Art. 22c Wet LB 1964 regelt de alleenstaande ouderenkorting, een van de bestanddelen van de heffingskorting. Zij geldt voor de werknemer vanaf 65 jaar, die een AOW-uitkering voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder geniet.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 22c
Art. 22c Wet LB 1964 regelt de alleenstaande ouderenkorting. Tot en met 2005 gold de aanvullende ouderenkorting en was dat een aanvulling op de ouderenkorting van art. 22b Wet LB 1964 en kwam dan ook alleen toe aan belastingplichtigen die recht hadden op de ouderenkorting en voorts voldeden aan een aanvullende voorwaarde: het genieten van een AOW-uitkering voor alleenstaanden of alleenstaande ouders. Met ingang van 1 januari 2006 is de aanvullende ouderenkorting vervangen door een alleenstaande ouderenkorting. In tegenstelling tot de aanvullende ouderenkorting is de alleenstaande ouderenkorting onafhankelijk van het inkomen. De enige voorwaarde is dat de belastingplichtige als alleenstaande of alleenstaande ouder in aanmerking komt voor een AOW-uitkering of de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.
2. De alleenstaande ouderenkorting
Art.22c Wet LB 1964 regelt de alleenstaande ouderenkorting. De enige voorwaarde is dat de belastingplichtige als alleenstaande of alleenstaande ouder in aanmerking komt voor een AOW-uitkering of de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen. Deze heffingskorting is dus niet afhankelijk van het inkomen (aant. 2).
Het bedrag van de alleenstaande ouderenkorting wordt jaarlijks vastgesteld (aant. 3).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6), de begripsbepalingen (aant. 1.17) en Parlementaire varia (aant. 1.20).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 22c Wet LB 1964, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 15-04-2026
15-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28
01-01-2001 tot: -
Vakstudie Loonbelasting en Premieheffingen, art. 22c Wet LB 1964, aant. 1.1
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
Loonbelasting / Tarief
heffingskorting
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 22c
Beschouwing
.
Inleiding
Art. 22c Wet LB 1964 regelt de alleenstaande ouderenkorting, een van de bestanddelen van de heffingskorting. Zij geldt voor de werknemer vanaf 65 jaar, die een AOW-uitkering voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder geniet.
Wat vindt u in De Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 22c
Art. 22c Wet LB 1964 regelt de alleenstaande ouderenkorting. Tot en met 2005 gold de aanvullende ouderenkorting en was dat een aanvulling op de ouderenkorting van art. 22b Wet LB 1964 en kwam dan ook alleen toe aan belastingplichtigen die recht hadden op de ouderenkorting en voorts voldeden aan een aanvullende voorwaarde: het genieten van een AOW-uitkering voor alleenstaanden of alleenstaande ouders. Met ingang van 1 januari 2006 is de aanvullende ouderenkorting vervangen door een alleenstaande ouderenkorting. In tegenstelling tot de aanvullende ouderenkorting is de alleenstaande ouderenkorting onafhankelijk van het inkomen. De enige voorwaarde is dat de belastingplichtige als alleenstaande of alleenstaande ouder in aanmerking komt voor een AOW-uitkering of de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.
2. De alleenstaande ouderenkorting
Art.22c Wet LB 1964 regelt de alleenstaande ouderenkorting. De enige voorwaarde is dat de belastingplichtige als alleenstaande of alleenstaande ouder in aanmerking komt voor een AOW-uitkering of de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen. Deze heffingskorting is dus niet afhankelijk van het inkomen (aant. 2).
Het bedrag van de alleenstaande ouderenkorting wordt jaarlijks vastgesteld (aant. 3).
Hierna wordt ingegaan op het ontstaan van de bepaling (aant. 1.2), het literatuuroverzicht (aant. 1.3), doel en strekking (aant. 1.4), de context van de bepaling (aant. 1.6), de begripsbepalingen (aant. 1.17) en Parlementaire varia (aant. 1.20).