbeidskorting en de IACK van is afgeweken. In de inkomstenbelasting geldt het uitgangspunt dat de belasting van een belastingplichtige op individueel niveau wordt vastgesteld. Dit geldt ook voor de heffingskortingen. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. De uitbetaalbaarheid van de AHK, de arbeidskorting en de IACK is zo’n uitzondering. Weliswaar vindt de uitbetaling van deze heffingkortingen plaats bij de belastingplichtige, maar (de hoogte van) deze uitbetaling is wel afhankelijk van of, en zo ja, hoeveel belasting zijn partner betaalt. De algemene heffingskorting verving in 2001 de basisaftrek en omdat de basisaftrek overdraagbaar was, is in lijn daarmee destijds geregeld dat de algemene heffingskorting uitbetaalbaar is. De arbeidskorting is uitbetaalbaar gemaakt in verband met de wens om het stimulerende effect van de arbeidskorting ook te laten werken bij een minstverdienende partner die over het eigen inkomen minder belasting verschuldigd is dan het bedrag van de AHK. Vervolgens is in aansluiting op de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting ook de IACK uitbetaalbaar geworden. Alhoewel de positieve effecten op de werkgelegenheid destijds de reden waren om de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en de IACK in te voeren, heeft de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en de IACK ook negatieve effecten op de werkgelegenheid. Dit komt omdat de minstverdienende partner door de uitbetaalbaarheid minder wordt gestimuleerd om extra te gaan werken. Per saldo heeft het afschaffen van de uitbetaalbaarheid volgens de berekeningen van het CPB een licht positief effect op de werkgelegenheid. Dit is nader toegelicht in de toelichting bij de nota van wijziging.
De leden van de fractie van de PvdA vragen bij hoeveel gezinnen de aftrek wordt beperkt. Ik ga ervan uit dat hier bedoeld wordt hoeveel gezinnen door deze maatregel minder korting kunnen verzilveren tegen partnerinkomen. Dit betreft naar schatting ruim 150.000 gezinnen in 2019 voor wie de belastingdruk van het huishoudinkomen gemiddeld met 1,3% stijgt.
De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet kan kwantificeren hoeveel kleiner het verschil in belastingdruk wordt tussen een- en tweeverdienersgezinnen door de maatregel omtrent de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en IACK. Door deze maatregel kunnen naar schatting ruim 150.000 tweeverdienersgezinnen minder kortingen verzilveren tegen partnerinkomen. Voor hen bedraagt het gemiddelde van de stijgende belastingdruk van het huishoudinkomen circa 1,3%. Voor eenverdienersgezinnen verandert de belastingdruk door deze maatregel niet.
De leden van de PvdA-fractie vragen wat het effect is op de koopkracht en op de werkgelegenheid van de afbouw van de overdraagbaarheid van de IACK en de arbeidskorting. Het effect van de afbouw van de uitbetaalbaarheid van de IACK en arbeidskorting op de koopkracht is licht negatief (0,1%-punt) voor werkenden en gezinnen met kinderen.
De leden van de fractie van de SGP vragen of het mogelijk is om de beperking van de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en de IACK al per 2018 in te laten gaan. Dat is niet het geval. Het geleidelijk afschaffen van deze uitbetaalbaarheid is een structuuraanpassing, zodat het belastingjaar 2019 de eerstvolgende mogelijkheid is om de maatregel te verwerken in de voorlopige aanslagregeling. Zou de maatregel toch per 2018 ingaan, dan is het niet mogelijk die te verwerken in de voorlopige aanslagregeling 2018. In dat geval zouden belastingplichtigen die via de voorlopige aanslag een te hoge uitbetaling van de arbeidskorting en IACK ontvangen, deze na afloop van het jaar moeten terugbetalen. Dat vindt het kabinet niet wenselijk.'
'De heer Snels vraagt of er alternatieven zijn voor het beperken van de uitbetaalbaarheid op basis van het partnerinkomen van de arbeidskorting en de IACK. Het gedeelte van de huishoudens dat deze kortingen (deels) niet kan verzilveren loopt in 2019 op van 4,5% naar 12,5% (arbeidskorting) en van 7% naar 16,4% (IACK). Het geleidelijk afschaffen van de uitbetaalbaarheid van de IACK en de arbeidskorting verkleint de inkomensverschillen tussen eenverdieners en (kleine) tweeverdieners en vereenvoudigt (na volledige afbouw) het belastingstelsel. De maatregel heeft ook arbeidsmarkteffecten. Aan de ene kant wordt het financiële voordeel van een kleine baan kleiner, omdat de minstverdienende partner uiteindelijk niet meer in aanmerking komt voor uitbetaling van de arbeidskorting en de IACK. Aan de andere kant vergroot de maatregel de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner dan een groter deel van de kortingen zelf kan verzilveren. Per saldo heeft de maatregel volgens het CPB een licht positief effect op de werkgelegenheid.
Als gevolg van de maatregel kan een groter deel van de minstverdienende partners de heffingskortingen (deels) niet verzilveren. Gezien bovengenoemde overwegingen die ten grondslag liggen aan het nemen van deze maatregel ziet het kabinet dit niet als een probleem.'
'Met de voorgestelde wijziging van artikel 8.9 Wet IB 2001 wordt de tekst zodanig aangepast dat deze beter past bij de vanaf 1 januari 2023 beoogde situatie waarbij de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting volledig is afgebouwd conform artikel 10.6a Wet IB 2001. Een uitzondering hierop blijft gelden voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1 januari 1963, aan wie met ingang van 1 januari 2023 echter uitsluitend het bedrag van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting, met inachtneming van de voor het overige gelijkblijvende voorwaarden, kan worden uitbetaald en – conform de beoogde afbouw op grond van artikel 10.6a Wet IB 2001 – derhalve niet meer een deel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Door de wijziging van artikel 8.9 Wet IB 2001 kan artikel 10.6a Wet IB 2001 per 1 januari 2023 komen te vervallen, hetgeen eveneens met dit wetsvoorstel wordt bewerkstelligd. Gevolg is dat artikel IB van het Belastingplan 2018, dat regelt dat artikel 10.6a Wet IB 2001 per 1 januari 2024 komt te vervallen, vóór die datum dient te vervallen, hetgeen tevens met dit wetsvoorstel wordt bewerkstelligd.'
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 10.6a Wet IB 2001, aant. 1.4
Aant. 1.4 Doel en strekking
Actueel t/m 15-04-2026
15-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30.
01-01-2010 tot: 01-01-2023
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 10.6a Wet IB 2001, aant. 1.4
Inkomstenbelasting / Heffingskorting
Inkomstenbelasting / Algemeen
heffingskorting
indexatie
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 10.6a
Beschouwing
Iedere belastingplichtige kan aanspraak maken op de algemene heffingskorting van artikel 8.10 van de Wet IB 2001. De algemene heffingskorting vermindert de verschuldigde inkomstenbelasting. Deze heffingskorting kan in beginsel dan niet hoger zijn dan de verschuldigde inkomstenbelasting. Binnen de systematiek van de heffingskorting kunnen niet of weinig verdienende belastingplichtigen de algemene heffingskorting niet of niet helemaal te gelde maken. In artikel 8.9 van de Wet IB 2001 was op dit systeem een uitzondering gemaakt voor niet of weinig verdienende partners voor zover hun partner voldoende inkomstenbelasting verschuldigd was. In dat geval werd de algemene heffingskorting uitbetaald aan de niet of weinig verdienende partner.
Het gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting was dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begaf of een kleine deeltijdbaan had nauwelijks een prikkel ervaarde om (meer) te gaan werken. Het kabinet vond het gewenst om in deze situaties de toetreding tot de arbeidsmarkt meer te stimuleren. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner werd daarom (stapsgewijs, in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) afgebouwd. Door de regeling af te bouwen zou de minstverdienende partner worden gestimuleerd om betaald werk te gaan verrichten. Alleen door zelf een inkomen te genereren kon men de algemene heffingskorting te gelde maken.
In 2009 vond een eerste vermindering van de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting plaats. Ingevolge het Belastingplan 2008 werd in artikel 8.9 van de Wet IB 2001, zoals dat tot en met 31 december 2022 luidde, bepaald dat de minstverdienende partner met ingang van 2009 nog slechts aanspraak kon maken op uitbetaling van 93⅓% van de algemene heffingskorting. Vanaf 2010 werd het percentage jaarlijks met 6 2/3%-punt verlaagd. Het lagere percentage werd aan het begin van het kalenderjaar vastgesteld bij ministeriële regeling. Bij aanvang van het kalenderjaar 2023 is de uitbetaalbaarheid nihil. Met ingang van 1 januari 2023 is dan ook artikel 10.6a van de Wet IB 2001, zoals dat tot en met 31 december 2022 luidde, komen te vervallen.
Eenzelfde systematiek gold vanaf 2019 voor de uitbetaling van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting aan de minstverdienende partner. De maatregel bewerkstelligde dat de kloof tussen een- en tweeverdieners werd verkleind. Eenverdieners konden immers geen gebruik maken van de regeling van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 en voor tweeverdieners werd deze regeling geleidelijk afgeschaft. Daarnaast bevorderde de geleidelijke afbouw van de uitbetaling de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner daarmee een groter deel van de inkomensafhankelijke combinatiekorting kon verzilveren. De keuze van de minstverdienende partner om een kleine baan te aanvaarden werd echter negatief beïnvloed, omdat deze partner niet meer in aanmerking kwam voor uitbetaling van de beide heffingskortingen. Uiteindelijk werd een licht positief effect op de werkgelegenheid beoogd.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 enkel een uitzondering blijft gelden voor belastingplichtigen die vóór 1 januari 1963 zijn geboren. Deze belastingplichtigen kunnen de algemene heffingskorting voor 100% laten uitbetalen aan de minstverdienende partner.
Parlementaire behandeling. Belastingplan 2008
'Voor iedere belastingplichtige geldt de algemene heffingskorting. De algemene heffingskorting vermindert de verschuldigde inkomstenbelasting. De algemene heffingskorting is in beginsel dan ook niet hoger dan de verschuldigde inkomstenbelasting. Hierdoor kunnen niet of weinig verdienende belastingplichtigen de algemene heffingskorting niet of niet helemaal te gelde maken. Voor niet of weinig verdienende partners geldt hierop een uitzondering voor zover hun partner inkomstenbelasting verschuldigd is. In dat geval wordt de algemene heffingskorting uitbetaald aan de niet of weinig verdienende partner.
Het gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting is dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begeeft of een kleine deeltijdbaan heeft nauwelijks een prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner zal daarom (stapsgewijs, in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) worden afgebouwd. Het wordt dan steeds lonender om (meer) te gaan werken. (…)
De uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt veelal via de voorlopige teruggaaf (VT) ontvangen. Aangezien de afbouw niet meer verwerkt kan worden in de programmatuur voor de VT 2008 gaat deze maatregel niet in per 1 januari 2008 maar per 1 januari 2009.'
MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, p. 24.
'Bij de vaststelling van de omvang van in aanmerking te nemen heffingskortingen geldt als hoofdregel dat deze in totaal niet op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan de inkomensheffing die zonder toepassing van de heffingskortingen verschuldigd zou zijn; de toepassing van een heffingskorting kan in zoverre derhalve nooit tot een uitbetaling via een negatieve aanslag leiden. Op die hoofdregel is in artikel 8.9 een uitzondering geformuleerd en wel voor het geval dat de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een partner heeft die zelf een 'overschot' heeft aan inkomensheffing. In dat geval kunnen bepaalde heffingskortingen wel leiden tot een negatieve aanslag en wel maximaal tot het overschot aan inkomensheffing van de partner. In het spraakgebruik wordt naar deze bepaling wel verwezen met de oneigenlijke (vermoedelijk uit het tot en met 2000 geldende regime voortkomende) term: de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting.
In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de 'overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting' geleidelijk in twintig jaar met 5%-punt per jaar wordt verminderd. In het kader van de houdbaarheid van de AOW wordt voorgesteld de afbouw te versnellen, zodat nu de uitbetaling van de heffingskorting in 15 jaar wordt afgebouwd met 6 2/3%-punt per jaar.
Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, is het technisch niet mogelijk deze geleidelijke vermindering al in 2008 te laten ingaan. Het eerste jaar waarin dit wel mogelijk is, is 2009. Om die reden wordt met ingang van 2009 de uitbetaling van de algemene heffingskorting verminderd met het eerder genoemde percentage. De jaren daarna groeit elk jaar de vermindering met 6 2/3%-punt, zodat met ingang van 2023 er geen 'overdraagbaarheid' meer is.
In 2009 kan volgens deze nieuwe regel nog maximaal 93 1/3% van de algemene heffingskorting via een negatieve aanslag worden uitbetaald. In 2010 en de jaren daarna neemt de vermindering elk jaar met 6 2/3%-punt toe, zodat in 2010 het percentage 86 2/3 wordt, in 2011 het percentage 80 wordt, enz. Deze aflopende reeks komt tot stand met behulp van een jaarlijkse bijstelling op de voet van het nieuwe artikel 10.6a ( artikel III , onderdeel D).'
MvT, Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, p. 54.
Parlementaire behandeling. Belastingplan 2018
'De hoofdregel is dat heffingskortingen niet worden uitbetaald, maar enkel verzilverd kunnen worden tegen de eigen inkomstenbelasting. Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor de algemene heffingskorting (AHK), de arbeidskorting en de IACK. Als de minstverdienende partner deze heffingskortingen niet (volledig) tegen de eigen inkomstenbelasting kan verzilveren, worden deze kortingen (deels) aan hem uitbetaald mits de meestverdienende partner voldoende belasting betaalt. Het percentage van de AHK dat voor deze uitbetaling in aanmerking komt, wordt sinds enige jaren afgebouwd. In 2017 bedraagt dit percentage 40% en het zal vanaf 2023 0% bedragen. Voorgesteld wordt met ingang van 1 januari 2019 ook de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en IACK te beperken tot het voor de AHK geldende percentage van de uitbetaalbaarheid en om deze beperking voor minstverdienende partners van alle leeftijden te laten gelden.
Deze maatregel leidt tot een verkleining van de inkomensverschillen tussen eenverdieners enerzijds en (kleine) tweeverdieners anderzijds. Eenverdieners kunnen namelijk niet in aanmerking komen voor de uitbetaling van de arbeidskorting en IACK. Voor tweeverdieners wordt deze mogelijkheid met onderhavige maatregel afgebouwd en uiteindelijk afgeschaft. De maatregel heeft twee effecten op de werkgelegenheid. Het beïnvloedt ten eerste de keuze om te gaan werken. Het financiële voordeel van een kleine baan wordt als gevolg van de maatregel kleiner omdat de minstverdienende partner uiteindelijk niet meer in aanmerking komt voor de uitbetaling van de arbeidskorting en IACK. Daarentegen vergroot de maatregel de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner dan een groter deel van de arbeidskorting en IACK kan verzilveren. Doordat de maatregel ook gaat gelden voor oudere werkenden, gaat er ook voor hen, in lijn met de doelstelling van de arbeidskorting en de IACK, een stimulans van uit om het aantal werkuren op peil te houden of eventueel uit te breiden. Per saldo heeft de maatregel volgens de berekeningen van het Centraal Planbureau een licht positief effect op de werkgelegenheid. Ook leidt de maatregel na volledige afbouw tot een vereenvoudiging van de inkomstenbelasting.
De budgettaire opbrengst van deze maatregel wordt geraamd op € 78 miljoen in 2019 en € 56 miljoen structureel.'
Kamerstukken II 2017/18, 34785, nr. 8, p. 7-8.
'De hoofdregel is dat heffingskortingen niet worden uitbetaald, maar worden gemaximeerd op het bedrag dat vóór toepassing van de heffingskortingen aan inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen is verschuldigd. Indien een minstverdienende partner vóór toepassing van de AHK, arbeidskorting en IACK onvoldoende inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen verschuldigd is om die kortingen te kunnen verzilveren, worden deze heffingskortingen – als uitzondering op de genoemde hoofdregel – geheel of gedeeltelijk aan die minstverdienende partner uitbetaald, voor zover de meestverdienende partner voldoende inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen verschuldigd is. De uitbetaalbaarheid van de gecombineerde heffingskorting bij de minstverdienende partner die na 31 december 1962 geboren is, is in 2017 beperkt tot maximaal 40% van de AHK, vermeerderd met 100% van de arbeidskorting en IACK. Voorgesteld wordt om met ingang van 2019 voor de arbeidskorting en IACK dezelfde beperking te laten gelden als voor de AHK, met dien verstande dat voor de arbeidskorting en IACK die beperking ook gaat gelden voor de minstverdienende partner die voor 1 januari 1963 geboren is. Vanwege de verlaging van het eerstgenoemde percentage met 6 2/3%-punt per jaar op grond van artikel 10.6a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), zal genoemde verhoging met ingang van 1 januari 2019 beperkt worden tot 26 2/3% van het totaal van de voor de belastingplichtige geldende AHK, arbeidskorting en IACK. Met ingang van 1 januari 2023 zal genoemde uitbetaalbaarheid zijn afgebouwd tot nihil.'
Kamerstukken II 2017/18, 34785, nr. 8, p. 7-8.
'De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de nadelige gevolgen van de maatregel voor mensen met een kleine baan. Bij de beantwoording van deze vraag ga ik ervan uit dat mensen met een kleine baan een inkomen hebben groter dan € 0, maar niet groter dan € 10.000. Er zijn naar schatting circa 70.000 mensen met een dergelijke baan die er door deze maatregel op achteruit gaan. Gemiddeld gaat deze groep er door deze maatregel circa 0,7% van het huishoudinkomen op achteruit. Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks of mensen met kleine banen hierdoor verzilveringsproblemen krijgen en zich eerder terug zullen trekken van de arbeidsmarkt. Mensen met kleine banen zullen door deze maatregelen iets minder van hun heffingskorting kunnen verzilveren tegen partnerinkomen. Ik verwacht dat dit juist een prikkel geeft om meer te gaan werken, omdat bij extra inkomen (een deel van) deze heffingskorting weer kan worden verzilverd. Het CPB heeft aangegeven dat deze maatregel een licht positief effect heeft op de structurele werkgelegenheid.
De leden van de fracties van de VVD, GroenLinks en de SP vragen naar de arbeidsmarkteffecten van de afbouw van de uitbetaalbaarheid van de IACK, zoals deze door het CPB zijn berekend. De leden van de fractie van de SP vragen waarom heffingskortingen in beginsel niet worden uitbetaald en waarom daar voor de AHK, de arbeidskorting en de IACK van is afgeweken. In de inkomstenbelasting geldt het uitgangspunt dat de belasting van een belastingplichtige op individueel niveau wordt vastgesteld. Dit geldt ook voor de heffingskortingen. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. De uitbetaalbaarheid van de AHK, de arbeidskorting en de IACK is zo’n uitzondering. Weliswaar vindt de uitbetaling van deze heffingkortingen plaats bij de belastingplichtige, maar (de hoogte van) deze uitbetaling is wel afhankelijk van of, en zo ja, hoeveel belasting zijn partner betaalt. De algemene heffingskorting verving in 2001 de basisaftrek en omdat de basisaftrek overdraagbaar was, is in lijn daarmee destijds geregeld dat de algemene heffingskorting uitbetaalbaar is. De arbeidskorting is uitbetaalbaar gemaakt in verband met de wens om het stimulerende effect van de arbeidskorting ook te laten werken bij een minstverdienende partner die over het eigen inkomen minder belasting verschuldigd is dan het bedrag van de AHK. Vervolgens is in aansluiting op de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting ook de IACK uitbetaalbaar geworden. Alhoewel de positieve effecten op de werkgelegenheid destijds de reden waren om de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en de IACK in te voeren, heeft de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en de IACK ook negatieve effecten op de werkgelegenheid. Dit komt omdat de minstverdienende partner door de uitbetaalbaarheid minder wordt gestimuleerd om extra te gaan werken. Per saldo heeft het afschaffen van de uitbetaalbaarheid volgens de berekeningen van het CPB een licht positief effect op de werkgelegenheid. Dit is nader toegelicht in de toelichting bij de nota van wijziging.
De leden van de fractie van de PvdA vragen bij hoeveel gezinnen de aftrek wordt beperkt. Ik ga ervan uit dat hier bedoeld wordt hoeveel gezinnen door deze maatregel minder korting kunnen verzilveren tegen partnerinkomen. Dit betreft naar schatting ruim 150.000 gezinnen in 2019 voor wie de belastingdruk van het huishoudinkomen gemiddeld met 1,3% stijgt.
De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet kan kwantificeren hoeveel kleiner het verschil in belastingdruk wordt tussen een- en tweeverdienersgezinnen door de maatregel omtrent de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en IACK. Door deze maatregel kunnen naar schatting ruim 150.000 tweeverdienersgezinnen minder kortingen verzilveren tegen partnerinkomen. Voor hen bedraagt het gemiddelde van de stijgende belastingdruk van het huishoudinkomen circa 1,3%. Voor eenverdienersgezinnen verandert de belastingdruk door deze maatregel niet.
De leden van de PvdA-fractie vragen wat het effect is op de koopkracht en op de werkgelegenheid van de afbouw van de overdraagbaarheid van de IACK en de arbeidskorting. Het effect van de afbouw van de uitbetaalbaarheid van de IACK en arbeidskorting op de koopkracht is licht negatief (0,1%-punt) voor werkenden en gezinnen met kinderen.
De leden van de fractie van de SGP vragen of het mogelijk is om de beperking van de uitbetaalbaarheid van de arbeidskorting en de IACK al per 2018 in te laten gaan. Dat is niet het geval. Het geleidelijk afschaffen van deze uitbetaalbaarheid is een structuuraanpassing, zodat het belastingjaar 2019 de eerstvolgende mogelijkheid is om de maatregel te verwerken in de voorlopige aanslagregeling. Zou de maatregel toch per 2018 ingaan, dan is het niet mogelijk die te verwerken in de voorlopige aanslagregeling 2018. In dat geval zouden belastingplichtigen die via de voorlopige aanslag een te hoge uitbetaling van de arbeidskorting en IACK ontvangen, deze na afloop van het jaar moeten terugbetalen. Dat vindt het kabinet niet wenselijk.'
Kamerstukken II 2017/18, 34785, nr. 18, p. 17-18.
Parlementaire behandeling. Belastingplan 2019
'De heer Snels vraagt of er alternatieven zijn voor het beperken van de uitbetaalbaarheid op basis van het partnerinkomen van de arbeidskorting en de IACK. Het gedeelte van de huishoudens dat deze kortingen (deels) niet kan verzilveren loopt in 2019 op van 4,5% naar 12,5% (arbeidskorting) en van 7% naar 16,4% (IACK). Het geleidelijk afschaffen van de uitbetaalbaarheid van de IACK en de arbeidskorting verkleint de inkomensverschillen tussen eenverdieners en (kleine) tweeverdieners en vereenvoudigt (na volledige afbouw) het belastingstelsel. De maatregel heeft ook arbeidsmarkteffecten. Aan de ene kant wordt het financiële voordeel van een kleine baan kleiner, omdat de minstverdienende partner uiteindelijk niet meer in aanmerking komt voor uitbetaling van de arbeidskorting en de IACK. Aan de andere kant vergroot de maatregel de prikkel om meer te gaan werken, omdat de minstverdienende partner dan een groter deel van de kortingen zelf kan verzilveren. Per saldo heeft de maatregel volgens het CPB een licht positief effect op de werkgelegenheid.
Als gevolg van de maatregel kan een groter deel van de minstverdienende partners de heffingskortingen (deels) niet verzilveren. Gezien bovengenoemde overwegingen die ten grondslag liggen aan het nemen van deze maatregel ziet het kabinet dit niet als een probleem.'
Brief Staatssecretaris van Financiën van 8 november 2018, Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 29, p. 4.
Parlementaire behandeling. Belastingplan 2023
'Met de voorgestelde wijziging van artikel 8.9 Wet IB 2001 wordt de tekst zodanig aangepast dat deze beter past bij de vanaf 1 januari 2023 beoogde situatie waarbij de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting volledig is afgebouwd conform artikel 10.6a Wet IB 2001. Een uitzondering hierop blijft gelden voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1 januari 1963, aan wie met ingang van 1 januari 2023 echter uitsluitend het bedrag van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting, met inachtneming van de voor het overige gelijkblijvende voorwaarden, kan worden uitbetaald en – conform de beoogde afbouw op grond van artikel 10.6a Wet IB 2001 – derhalve niet meer een deel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Door de wijziging van artikel 8.9 Wet IB 2001 kan artikel 10.6a Wet IB 2001 per 1 januari 2023 komen te vervallen, hetgeen eveneens met dit wetsvoorstel wordt bewerkstelligd. Gevolg is dat artikel IB van het Belastingplan 2018, dat regelt dat artikel 10.6a Wet IB 2001 per 1 januari 2024 komt te vervallen, vóór die datum dient te vervallen, hetgeen tevens met dit wetsvoorstel wordt bewerkstelligd.'
MvT, Kamerstukken II 2022/23, 36202, nr. 3, p. 96; V-N 2022/43.4.