WFR 2003/1053
Naheffing kapitaalsbelasting wegens inbreng informele kapitaalstorting. Waarde inbreng te stellen op waarde die inbreng voor schuldenaar heeft. Evenredigheidsmethode. Wetgever heeft gekozen voor een van richtlijn 69/335/EEG afwijkend stelsel.
HR 13-06-2003, ECLI:NL:HR:2003:AD4067
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 juni 2003
- Zaaknummer
36860
- LJN
AD4067
- Vakgebied(en)
Belastingen van rechtsverkeer (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Belastingen van rechtsverkeer / Algemeen
Europees belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2003:AD4067, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑06‑2003
ECLI:NL:HR:2003:AD4067, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑2003
- Wetingang
Art. 34 aanhef en onderdeel d WBR; art. 35 lid 1 WBR; art. 52 WBR; art. 4 lid 2 onderdeel b Richtlijn 69/335/EEG; art. 5 lid 1 onderdeel d Richtlijn 69/335/EEG
Essentie
Naheffing kapitaalsbelasting wegens inbreng informele kapitaalstorting. Waarde inbreng te stellen op waarde die inbreng voor schuldenaar heeft. Evenredigheidsmethode. Wetgever heeft gekozen voor een van richtlijn 69/335/EEG afwijkend stelsel.
Uitspraak
Belanghebbende, X BV, is een 100%-dochter van A NV. A NV heeft in 1987 aan X BV een geldlening verstrekt tegen een rente van 8,5% per jaar en met een looptijd van tien jaar. In oktober 1996 heeft A NV verklaard vanaf 1 januari 1994 af te zien van rente over het uitgeleende bedrag en vanaf 1 januari 1997 van het restant van de vorderingen. De in geschil zijnde ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.