FED 1996/418:De echtgenote van belanghebbende heeft in 1986 f 15 580 aan rente ontvangen. Ter zake van deze niet aangegeven rente is aan belanghebbende, die in 1986 een hoger persoonlijk arbeidsinkomen genoot dan zijn echtgenote, een navorderingsaanslag met een verhoging van, na kwijtschelding, 10% (f 428) opgelegd. Hoge Raad: Het middel dat de in art. 5, eerste lid, Wet IB 1964 voorgeschreven samenvoeging van vermogensinkomsten van echtgenoten en de daaruit voortvloeiende verplichting tot het verschaffen van informatie niet te verenigen is met het bepaalde in art. 8 EVRM noch met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM en 26 IVBPR kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering. Belanghebbende heeft voor het hof verdedigd dat de inspecteur, gelet op de rol van belanghebbendes echtgenote bij het niet aangeven van het genoemde bedrag, in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de verhoging niet verder dan tot op 10% kwijt te schelden. Deze essentiële stelling is door het hof niet behandeld. Het middel is derhalve in zoverre gegrond dat de uitspraak ten aanzien van het kwijtscheldingsbesluit niet naar de eis der wet met redenen is omkleed en op dat punt niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.