Art. 50 AWR voorziet, evenals het voormalige art. 51 AWR, erin dat de inspecteur de waardeonderzoeken en overige opnemingen van gebouwen en terreinen kan verrichten welke nodig zijn voor de uitvoering van de belastingwet. Het kan hierbij gaan om taxaties van de waarde, maar eveneens om waarderingen in het kader van bijvoorbeeld de winstbepaling. Te denken valt aan het vaststellen van de waarde waarvoor een onroerende zaak van het ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen wordt gebracht.
In de winstsfeer kan het betreden van gebouwen of terreinen ook een functie hebben in de controle, bijvoorbeeld om na te gaan of de in de administratie voorkomende voorraden, machines, voertuigen en andere activa ook daadwerkelijk aanwezig zijn en of zij de functie vervullen in het bedrijfsproces, die zij geacht worden te vervullen.
Er zij op gewezen, dat onderzoek door de inspecteur in een gebouw of op grond van een belastingplichtige uiteraard moet plaatsvinden in het kader van de verplichte informatieverstrekking op grond van art. 47 AWR e.v.
Ingevolge de bepalingen van de Algemene wet op het binnentreden (hierna AWBt), welke op 1 oktober 1994 in werking is getreden, geldt vanaf die datum voor het binnentreden in woningen echter een aantal aanvullende voorwaarden. Binnentreding in een woning zonder dat de bewoner daarvoor toestemming heeft verleend, kan — behoudens voor deurwaarders — alleen nog plaatsvinden krachtens een machtiging die is afgegeven door een van de in art. 3 AWBt genoemde personen. Ingevolge het bepaalde in art. 7, tweede lid, AWBt mag een woning bij afwezigheid van de bewoners slechts worden binnengetreden indien de afgegeven machtiging dit ook uitdrukkelijk bepaalt.
Ambtenaren, belast met de opsporing van fiscale delicten, hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen die zij naar redelijk oordeel voor de vervulling van hun opsporingstaak dienen te betreden. Art. 83 AWR geeft hieromtrent een regeling.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 50 AWR (aant. 1)
Aant. 1 bevat een behandeling van de algemene aspecten, zoals een overzicht van de parlementaire behandeling (aant. 1.2). Een overzicht van de vakliteratuur met betrekking tot dit artikel vindt u in aant. 1.3, terwijl aant. 1.4 ingaat op doel en strekking van het artikel. Artikel 50 staat niet op zichzelf. De bepaling heeft nauwe relaties met een aantal andere bepalingen in de AWR. Zie voor de uitwerking van deze relaties aant. 1.6. De beginselen van behoorlijk bestuur spelen een belangrijke rol bij het toepassen van de in artikel 50 van de AWR gegeven informatievergaringsmogelijkheden door de Belastingdienst, zie aant. 1.11. Aant. 1.17 bevat omschrijvingen van in artikel 50 gebruikte, maar elders gedefinieerde begrippen.
2. Wat houdt de verplichting tot toegangsverlening in? (aant. 2)
In aant. 2 wordt ingegaan op de in artikel 50, eerste lid, van de AWR geregelde verplichting tot toegangverlening tot gebouwen en grond en de daaraan verbonden privacyaspecten.
3. In hoeverre is de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen begrensd? (aant. 3)
Aant. 3 behandelt het beleid van de Belastingdienst ter zake van het binnentreden van een woning. Hierbij spelen de bepalingen van de AWBt een rol.
4. Wat valt onder de term 'onderzoek'? (aant. 4)
Toegang tot gebouwen of grond dient ingevolge artikel 50, eerste lid, van de AWR te worden verleend 'voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is'. Aant. 4 stelt de reikwijdte van het op basis van artikel 50 van de AWR te verrichten onderzoek aan de orde.
5. Voor welke tijdstippen geldt de verplichting tot toegangverlening? (aant. 5 en 6)
In aant. 5 wordt besproken dat de inspecteur gebonden is aan bepaalde tijdstippen voor de toegangverlening, terwijl aant. 6 de uitzondering daarop behandelt.
6. Is alleen de inspecteur bevoegd tot binnentreding? (aant. 7)
De bevoegdheden van artikel 50 van de AWR kunnen ook toekomen aan anderen dan de inspecteur. Aant. 7 behandelt de positie van de tot binnentreding bevoegde ambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen.
7. Wat houdt een waarneming ter plaatse (WTP) in? (aant. 8)
Aant. 8 gaat nader in op de waarneming ter plaatse bij bedrijven.
8. Aanwijzingen voor het onderzoek (aant. 9 en 10)
In aant. 9 wordt de in artikel 50, vierde lid, van de AWR opgenomen verplichting voor de belastingplichtige om desgevraagd de voor het onderzoek benodigde aanwijzingen te geven besproken. Aant. 10 gaat in op het begrip 'desgevraagd'.
9. Werkt artikel 50 AWR ook door naar lagere overheden? (aant. 14)
In aant. 14 wordt aandacht besteedt aan de doorwerking van artikel 50 van de AWR naar lagere overheden.
10. Welke sancties staan op niet meewerken? (aant. 15)
Vakstudie Algemeen Deel, art. 50 AWR, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 03-05-2026
03-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30.
01-10-1962 tot: -
Vakstudie Algemeen Deel, art. 50 AWR, aant. 1.1
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
informatieplicht
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 50
Beschouwing
Art. 50 AWR voorziet, evenals het voormalige art. 51 AWR, erin dat de inspecteur de waardeonderzoeken en overige opnemingen van gebouwen en terreinen kan verrichten welke nodig zijn voor de uitvoering van de belastingwet. Het kan hierbij gaan om taxaties van de waarde, maar eveneens om waarderingen in het kader van bijvoorbeeld de winstbepaling. Te denken valt aan het vaststellen van de waarde waarvoor een onroerende zaak van het ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen wordt gebracht.
In de winstsfeer kan het betreden van gebouwen of terreinen ook een functie hebben in de controle, bijvoorbeeld om na te gaan of de in de administratie voorkomende voorraden, machines, voertuigen en andere activa ook daadwerkelijk aanwezig zijn en of zij de functie vervullen in het bedrijfsproces, die zij geacht worden te vervullen.
Er zij op gewezen, dat onderzoek door de inspecteur in een gebouw of op grond van een belastingplichtige uiteraard moet plaatsvinden in het kader van de verplichte informatieverstrekking op grond van art. 47 AWR e.v.
Ingevolge de bepalingen van de Algemene wet op het binnentreden (hierna AWBt), welke op 1 oktober 1994 in werking is getreden, geldt vanaf die datum voor het binnentreden in woningen echter een aantal aanvullende voorwaarden. Binnentreding in een woning zonder dat de bewoner daarvoor toestemming heeft verleend, kan — behoudens voor deurwaarders — alleen nog plaatsvinden krachtens een machtiging die is afgegeven door een van de in art. 3 AWBt genoemde personen. Ingevolge het bepaalde in art. 7, tweede lid, AWBt mag een woning bij afwezigheid van de bewoners slechts worden binnengetreden indien de afgegeven machtiging dit ook uitdrukkelijk bepaalt.
Ambtenaren, belast met de opsporing van fiscale delicten, hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen die zij naar redelijk oordeel voor de vervulling van hun opsporingstaak dienen te betreden. Art. 83 AWR geeft hieromtrent een regeling.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 50 AWR (aant. 1)
Aant. 1 bevat een behandeling van de algemene aspecten, zoals een overzicht van de parlementaire behandeling (aant. 1.2). Een overzicht van de vakliteratuur met betrekking tot dit artikel vindt u in aant. 1.3, terwijl aant. 1.4 ingaat op doel en strekking van het artikel. Artikel 50 staat niet op zichzelf. De bepaling heeft nauwe relaties met een aantal andere bepalingen in de AWR. Zie voor de uitwerking van deze relaties aant. 1.6. De beginselen van behoorlijk bestuur spelen een belangrijke rol bij het toepassen van de in artikel 50 van de AWR gegeven informatievergaringsmogelijkheden door de Belastingdienst, zie aant. 1.11. Aant. 1.17 bevat omschrijvingen van in artikel 50 gebruikte, maar elders gedefinieerde begrippen.
2. Wat houdt de verplichting tot toegangsverlening in? (aant. 2)
In aant. 2 wordt ingegaan op de in artikel 50, eerste lid, van de AWR geregelde verplichting tot toegangverlening tot gebouwen en grond en de daaraan verbonden privacyaspecten.
3. In hoeverre is de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen begrensd? (aant. 3)
Aant. 3 behandelt het beleid van de Belastingdienst ter zake van het binnentreden van een woning. Hierbij spelen de bepalingen van de AWBt een rol.
4. Wat valt onder de term 'onderzoek'? (aant. 4)
Toegang tot gebouwen of grond dient ingevolge artikel 50, eerste lid, van de AWR te worden verleend 'voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is'. Aant. 4 stelt de reikwijdte van het op basis van artikel 50 van de AWR te verrichten onderzoek aan de orde.
5. Voor welke tijdstippen geldt de verplichting tot toegangverlening? (aant. 5 en 6)
In aant. 5 wordt besproken dat de inspecteur gebonden is aan bepaalde tijdstippen voor de toegangverlening, terwijl aant. 6 de uitzondering daarop behandelt.
6. Is alleen de inspecteur bevoegd tot binnentreding? (aant. 7)
De bevoegdheden van artikel 50 van de AWR kunnen ook toekomen aan anderen dan de inspecteur. Aant. 7 behandelt de positie van de tot binnentreding bevoegde ambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen.
7. Wat houdt een waarneming ter plaatse (WTP) in? (aant. 8)
Aant. 8 gaat nader in op de waarneming ter plaatse bij bedrijven.
8. Aanwijzingen voor het onderzoek (aant. 9 en 10)
In aant. 9 wordt de in artikel 50, vierde lid, van de AWR opgenomen verplichting voor de belastingplichtige om desgevraagd de voor het onderzoek benodigde aanwijzingen te geven besproken. Aant. 10 gaat in op het begrip 'desgevraagd'.
9. Werkt artikel 50 AWR ook door naar lagere overheden? (aant. 14)
In aant. 14 wordt aandacht besteedt aan de doorwerking van artikel 50 van de AWR naar lagere overheden.
10. Welke sancties staan op niet meewerken? (aant. 15)
Aant. 15 brengt de sanctiebepalingen ter sprake.