Ondernemingsrecht 2002, p. 227
Vaststelling en goedkeuring van de jaarrekening
Prof. mr. H. Beckman, Prof. mr. L. Timmerman, datum 01-08-2002
- Datum
01-08-2002
- Auteur
Prof. mr. H. Beckman, Prof. mr. L. Timmerman
- JCDI
JCDI:ADS33771:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:58 BW (onderlinge waarborgmaatschappij, coöperatie), art. 2:101 BW (NV) en art. 2:210 BW (BV).
Zie art. 2:36d lid 3 BW.
Zie art. 2:49 BW (vereniging) en art. 2:300 BW (Stichting).
Specifieke wetgeving kan hierover wel regels bevatten.
Zie art. 2:48 lid 1, tweede volzin BW.
Zie art. 2:163 BW en art. 2:273 BW.
Zie art. 2:155 lid 1 BW en art. 2:265 lid 1 BW.
Zie art. 2:157 lid 1 BW en art. 2:267 lid 1 BW.
Zie art. 2:157 BW en art. 2:267 BW.
Wetsvoorstel 28 179.
Art. 2:105 lid 3 BW en art. 2:216 lid 3 BW.
Art. 2:98 lid 3 BW en art. 2:207 lid 3 BW.
Stichtingen; raad van commissarissen bij structuur-NV's en -BV's.
Art. 2:393 lid 6 BW en art. 2:392 lid 1, sub a BW.
Art. 1001 lid 1, eerste volzin Rv.
HR 19 september 1991, NJ 1991, 834.
Art. 101 lid 1, tweede volzin Rv in samenhang OK 25 april 1991, NJ 1992, 237.
Zie noot 18.
Art. 2:356 BW.
Handboek 1992, nr. 318.
Compendium voor de jaarrekening, par 2.5.3, aant. 8e.
SER 19 januari 2001.
Zie ook Gerechtshof Amsterdam (OK) 20 januari 1977, opgenomen in Documentatie rond de jaarrekening, p. 1.01-14.
Zie Handboek, nr. 332.
Zie over deze kwestie in andere zin dan in de tekst: J.W. Winter, 'Moet Artikel 2: 105/216 BW worden verduidelijkt?', in: Knelpunten in de vennootschapswetgeving, Uitgave vanwege het Instituut voor Ondernemingsrecht, deel 24, p. 118 (1995).
HR 8 november 1990, NJ 1992, 174.
Zie H. Beckman, Compendium voor de jaarrekening, 1.2.3.-144
Handboek, nr. 313
De wetgever heeft enige tijd geleden bepaald dat de vaststelling van de jaarrekening niet strekt tot kwijting aan een bestuurder. Volgens schrijvers had het de heldere opzet van ons vennootschapsrecht bevorderd als toen bepaald was dat het bestuur van een vennootschap de jaarrekening vaststelt. De jaarrekening is dan het stuk waarmee het bestuur integraal verantwoording aflegt voor het door hem gevoerde beleid. De aandeelhoudersvergadering kan door het al dan niet verlenen van decharge te kennen geven of zij het beleid van het bestuur al dan niet steunt. Deze inhoudelijke bemoeienis is vreemd, verstoort onder andere heldere verantwoordingsverhoudingen binnen de vennootschap en past niet in een modern vennootschapsrecht.
'Om onduidelijke reden acht de SER het niet passend in de opzet van het structuurregime aan de AVA het recht tot amendement van de jaarstukken toe te kennen. De AVA zou slechts de keuze hebben tussen vaststellen of niet vaststellen. Gelukkig wil het kabinet de AVA wel de mogelijkheid geven de jaarrekening te wijzigen', aldus D.C. Buijs in Ondernemingsrecht 2001-5, p. 117.
1 Inleiding
Naar huidige stand van zaken ligt bij gewone NV's en BV's, alsmede bij coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen de bevoegdheid tot vaststelling van de jaarrekening bij de algemene vergadering (van aandeelhouders respectievelijk leden).1 Ook wordt over de bevoegdheid tot vaststelling van de jaarrekening gesproken bij verenigingen en stichtingen mits zij aan titel 9 Boek 2 BW zijn onderworpen.2 Deze bevoegdheid komt alsdan toe aan de algemene ledenvergadering respectievelijk bij stichtingen aan het tot vaststelling van de jaarrekening bevoegde orgaan.3 Bij niet aan titel 9 Boek 2 BW onderworpen stichtingen laat het BW zich niet uit over het vaststellen van de jaarrekening (of daarvoor in de plaats tredende stukken).4 Voor verenigingen die niet aan titel 9 Boek 2 BW zijn onderworpen, heeft de wetgever het over het goedkeuren van de jaarrekening door de algemene ledenvergadering.5
Bij NV's of BV's met volledig structuurregime ligt de vaststellingsbevoegdheid bij de raad van commissarissen en heeft de algemene vergadering de bevoegdheid tot goedkeuring van de jaarrekening.6 Bij het verlichte structuurregime7 en vrijwillige structuurregime8 kan de vaststellingsbevoegdheid zodanig zijn geregeld dat deze bij de algemene vergadering blijft.9 In het Wetsvoorstel aanpassing structuurregeling10 wordt voorgesteld de vaststellingsbevoegdheid van de raad van commissarissen bij structuur-NV's en -BV's te laten vervallen.
In diverse bepalingen van het BW wordt betekenis toegekend aan de vastgestelde en/of goedgekeurde jaarrekening, zoals bij dividenddeclaraties11 , en inkoop van eigen aandelen.12 Dit vooronderstelt wel dat duidelijk is wat vaststelling en/of goedkeuring inhoudt. Ook werd tot voor kort aan vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening - via de statuten - gevolgen voor de decharge van bestuurders en commissarissen verbonden.
Dat de besluitvorming omtrent de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening wezenlijk wordt gevonden, wordt ook nog eens onderstreept door het bepaalde omtrent het door de algemene vergadering (bevoegde orgaan13 ) kennis kunnen nemen van de accountantsverklaring.14 Het ontbreken van de accountantsverklaring terwijl die op grond van de Wet accountantsonderzoek is voorgeschreven, vormt een beletsel tot vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening, behoudens een wettige grond die in het financieel verslag onder de overige gegevens uiteengezet moet worden.15
Wordt een door de algemene vergadering vastgestelde of goedgekeurde jaarrekening bij het handelsregister gedeponeerd, dan moet de datum van vaststelling of goedkeuring op de jaarrekening worden aangetekend.16 Wordt tegen een vennootschap een jaarrekeningprocedure ingesteld, dan moet dat geschieden binnen de daarvoor geldende termijn van twee maanden na de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening.17 Zou de datum van vaststelling of goedkeuring niet zijn vermeld, dan eindigt de tweemaandstermijn nog niet.18 Betreft het een openbaar te maken jaarrekening, dan eindigt de termijn twee maanden na de datum die staat in de depotstempel van het handelsregister.19 Zou echter de vaststellings- of goedkeuringsdatum niet zijn vermeld, dan verstrijkt de tweemaandstermijn nog niet.20
Ook als voor een jaarrekening in het kader van een jaarrekeningprocedure door de Ondernemingskamer aanwijzingen tot verandering worden gegeven, komen de begrippen vaststelling en goedkeuring terug in die zin dat van rechtswege de vaststelling en/of goedkeuring is vernietigd.21 Dit kan ook allerlei andere rechtsgevolgen hebben, omdat de basis voor allerlei besluiten wordt weggenomen. Om die reden kan de Ondernemingskamer desverzocht de rechtsgevolgen van een vernietiging beperken. Eveneens is vernietiging van een vaststellings- en/of goedkeuringsbesluit in het enquêterecht mogelijk22 dan wel in een gewone rechtsprocedure.23 Voorts is omstreden of een algemene vergadering (of bevoegd orgaan) uit eigen beweging op een genomen besluit tot vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening kan terugkomen. In het Handboek blijkt het standpunt dat door de vaststelling van de algemene vergadering de jaarrekening van de vennootschap definitief is, behoudens rechterlijke voorziening.24 In 'Compendium voor de jaarrekening' wordt het standpunt ingenomen dat op een vaststellingsbesluit kan worden teruggekomen.25
Het recente kabinetsstandpunt 'Toezicht op externe financiële verslaggeving beursgenoteerde ondernemingen' is hetzelfde standpunt als dat van het Compendium. In deze notitie is immers te lezen: 'Indien bij een onderzoek van de toezichthouder materiële tekortkomingen in de financiële verslaglegging van individuele ondernemingen aan het licht komen en de onderneming, na kennisneming van de resultaten van het onderzoek, niet bereid is uit eigen beweging adequate maatregelen te treffen, zal de betreffende onderneming gedwongen moeten worden om hetzij de gewraakte rapportages aan te passen, hetzij zodanige aanvullende informatie naar buiten te brengen dat het beeld van de gewraakte rapportages adequaat wordt gecorrigeerd.' Uit deze passage blijkt duidelijk dat een vastgestelde jaarrekening in de ogen van het kabinet voor bijstelling door de aandeelhoudersvergadering vatbaar is.
Wat opvalt, is dat nergens in de wet omschreven is wat onder vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening moet worden verstaan. Bovendien lijkt het erop dat vaststelling meer omvat dan goedkeuren, althans in het kader van het structuurregime voor NV's en BV's. De heersende opvatting is dat het orgaan met vaststellingsbevoegdheid de mogelijkheid heeft de aan hem voorgelegde jaarrekening te (laten) wijzigen; het orgaan met de goedkeuringsbevoegdheid kan alleen goedkeuren of niet-goedkeuren. Daarover ontstaat weer twijfel indien gelet wordt op het advies van de SER over het functioneren en de toekomst van de structuurregeling.26 In dit advies is opgenomen dat de vaststellingsbevoegdheid moet terugkeren naar de algemene vergadering waardoor deze ook weer kan beslissen over de winstbestemming. Dit laatste moet op een misverstand berusten, omdat de winstbestemmingsbevoegdheid ook onder de geldende regeling bij de algemene vergadering berust.27 Als daarin beperkingen bestaan, wordt dit veroorzaakt door statutaire bepalingen en niet door het berusten van de vaststellingsbevoegdheid bij de raad van commissarissen.
In het SER-advies wordt opgemerkt dat bij terugkeer van de vaststellingsbevoegdheid naar de algemene vergadering, deze algemene vergadering niet het recht tot wijziging van de jaarrekening moet krijgen. Wat dan de betekenis is van het voorstellen om de goedkeuringsbevoegdheid te vervangen door de vaststellingsbevoegdheid, is niet erg duidelijk. Het is bovendien verwarrend: er zouden twee begrippen 'vaststellen' ontstaan, te weten: vaststellen met wijzigingsrecht (alle onder titel 9 Boek 2 BW vallende rechtspersonen en vennootschappen tenzij structuur-NV of -BV) en vaststellen zonder wijzigingsrecht (structuur-NV of -BV volgens SER-advies). Daarnaast is er de goedkeuringsbevoegdheid van de algemene ledenvergadering van niet onder titel 9 Boek 2 BW vallende verenigingen. De memorie van toelichting bij het voorstel aanpassing structuurregeling wijst op de discussie die kan ontstaan over de vraag of het vaststellen van de jaarrekening al dan niet de bevoegdheid tot het (doen) wijzigen van de jaarrekening omvat. Uit de memorie van toelichting is op te maken dat de regering zich aansluit bij de heersende leer. In een brief d.d. 17 januari 2002 aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt door het FNV, het CNV en de Unie mhp hiertegen geopponeerd. Deze organisaties wensen dat de algemene vergadering niet het recht tot het (doen) wijzigen krijgt en willen kennelijk het advies van de SER volgen. Eigenlijk komt het erop neer dat er bij structuur-NV's of -BV's niets zou veranderen. Wat dan de zin is van het veranderen van 'goedkeuren' in 'vaststellen' is volstrekt onduidelijk.
Het voorgaande bracht ons tot de vraag wat nou de kern is van de 'vaststellingsbevoegdheid' en van de 'goedkeuringsbevoegdheid'. Waarin verschillen zij? Hebben deze begrippen bij verschillende rechtsvormen een gelijkluidende of afwijkende betekenis? Stelt de bevoegdheid nog veel voor? Is het gewicht dat aan vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening in het kader van te nemen besluiten wordt toegekend, wel terecht? Wij zullen enkele van deze vragen hierna in het licht van onze introducerende opmerkingen bespreken. Daarbij stellen wij in par. 2 de begrippen vaststellen en goedkeuren als zodanig aan de orde. In par. 3 worden de gevolgen van de nietigheid van de vaststelling van de jaarrekening besproken.
2 Vaststellen en goedkeuren
In het vroegere Wetboek van Koophandel werd gesproken over vaststellen van de jaarrekening.28 In de Wet op de Coöperatieve vereniging in 1925 ging het over goedkeuren van de rekening en verantwoording; later werd het het vaststellen van de jaarrekening.29 Na invoering van de structuurregeling in 1971 werd bij structuurvennootschappen over het vaststellen door de raad van commissarissen gesproken en over goedkeuren door de algemene vergadering.
Wat de begrippen echter inhouden werd en wordt niet in de wet omschreven. Vóór de structuurregeling werden de termen vaststellen en goedkeuren in de doctrine veelal door elkaar gebruikt. Pas na de invoering van de structuurregeling werd scherper onderscheiden. Van der Grinten noemt ter zake van het vaststellen van de jaarrekening twee opvattingen:
de algemene vergadering heeft de keuze tussen vaststellen en niet-vaststellen
de algemene vergadering heeft het recht wijzigingen aan te brengen.
De eerste visie komt neer op goedkeuren en niet-goedkeuren, aldus Van der Grinten. Dit past bij de structuur-NV's en -BV's, waar de wet de term goedkeuren voor de algemene vergadering hanteert. De tweede visie is de regeling die past bij de gewone vennootschappen en overige rechtspersonen en bij structuur-NV's en -BV's ter zake van de bevoegdheid van de raad van commissarissen. Van der Grinten wijst hierbij nog wel op een verschil: goedkeuring door de algemene vergadering maakt de jaarrekening tot jaarrekening van de vennootschap; vaststelling door de raad van commissarissen nog niet. Wij kunnen ons in hoofdlijnen hiermee verenigen. Aldus houdt het huidige systeem in:
vaststellen of goedkeuren door de algemene vergadering doet de jaarrekening van de rechtspersoon ontstaan;
goedkeuren door de algemene vergadering bij een structuurvennootschap omvat niet de bevoegdheid tot het (doen) aanbrengen van wijzigingen;
vaststellen door de raad van commissarissen of algemene vergadering omvat het recht tot het (doen) aanbrengen van wijzigingen.
Bij verenigingen die niet onder titel 9 Boek 2 BW vallen, gaat het om het goedkeuren van de jaarrekening. Wij zijn geneigd dit begrip 'goedkeuren' gelijk te stellen met 'vaststellen'. Er is geen goede reden dit begrip 'goedkeuren' gelijk te stellen aan goedkeuring in de betekenis bij structuur-NV's en -BV's.
Indien de algemene vergadering bereid is tot vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening over te gaan, geeft zij daarmee te kennen dat zij zich kan vinden in de weergave van de financiële uitkomsten van het door het bestuur gevoerde beleid en van de weerslag ervan op de financiële positie en het vermogen in de jaarrekening op basis van de gehanteerde grondslagen van waardering en resultaatbepaling. Hetzelfde geldt voor de raad van commissarissen indien bij deze de vaststellingsbevoegdheid berust. Een en ander betekent derhalve geen uitspraak over de vraag of het beleid goed dan wel slecht was. Evenmin houdt goedkeuring van de jaarrekening door de algemene vergadering van een structuurvennootschap in dat zij van oordeel is dat het toezicht door de raad van commissarissen goed (of slecht) is; er kan alleen gezegd worden dat zij zich kan verenigen met de wijze waarop de raad van commissarissen van zijn vaststellingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
De vraag die opkomt, is in hoeverre hierbij past dat het vaststellende orgaan wijzigingen in de aan hem voorgelegde jaarrekening kan (laten) aanbrengen. Vanuit de optiek dat de opgemaakte jaarrekening een rekening en verantwoordingsdocument van het bestuur is, ligt het niet voor de hand dat de algemene vergadering daarin wijzigingen zou mogen (doen) aanbrengen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de gehanteerde grondslagen van waardering en resultaatbepaling de instemming van het vaststellende orgaan behoeven.
De instemmingsbevoegdheid heeft slechts beperkte betekenis. Het bestuur dient immers de jaarrekening op te maken in overeenstemming met de bij of krachtens de wet geformuleerde regels. Deze regels zijn over het geheel genomen van dwingendrechtelijke aard. Wel zijn er voor een beperkt aantal onderwerpen keuzemogelijkheden en beoordelingsvraagstukken. Wat het laatste betreft, menen wij dat dergelijke vraagstukken tot het terrein van het bestuur behoren. Als voorbeeld noemen wij de beoordeling of een actief al dan niet duurzaam minder waard is dan de boekwaarde. Het vaststellende orgaan zal de beoordeling door het bestuur slechts marginaal mogen toetsen, omdat de beoordeling als zodanig deel uitmaakt van de af te leggen rekening en verantwoording. Ook ten aanzien van de beoordeling van de economische levensduur en te gebruiken afschrijvingsmethoden nemen wij hetzelfde standpunt in.
Wat de keuzemogelijkheden ter zake van waarderings- en resultaatbepalingsregels betreft merken wij allereerst op dat de toenemende mate van uniformering als gevolg van internationale ontwikkeling dergelijke mogelijkheden verkleint. Een tweede begrenzing wordt gevormd door de eis van stelselmatigheid. Er kan niet naar willekeur van het ene naar het andere stelsel worden overgegaan. Zo men al van oordeel blijft dat het vaststellende orgaan wijzigingen kan (doen) aanbrengen, leidt het opgemerkte tot een drastische beperking van de inhoud van het recht om wijzigingen aan te brengen dan wel te doen aanbrengen. Wij tekenen hierbij aan dat uit de aard van een rekening en verantwoording door het bestuur voortvloeit dat het vaststellende orgaan niet zelf wijzigingen mag aanbrengen. Het kan daartoe wel opdracht aan het bestuur verlenen.
Ook bij een beperkte betekenis van een recht tot wijziging kan men zich afvragen of het doen aanbrengen van wijzigingen in de jaarrekening door het vaststellend orgaan wel juist is. In dit verband is te denken aan de vele ondernemingen die ruim voor de behandeling in de jaarvergadering de door het bestuur opgemaakte jaarrekening in het maatschappelijk verkeer (of delen ervan) hebben verspreid. Daarin past niet dat de algemene vergadering later nog wijzigingen zou kunnen aanbrengen. Wij zouden dan ook willen bepleiten dat het recht wijzigingen aan te brengen in de door het bestuur opgemaakte jaarrekening (rekening en verantwoording) uitgesloten wordt van de vaststellingsbevoegdheid.
Wel zouden wij eraan willen vasthouden dat het bestuur in de gehanteerde grondslagen geen wijzigingen zou mogen aanbrengen behoudens instemming van de algemene vergadering met inachtneming van het in de wet bepaalde over stelselwijzigingen. Al te vaak komt het voor dat in de kwartaal- en/of halfjaarcijfers stelselwijzigingen worden doorgevoerd vooruitlopend op de nog te maken jaarrekening voor het lopend boekjaar. Wij achten dit onjuist. Ook als gewacht wordt tot de jaarrekening, menen wij dat voorgestelde wijzigingen pas effect behoren te hebben voor het eerstvolgende boekjaar.
Het voorgaande impliceert dat wij de opvatting zijn toegedaan dat vaststellen of goedkeuren van de jaarrekening inhoudt het zich kunnen verenigen met de wijze waarop het bestuur rekening en verantwoording over het gevoerde beleid aflegt, dus met inbegrip van de gehanteerde grondslagen. De vaststellingsbevoegdheid omvat tevens de bevoegdheid om al dan niet in te stemmen met de door het bestuur voorgestelde stelselwijzigingen ten behoeve van - in onze visie - voor komende jaren op te stellen financiële verantwoordingen. Alleen in dit opzicht zien wij in de vaststellingsbevoegdheid een wijzigingsbevoegdheid opgesloten (het niet akkoord gaan met voorgestelde wijzigingen). In de huidige opvatting is in de vaststellingsbevoegdheid een echt recht tot wijziging opgesloten, inhoudende dat het vaststellende orgaan het bestuur kan opdragen in de grondslagen wijzigingen aan te brengen, maar alleen voorzover er binnen de wet keuzemogelijkheden zijn met inachtneming van de eisen van stelselmatigheid. Feitelijk komt dit erop neer dat de wijzigingsbevoegdheid weinig om het lijf heeft en daarom beter geheel kan worden afgeschaft.
Om de jaarrekening tot de jaarrekening van de rechtspersoon te maken is het akkoord van de algemene vergadering vereist. Wij duiden dit aan als finalisering van de jaarrekening. Deze finalisering maakt deel uit van de vaststellings- of goedkeuringsbevoegdheid van de algemene vergadering. Zou er niet tot vaststelling of goedkeuring worden overgegaan, dan komt geen jaarrekening van de rechtspersoon tot stand. Het niet-vaststellen of niet-goedkeuren zal normaliter meebrengen dat het desbetreffende orgaan zich niet kan vinden in de rekening en verantwoording. Het kan echter ook om een uiting van ongenoegen gaan, bijvoorbeeld omdat het beleid van het bestuur negatief wordt beoordeeld. Daar is niets op tegen omdat de algemene vergadering veelal niet veel anders kan doen dan het op deze wijze uiten van haar ongenoegen.
Denkbaar zou zijn dat de algemene vergadering na de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening tot de conclusie komt dat deze jaarrekening in ernstige mate tekort schiet. Alsdan komt op de al eerder opgeroepen vraag of een vaststellend of goedkeurend orgaan op een besluit tot vaststelling of goedkeuring kan terugkomen. De wettelijke bepaling van art. 2:362 lid 6, tweede volzin BW lijkt erop te wijzen dat zulks niet mogelijk zou zijn. Immers, in deze bepaling wordt ervan uitgegaan dat als na de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening door de algemene vergadering blijkt dat deze in ernstige mate tekortschiet, een externe mededeling daaromtrent vereist is. Wij menen dat deze bepaling zo moet worden gelezen dat geen verplichting tot aanpassing van de door de algemene vergadering vastgestelde of goedgekeurde jaarrekening bestaat. Naar onze mening kan de algemene vergadering echter besluiten het effect aan de eerdere vaststelling of goedkeuring te ontnemen en te besluiten omtrent vaststelling of goedkeuring van de gewijzigde jaarrekening.
3 Nietigheid van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening
De vaststelling van de jaarrekening kan nietig zijn. Dit kan zich met name voordoen ingeval het orgaan dat bevoegd is tot vaststelling van de jaarrekening geen kennis heeft kunnen nemen van de verklaring van de accountant (zie art. 2:393 lid 6 BW). Wat zijn de gevolgen van de nietigheid van een besluit tot vaststelling van de jaarrekening? Een gevolg van de nietigheid van de vaststelling van de jaarrekening is dat de winst van de betrokken vennootschap niet is vastgesteld en dus geen winstuitkeringen geoorloofd zijn. Het is denkbaar dat een vennootschap dividenduitkeringen doet ondanks dat de vaststelling van de jaarrekening nietig is. De vennootschap kan dergelijke uitkeringen van haar aandeelhouders als onverschuldigd terugvorderen. We zouden willen verdedigen dat zo'n terugvordering niet mogelijk is als de desbetreffende aandeelhouder niet wist of behoorde te weten dat de uitkering niet geoorloofd is. Dit voorschrift is te vinden in art. 2:105 lid 8 BW. Het heeft echter alleen betrekking op het geval dat een naamloze vennootschap (tussentijdse) uitkeringen doet, terwijl het eigen vermogen kleiner is dan het bedrag van het gestorte en opgevraagde kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens wet en statuten dienen te worden aangehouden. We zouden dit voorschrift analogisch willen toepassen op het geval van winstuitkeringen die ongeoorloofd zijn op grond van een nietige jaarrekening. Bij de BV worden degenen die een dividend hebben ontvangen en te goeder trouw zijn niet beschermd, omdat een met art. 2:105 lid 8 BW vergelijkbare bepaling voor de BV niet is opgenomen.30 Dit standpunt komt ons niet redelijk voor. Een aandeelhouder van een BV zal in het algemeen een nauwere band met zijn vennootschap hebben dan die van een NV. Hij zal om die reden wellicht eerder weten of behoren te weten dat een dividenduitkering niet geldig is dan doorgaans bij een NV het geval is. Dit is echter geen reden om de aandeelhouder van een BV die niet weet of behoort te weten dat een winstuitkering ongeldig is niet te beschermen.31
Staat de nietigheid van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening in de weg aan het doen van uitkeringen uit vrije reserves? We menen dat dit niet het geval is. De vrije reserves zijn gevormd uit in het verleden gemaakte winst die in in het verleden vastgestelde jaarrekeningen naar voren is gekomen. Voor uitkering van deze reserves is vaststelling van een nieuwe jaarrekening niet vereist. Dit betekent niet dat, als de aandeelhoudersvergadering besluit tot uitkering van reserves, terwijl geen geldige jaarrekening voorhanden is, de daarin aanwezige aandeelhouders zich niet in de vraag behoeven te verdiepen of er voldoende uitkeringsruimte is. De zorgvuldigheid die aandeelhouders ten opzichte van bijvoorbeeld crediteuren van de vennootschap hebben in acht te nemen brengt mee dat zij dienen na te gaan, of de uitkering van de reserves geen onrechtmatig nadeel aan de crediteuren toebrengt.32 Het gevolg van ons standpunt is dat het niet vastgesteld zijn van een jaarrekening op zichzelf niet meebrengt dat het besluit tot het doen van een uitkering van reserves nietig is. Een andere consequentie is dat we art. 2:105/206 BW beperkt achten tot de in een bepaald lopend boekjaar gemaakte winst. Als de vennootschapswetgever regulering wenst van uitkeringen van reserves, dient hij nieuwe, specifieke regels in het leven te roepen. We zijn er overigens geenszins van overtuigd dat aan dit soort nieuwe regels behoefte bestaat. Ons inziens bieden de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, het onrechtmatige daadsrecht en de actio Pauliana voldoende bescherming tegen een al te wild uitkeringsbeleid van de aandeelhoudersvergadering. In die zin bepleiten we een relativering van het wettelijke vermogensbeschermingsrecht die aansluit bij de inmiddels geringere betekenis van het kapitaalbeschermingsrecht.
Art. 2:98/207 lid 3 BW bepaalt dat een NV of BV geen aandelen anders dan om niet mag verwerven, als een boekjaar meer dan zes maanden is verstreken en er dan nog geen jaarrekening is vastgesteld. Met dit voorschrift wordt bedoeld dat als de laatst vastgestelde jaarrekening de datum heeft van 31 december 2000, er tot 30 juni 2002 aandelen ingekocht mogen worden, ervan uitgaande dat aan de overige voorwaarden van art. 2: 98 BW is voldaan33 .Van der Grinten merkt op dat er geen inkoop mag plaatsvinden als sedert het einde van het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft een periode van 18 maanden is verstreken34 . Dit voorschrift heeft dus tot gevolg dat als er in ons voorbeeld in 2002 een nietige jaarrekening wordt vastgesteld er per 30 juni 2002 geen aandelen meer ingekocht mogen worden. Ingeval de NV of BV na 30 juni wel aandelen inkoopt, is de verkrijging nietig voorzover het om aandelen op naam gaat. De vervreemder te goeder trouw wordt in dat geval in zoverre beschermd dat de bestuurders van de NV of BV gehouden zijn de schade te vergoeden die de vervreemder lijdt als gevolg van de nietigheid van de inkooptransactie. Overigens nemen we aan dat ingeval in het hierboven gehanteerde voorbeeld op 1 april 2002 een nietige jaarrekening is vastgesteld, er op 1 juli 2002 aandelen worden ingekocht en op 1 september 2002 wel een geldige jaarrekening wordt vastgesteld, de nietige inkoop geacht mag worden op grond van art. 3:58 BW bekrachtigd te zijn. Gaat het in ons voorbeeld om toonderaandelen, dan is van nietigheid van de inkoop geen sprake. De toonderaandelen gaan over op de gezamenlijke bestuurders van de NV.
4 Conclusie
Corporate governance is gericht op het creëren van zuivere verhoudingen in een vennootschap. De wetgever heeft enige tijd geleden bepaald dat vaststelling van de jaarrekening niet strekt tot kwijting aan een bestuurder. Ons inziens had het de heldere opzet van ons vennootschapsrecht bevorderd, als toen bepaald was dat het bestuur van een vennootschap de jaarrekening vaststelt. De jaarrekening is dan het stuk waarmee het bestuur integraal verantwoording aflegt voor het door hem gevoerde beleid. De aandeelhoudersvergadering kan door het al dan niet verlenen van decharge te kennen geven, of zij het beleid van het bestuur al dan niet steunt. De inhoudelijke bemoeienis van de aandeelhoudersvergadering met de jaarrekening is vreemd en past ons inziens niet in een modern vennootschapsrecht. Zij verstoort onder andere heldere verantwoordingsverhoudingen binnen de vennootschap. Wel is het verdedigbaar dat, als het bestuur wijziging wil aanbrengen in de tot dusverre gehanteerde grondslagen van waardering en resultaatbepaling, de wetgever voor dat geval voorschrijft dat zo'n stelstelwijziging de goedkeuring behoeft van de aandeelhoudersvergadering. Op deze wijze is de aandeelhoudersvergadering betrokken bij een beslissing over de jaarrekening die echt van belang is. Een voordeel van de door ons voorgestane benadering is ook dat een einde komt aan de verwarrende praktijk dat het bestuur in brochure-vorm een jaarrekening naar buiten brengt die voor het oog definitief is, maar dit juridisch gezien niet is, omdat deze nog door de aandeelhoudersvergadering vastgesteld dan wel goedgekeurd dient te worden.
Zou Cees Buijs het met onze benadering eens zijn? Dat sluiten we niet uit. Zijn in de aanhef van ons artikel geciteerde standpunt berust op de premisse dat de vaststellingsbevoegdheid aan de aandeelhoudersvergadering toekomt. Hiervan uitgaande is het juist om de aandeelhoudersvergadering de bevoegdheid toe te kennen de jaarrekening te wijzigen. Dit standpunt sluit echter niet uit dat Cees Buijs het met ons eens is om de vaststellingsbevoegdheid om de hierboven aangeduide redenen naar het bestuur over te hevelen.